Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:8358

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-08-2021
Datum publicatie
01-09-2021
Zaaknummer
21-000962-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van belaging tot een gevangenisstraf van 33 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met bijzondere voorwaarden, met aftrek van het voorarrest. Bewijsoverweging. Betrouwbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000962-19

Uitspraak d.d.: 25 augustus 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 11 januari 2019 met parketnummer 18-730354-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 11 augustus 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:

  • -

    vernietiging van het vonnis van de eerste rechter en veroordeling van verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde;

  • -

    oplegging van een gevangenisstraf van 33 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met aftrek van het ondergane voorarrest met een proeftijd van twee jaren en met als bijzondere voorwaarden:

- een meldplicht bij de reclassering;

- een contactverbod met de familie [naam1] ;

- een lawaaiverbod na 20.00 uur.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. J.D. Nijenhuis, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Door verdachte is onbeperkt hoger beroep ingesteld. Hoger beroep tegen de gegeven vrijspraak van feit 1 staat voor verdachte niet open. Het hof zal verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 11 januari 2019 ter zake van feit 1 vrijgesproken en ter zake van feit 2, te weten: belaging, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 93 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een contactverbod en een lawaaiverbod.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover daarvoor vatbaar vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is – voor zover in hoger beroep aan de orde – tenlastegelegd dat:


2.
hij in of omstreeks de periode van 8 april 2017 tot en met 31 juli 2017 te [plaats1] , in de gemeente [gemeente1] , in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van de familie [naam1] en/of [naam1-a] en/of [naam1-b] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die familie [naam1] en/of [naam1-a] en/of [naam1-b] , in elk geval die ander, te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, door wederrechtelijk stelselmatig en met voormeld oogmerk (op verschillende tijdstippen in genoemde periode) (telkens) (onder meer)

- matten te kloppen op of na 20.00 uur en/of

- te vloeken en/of

- te gluren naar/in de woning van familie [naam1] en/of

- met een zaklamp in de woning van [naam1] te schijnen en/of

- de familie [naam1] te beledigen (onder meer door het opsteken van de middelvinger)

- de familie [naam1] uit te schelden (door het roepen/schreeuwen van de woorden "mongool" en/of “vies vet varken” in de richting van (een of meer leden van)) de familie [naam1] en/of

- enige tijd tegen de kliko te schoppen en/of

- op een fluitje te blazen en/of

- een stuk van de klimplanten van de familie [naam1] af te trekken en deze vervolgens in de tuin van deze familie te gooien en/of

- de autoradio hard aan te zetten en/of

- over de schutting te loeren en/of

- van de familie [naam1] foto's te maken en/of te filmen,

en/of/aldus (telkens) op enigerlei wijze zijn aanwezigheid en/of gedachtegangen ongewenst en/of hinderlijk aan de familie [naam1] opgedrongen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Daarnaast gaat het hof ervan uit dat de steller van de tenlastelegging de bedoeling heeft gehad ten laste te leggen dat de belaging was gericht op [naam1-a] en/of [naam1-b] . Nu deze namen (bestanddelen) ontbreken in de tenlastelegging is sprake van een kennelijke misslag. Het hof leest voormelde bestanddelen in de tenlastelegging in en leest deze aldus verbetert. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Ter zitting in hoger beroep is door de verdediging vrijspraak bepleit. Hiertoe is aangevoerd dat van de tenlastegelegde gedragingen alleen het schelden bewezen kan worden. Voor de overige gedragingen is onvoldoende bewijs voorhanden. De aard, intensiteit, duur en frequentie van hetgeen is te bewijzen is onvoldoende om tot het wettig en overtuigend bewijs te komen van belaging, aldus de raadsman.

Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

De verklaringen van aangever [naam1-a] vinden steun in het logboek van aangever, de processen-verbaal van politie, waarin door buurtbewoners is verklaard dat verdachte bepaalde handelingen en gedragingen heeft begaan, alsook de eigen verklaring van verdachte voor zover inhoudende dat hij ‘s avonds matten heeft geklopt, gescholden en gevloekt, op een fluitje heeft geblazen en een klimplant over de schutting naar de buren heeft gegooid. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. De verklaring van verdachte dat zijn gedrag niet (bewust) was gericht op de buren en beperkt bleef tot een enkele reactie acht het hof dan ook niet geloofwaardig.

De verschillende manieren waarop verdachte zich opdrong waren veelvuldig, maar ook storend en indringend. Het hof komt dan ook tot het oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de bewezenverklaarde handelingen en gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangever en zijn vrouw – naar objectieve maatstaven bezien – zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer sprake is geweest.

Ten overvloede overweegt het hof dat – anders dan de raadsman lijkt te betogen – niet elke feitelijkheid, zoals in de tenlastelegging achter de gedachtestreepjes genoemde gedragingen of handelingen, hoeft te worden gesteund door twee bewijsmiddelen. Die stelling vindt geen steun in het recht.

Het verweer wordt verworpen.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 2 tenlastegelegde belaging heeft begaan.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.
hij omstreeks de periode van 8 april 2017 tot en met 31 juli 2017 te [plaats1] , in de gemeente [gemeente1] , wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [naam1-a] en [naam1-b] , met het oogmerk die [naam1-a] en [naam1-b] dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen, door wederrechtelijk stelselmatig en met voormeld oogmerk op verschillende tijdstippen in genoemde periode telkens

- matten te kloppen na 20.00 uur en

- te vloeken en

- te gluren naar de woning van familie [naam1] en

- de familie [naam1] te beledigen, door het opsteken van de middelvinger en

- de familie [naam1] uit te schelden door het roepen/schreeuwen van de woorden "mongool" en “vies vet varken” in de richting van een of meer leden van de familie [naam1] en

- op een fluitje te blazen en

- een stuk van de klimplanten van de familie [naam1] af te trekken en deze vervolgens in de tuin van deze familie te gooien

en aldus telkens op enigerlei wijze zijn aanwezigheid en gedachtegangen ongewenst en hinderlijk aan de familie [naam1] opgedrongen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

belaging.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich maandenlang schuldig gemaakt aan belaging van zijn buren, een gezin met twee jonge kinderen. Door onder meer stelselmatig na acht uur ‘s avonds, terwijl de buurkinderen op bed lagen, gedurende lange tijd matten te kloppen, naar de woning van de familie te gluren en door in de richting van de gezinsleden te vloeken, hen te beledigen en uit te schelden, heeft verdachte zich zeer ongepast en hinderlijk gedragen en daarbij de strafrechtelijke grenzen ruimschoots overschreden. Door zijn handelen heeft verdachte herhaaldelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangever en zijn vrouw en hun woongenot ernstig beknot. Dat de impact van verdachtes gedrag op het gezin groot was blijkt ook uit de schriftelijke slachtofferverklaring. Aangever omschrijft de periode van overlast als ‘een verschrikkelijke tijd’ en wenst een rustig en veilig thuis te kunnen hebben.

Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat verdachte na het vonnis van de politierechter zijn gedrag zodanig heeft aangepast dat het relatief rustig is. Verdachte heeft ter zitting aangegeven dat hij zich op geen enkele manier meer met zijn buren zal bemoeien, ook niet indirect door bijvoorbeeld in de tuin hardop vervelende woorden te zeggen die stiekem gericht zijn op/aan zijn buren.

Uit het verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 9 juli 2021 blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een andersoortig strafbaar feit. Ook is verdachte bij (onherroepelijk) arrest van 17 augustus 2017 wegens vernieling veroordeeld, zodat rekening moet worden gehouden met artikel 63 Wetboek van Strafrecht. Dit feit is enigszins verwant aan het voorliggende delict, want het is gepleegd tegen hetzelfde slachtoffer.

Verder heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden zoals die uit het dossier blijken en zoals die ter terechtzitting door en namens verdachte naar voren zijn gebracht. Daarbij heeft het hof ook kennisgenomen van de omtrent verdachte uitgebrachte rapportages, waaronder het rapport van bevindingen van het CAGGB van 6 augustus 2021 en het reclasseringsadvies van 9 mei 2018.

In hoger beroep is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met zeven maanden. Het vonnis dateert van 11 januari 2019. Verdachte heeft op 25 januari 2019 hoger beroep ingesteld en het eindarrest dateert van 25 augustus 2021.

Alles afwegend, ook rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, acht het hof oplegging van de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf van 33 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Het voorwaardelijke strafdeel dient daarbij ook als stok achter de deur met als doel verdachte te ondersteunen in zijn voornemen zich afzijdig te houden van zijn (nu nog) buren en niet opnieuw te vervallen in strafbaar gedrag. Aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf verbindt het hof als bijzondere voorwaarden de geadviseerde voorwaarden van een meldplicht, contactverbod en – kort gezegd – lawaaiverbod. Verdachte is een gewaarschuwd man. Als hij zich niet aan de voorwaarden houdt, dan wordt de gevangenisstraf alsnog tenuitvoergelegd.

Voor wat betreft de termijnoverschrijding volstaat het hof met de vaststelling dat de redelijke termijn in de fase van hoger beroep is overschreden. De duur van de op te leggen straf leent zich niet voor matiging.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 33 (drieëndertig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 30 (dertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich uiterlijk binnen twee weken na het onherroepelijk worden van dit arrest meldt bij de afdeling reclassering van het Leger des Heils, Zoutbranderij 1 te Leeuwarden, en zich hier daarna gedurende de volledige proeftijd meldt, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd van twee jaren verboden is contact te leggen of te laten leggen, opnemen, zoeken of hebben - direct of indirect - met [naam1-a] , zijn echtgenote of zijn gezin, allen wonende te [plaats1] , [adres1] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat het de veroordeelde wordt verboden om na 20.00 uur lawaai te maken, hetzij in hetzij buiten zijn woning.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. A. Meester, voorzitter,

mr. H.J. Deuring en mr. W. Foppen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. Brink, griffier,

en op 25 augustus 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.