Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:8325

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-08-2021
Datum publicatie
02-09-2021
Zaaknummer
200.274.343/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling van een samenwerking; vorderingen over en weer met betrekking tot spuitwerkzaamheden aan een auto en geldleningen. Verzuim; fatale termijn?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.274.343/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel 229922)

arrest van 31 augustus 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats1] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. G.M. Volkerink, die kantoor houdt te Zwolle,

tegen

[geïntimeerde] , h.o.d.n. [naam1],

wonende te [woonplaats2] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

bij de rechtbank: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. M.B. Beerentsen, die kantoor houdt te Zwolle.

1 Het verdere verloop van de procedure

Het hof verwijst naar het tussenarrest van 22 september 2020. In dat tussenarrest heeft het hof een mondelinge behandeling van de zaak bepaald die heeft plaatsgehad op 27 mei 2021. Van de mondelinge behandeling is een verslag opgemaakt (het proces-verbaal) dat zich bij de stukken bevindt. Partijen hebben het hof gevraagd een uitspraak te geven (arrest te wijzen).

2 Waar gaat deze zaak over?

2.1

De zaak betreft de financiële afwikkeling van een overeenkomst tussen partijen betreffende door [geïntimeerde] te verrichten werkzaamheden aan drie auto’s van [appellant] in verband waarmee [appellant] geld aan [geïntimeerde] heeft geleend, onder meer voor de aankoop van een spuitcabine. Het geschil wat daarover tussen partijen is ontstaan heeft de volgende achtergrond.

2.2

Partijen hebben op 5 juli 2016 een schriftelijke overeenkomst gesloten. Partijen zijn daarin overeengekomen dat [appellant] een spuitcabine van € 7.865,- inclusief btw voorfinanciert voor [geïntimeerde] . Als tegenprestatie diende [geïntimeerde] drie auto’s van [appellant] volledig te bewerken en over te spuiten. Het ging daarbij om een Jaguar, een Riley en een Jeep.

2.3

In de overeenkomst is, voor zover van belang, opgenomen:

“2. Doel van de lening: De lening is bedoeld voor dc aankoop van een spuitcabine. (...).

Tevens zal hij zorgdragen voor een deugdelijke werking, afzuiging en installatie zodat de spuitcabine bedrijfsklaar ingezet kan worden. Zolang de lener hel volledige bedrag van deze lening inclusief rente en kosten niet voldaan heeft aan de uitlener, dmv de hiervoor bedoelde en geleverde werkzaamheden of geld, is de uitlener volledig eigenaar van de spuitcabine en kan deze te allen tijde volledig gedemonteerd opeisen van lener.

3. De lener zat de afbetaling doen dmv het spuiten van drie auto 's. Indien de lener zijn afspraken niet

nakomt is de rente verschuldigd over hel openstaande bedrag totdat de hoofdsom in zijn geheel is

terugbetaald. (…)

5. De lener zal iedere auto geheel correct demonteren, voorbehandelen, spuiten, afwerken en

opbouwen tot een goed en aanvaardbaar eindresultaat voor de uitlener. De uitlener zal zorgen voor

benodigde onderdelen welke vervangen dienen te worden voor een perfect eindresultaat. Die lener

zal alle kosten van hel voorwerk (schuren, primer, plamuur, verf lak) dragen.

6. Per 3 maanden zal de lener één van de auto 's compleet gespoten en perfect opgebouwd afleveren

aan uitlener. Voor het eerst uiterlijk 1 oktober 2016. (...)

8. Looptijd en terugbetaling van hoofdsom: De schuld (hoofdsom en rente) dient te zijn afgelost op

1 april 2017."

2.4

In het bedrijfspand van [geïntimeerde] hebben zich problemen met de elektriciteit

voorgedaan en is een milieu- en bodemonderzoek uitgevoerd voordat de spuitcabine mocht

worden gebruikt. De spuitcabine is na medio februari 2017 door [geïntimeerde] in gebruik genomen.

2.5

Op enig moment heeft [geïntimeerde] de huurverplichtingen van het bedrijfspand niet meer

kunnen voldoen. [appellant] heeft vanaf oktober 2018 de door [geïntimeerde] verschuldigde huurpenningen voldaan.

2.6

De drie auto's van [appellant] zijn niet (volledig) afgespoten. Bij brief d.d.

19 februari 2019 heeft [appellant] de overeenkomst van 5 juli 2016 (buitengerechtelijk) ontbonden. Daarnaast heeft [appellant] in dezelfde brief de mondeling gesloten overeenkomsten van geldlening in verband met de voorgefinancierde bedrijfsinventaris en voorgeschoten huurpenningen ontbonden. [geïntimeerde] is aangemaand tot betaling over te gaan.

2.7

[appellant] heeft [geïntimeerde] gedagvaard voor de rechtbank en heeft na een eiswijziging gevorderd om [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 26.503,90,- vermeerderd met contractuele of wettelijke handelsrente uit hoofde van de ontbinding van de overeenkomst van geldlening, van € 131.191,24, vermeerderd met wettelijke handelsrente uit hoofde van ontbinding aannemingsovereenkomst, van € 1.158,- aan buitengerechtelijke kosten en van proceskosten en nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.

2.8

[geïntimeerde] heeft tegenvorderingen ingesteld. Hij heeft gevorderd om [appellant] te veroordelen tot betaling van € 4.468,70 (openstaande facturen) vermeerderd met rente en van € 20.327,50 (exclusief btw) of € 7.865,- (vergoeding werkzaamheden na ontbinding van de overeenkomst), vermeerderd met proceskosten en nakosten.

2.9

De rechtbank heeft in het eindvonnis van 20 november 2019 van de vorderingen van [appellant] toegewezen een bedrag van € 23.351,30 (inclusief btw), zijnde een deel van de door [appellant] aan [geïntimeerde] geleende bedragen. Van de vorderingen van [geïntimeerde] heeft de rechtbank € 4.468,70, vermeerderd met wettelijke rente, toegewezen en daarnaast € 21.780,- (inclusief btw). De vorderingen van partijen zijn voor het overige afgewezen. De rechtbank heeft de proceskosten van partijen gecompenseerd, in die zin dat ieder partij zijn eigen kosten draagt.

3 De beoordeling in hoger beroep

3.1

[appellant] is tegen het eindvonnis van de rechtbank in hoger beroep gekomen, omdat hij wil dat zijn vorderingen, voor zover die zijn afgewezen, alsnog worden toegewezen en dat de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog worden afgewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van de procedure bij de rechtbank en het hof, vermeerderd met wettelijke rente en nakosten, met wettelijke rente daarover. [appellant] heeft twee grieven met een toelichting daarop aangevoerd, waarin hij zijn bezwaren tegen diverse onderdelen van het eindvonnis van de rechtbank heeft verwoord. Het hof zal die grieven hierna gezamenlijk beoordelen.

3.2

[geïntimeerde] heeft in zijn memorie van antwoord verzocht het eindvonnis van de rechtbank te bekrachtigen, rekening houdend met het door hem gestelde nieuwe feit dat [appellant] de spuitcabine heeft weggegeven aan de eigenaar van het bedrijfspand waarin [geïntimeerde] zijn werkzaamheden uitoefende. [geïntimeerde] verbindt daaraan het gevolg dat hij het door [appellant] aan hem geleende geld voor de spuitcabine niet hoeft te terug te betalen. [geïntimeerde] heeft daarmee kennelijk beoogd incidenteel hoger beroep in te stellen tegen het eindvonnis van de rechtbank waarin hij tot terugbetaling van dat geldbedrag is veroordeeld, ook al heeft hij een in zijn memorie van antwoord niet expliciet aangegeven een dergelijk appel te willen instellen en zijn conclusie in die memorie – waarin niet om (gedeeltelijke) vernietiging van het eindvonnis wordt verzocht - niet uitblinkt in helderheid. [appellant] heeft geen memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep genomen, maar is op de zitting van het hof wel inhoudelijk op het door [geïntimeerde] genoemde nieuwe feit en bijbehorend betoog ingegaan. [appellant] heeft naar het oordeel van het hof door deze gang van zaken geen processueel nadeel gehad, zodat het hof het door [geïntimeerde] opgeworpen punt zal beoordelen.

[appellant] heeft geen recht op schadevergoeding als gevolg van buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst.

3.3

Het hof begrijpt de overeenkomst van 5 juli 2016 zo dat [geïntimeerde] heeft zich verbonden om in opdracht van [appellant] de in artikel 5 van de overeenkomst genoemde werkzaamheden te verrichten. De tegenprestatie van [appellant] daarvoor (betaling) zou, zo begrijpt het hof, geschieden door verrekening met de vordering van [appellant] op [geïntimeerde] tot terugbetaling van de geleende gelden voor de aankoop van de spuitcabine. De overeenkomst van partijen kan gekwalificeerd worden als een overeenkomst van aanneming van werk, al heeft deze ook kenmerken van een overeenkomst van geldlening.

3.4

[appellant] heeft de overeenkomst op 19 februari 2019 buitengerechtelijk ontbonden, vanwege het feit dat [geïntimeerde] niet binnen de overeengekomen termijnen de werkzaamheden aan de auto’s - dat wil zeggen: Jaguar en Riley – heeft verricht en daarmee de geldlening niet tijdig heeft afgelost. De rechtbank heeft de op die ontbinding gestoelde vordering tot schadevergoeding (artikel 6:277 BW) afgewezen. Met zijn grieven I en II komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat de buitengerechtelijke ontbinding geen effect heeft gesorteerd, omdat [geïntimeerde] niet in verzuim is komen te verkeren vanwege schuldeisersverzuim van [appellant] . Dit schuldeisersverzuim bestond er volgens de rechtbank uit dat [appellant] , door het niet tijdig leveren van de benodigde materialen en het verrekenen van facturen van [geïntimeerde] , deze in financiële problemen heeft gebracht en hem heeft belet de overeengekomen prestatie te verrichten.

3.5

[appellant] heeft zijn stelling dat het verzuim van [geïntimeerde] was ingetreden gebaseerd op het door [geïntimeerde] niet in acht nemen van de overeengekomen opleveringsdata, zoals die volgens [appellant] zijn opgenomen in de artikelen 6 en 8 van de overeenkomst. Die bepalingen houden in dat steeds na 3 maanden een auto klaar moest zijn (compleet gespoten en perfect opgebouwd), voor het eerst uiterlijk op 1 oktober 2016 en alle auto’s uiterlijk op

1 april 2017. In het verweer van [geïntimeerde] ligt besloten, zo begrijpt het hof zijn stellingen, dat hij niet om die reden in verzuim is komen te verkeren.

3.6

Het hof volgt [appellant] niet in zijn standpunt dat sprake is van tussen partijen overeengekomen fatale termijnen, door het verstrijken waarvan [geïntimeerde] direct in verzuim is komen te verkeren. [appellant] heeft niet voldaan aan zijn stelplicht ten aanzien van het fatale karakter van de overeengekomen termijnen. Daarvoor acht het hof van belang dat [geïntimeerde] door vertraging in de montage van de spuitcabine niet eerder dan in februari 2017 met de eerste auto is begonnen. [appellant] heeft zich, zij het met tegenzin, daarbij neergelegd, zo heeft hij ter zitting van het hof verklaard. Dat strookt ook met de omstandigheid dat [appellant] niet direct na het verstrijken van de overeengekomen eerste termijn op

1 oktober 2016, en evenmin na het verstrijken van de tweede en derde termijn [geïntimeerde] op termijnoverschrijding en verzuim gewezen; uit het uitblijven van een dergelijke reactie leidt het hof af dat ook in de ogen van [appellant] de termijnen niet (langer) fataal waren. Het voorgaande sluit aan bij de constatering van de rechtbank dat partijen zich allebei hebben verkeken op de tijd die met het overspuiten van de auto’s gemoeid was. [appellant] meent dat dit voor risico van [geïntimeerde] komt, maar dat partijen zich hebben verkeken heeft hij niet betwist. Dat partijen nadat [geïntimeerde] in februari 2017 met zijn werkzaamheden was begonnen nieuwe fatale termijnen zijn overeengekomen is niet door [appellant] gesteld, noch is dat anderszins gebleken. Wat [appellant] in dit verband over een mogelijk beroep op dwaling van [geïntimeerde] heeft aangevoerd kan buiten beschouwing blijven, nu het ontbreken van een dergelijk beroep niet tot een ander oordeel leidt wat betreft de ontbinding van de overeenkomst. Hetzelfde geldt voor hetgeen door partijen naar voren is gebracht omtrent het al dan niet bestaan van schuldeisersverzuim aan de zijde van [appellant] .

3.7

Nu [appellant] zich voor zijn beroep op ontbinding niet gemotiveerd heeft beroepen op een andere grond die heeft geleid tot het intreden van het verzuim van [geïntimeerde] (zoals de in artikel 6:82 en 83 BW geregelde gevallen) heeft hij onvoldoende onderbouwd dat [geïntimeerde] in verzuim is geraakt. [appellant] heeft evenmin onderbouwd gesteld dat in de gegeven omstandigheden op grond van redelijkheid en billijkheid een ingebrekestelling achterwege kon blijven of dat het beroep van [geïntimeerde] op het ontbreken van verzuim naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Bij gebrek aan verzuim aan de zijde van [geïntimeerde] is niet voldaan aan een van de vereisten voor een geslaagd beroep op (buitengerechtelijke) ontbinding van een overeenkomst (artikel 6:265 BW). Met inachtneming hiervan is het oordeel van de rechtbank dat de ontbindingsverklaring geen effect heeft gesorteerd juist. De klachten daarover in de grieven I en II van [appellant] falen om die reden.

3.8

Het voorgaande brengt mee dat er geen grond is voor de door [appellant] gevorderde vergoeding van het door hem genoemde positief contractsbelang, volgens [appellant]
€ 131.191,24, met wettelijke rente. Die vordering is terecht afgewezen door de rechtbank.

3.9

De rechtbank heeft in 4.5-4.7 van het bestreden vonnis – kort gezegd – geoordeeld dat partijen hebben berust in de onterechte ontbinding van hun overeenkomst en dat partijen over en weer kosten hebben gemaakt en prestaties hebben verricht, die - zo volgt uit dat oordeel - ongedaan moeten worden gemaakt. Het bezwaar van [appellant] tegen die benadering is enkel gebaseerd op zijn stelling dat hij de overeenkomst met succes buitengerechtelijk heeft ontbonden, maar die stelling is door het hof verworpen. Het hof gaat daarom ook uit van de door de rechtbank gekozen benadering. [appellant] is het niet eens met de door de rechtbank aangenomen omvang van de prestaties van [geïntimeerde] (grief III) en de afwijzing van een deel van zijn vorderingen (grief IV).

[geïntimeerde] heeft recht op het door de rechtbank toegewezen bedrag voor zijn werkzaamheden aan de auto’s; de grief van [appellant] daarover slaagt niet

3.10

De rechtbank heeft de vergoeding voor de werkzaamheden van [geïntimeerde] bepaald op
€ 21.780,- inclusief btw, gebaseerd op 350 uren voor de Jaguar x € 45,- + 50 uren voor de Riley x € 45,-. [appellant] bestrijdt niet het uurtarief, wel het aantal uren.

3.11

[geïntimeerde] heeft een opgave gedaan van het aantal uren dat hij aan de Jaguar en de Riley heeft gewerkt (productie 9 conclusie van antwoord in conventie, van eis in reconventie). De rechtbank heeft die opgave in grote lijnen gevolgd; [geïntimeerde] heeft tegen de afwijking geen bezwaar gemaakt.
[appellant] heeft de opgave van [geïntimeerde] doorgegeven aan Classic Car Taxatie, die op basis daarvan na inspectie van de auto’s een indicatie heeft gegeven van het aantal uren dat nog nodig is om de beide auto’s te kunnen afleveren. Nu [appellant] niet gemotiveerd heeft betwist dat [geïntimeerde] werkzaamheden heeft verricht en de door hem ingeschakelde deskundige kennelijk geen aanleiding heeft gezien, na zijn inspectie van de auto’s, de opgave van [geïntimeerde] over het aantal uren dat aan de auto’s is besteed te betwijfelen, ziet het hof geen aanleiding om van een ander aantal uren dan 350 uit te gaan of [geïntimeerde] op te dragen nader bewijs daarvoor te leveren. Daarvoor schiet de motivering van de betwisting van [appellant] te kort, nu hij ook niet aangeeft hoe veel uren dan wel met de werkzaamheden gemoeid zijn geweest. De enkele stelling dat het aantal uren dat door [geïntimeerde] is opgegeven niet klopt is daarvoor niet toereikend.

[geïntimeerde] moet aan [appellant] betalen voor meubels en stellingen en afvoeren van afval; de grief van [appellant] daarover slaagt

3.12

Met een beroep op een door [geïntimeerde] ondertekend overzicht - welke ondertekening door [geïntimeerde] niet is ontkend - heeft [appellant] gesteld dat [geïntimeerde] heeft erkend dat hij als vergoeding voor levering van meubels (€ 300,-), levering van stellingen (€ 150,-) en afvoeren van afval (€ 26,40) is verschuldigd. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] de stellingen van [appellant] daarover onvoldoende gemotiveerd heeft betwist; hij heeft er geen plausibele verklaring voor gegeven waarom hij voor deze bedragen heeft getekend indien hij die niet verschuldigd zou zijn. De stelling dat de meubels en stellingen hem zouden zijn opgedrongen, zoals [geïntimeerde] heeft aangevoerd, moet het zonder toelichting stellen en het verweer – wat daar verder ook van zij - is om die reden onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] op dit punt ten onrechte afgewezen. Het hof zal alsnog € 476,40 toewijzen. Tegen de afwijzing van de gevorderde wettelijke rente heeft [appellant] niet afzonderlijk en als zodanig gegriefd naast zijn afgewezen grief over de buitengerechtelijke ontbinding, zodat het hof over dit extra bedrag geen wettelijke rente zal toewijzen.

[geïntimeerde] heeft minder van [appellant] te vorderen dan door de rechtbank is toegewezen; de klacht van [appellant] daarover in grief I slaagt

3.13

[geïntimeerde] heeft naast een vergoeding voor zijn werkzaamheden aan de auto’s ook betaling van een aantal andere facturen gevorderd. De rechtbank heeft die vordering tot een bedrag van € 4.468,70 (€ 316,- + € 4.152,70) inclusief btw toegewezen. [appellant] ’s klacht dat dit niet juist is, is deels terecht, deels onterecht. Om met dat laatste te beginnen: in randnummer 18.2 van zijn memorie van grieven heeft [appellant] gesteld dat de facturen met nummers 2018032, 2018029, 2018028 en 201823 verrekend kunnen worden met zijn vorderingen op [geïntimeerde] , omdat hij (naar het hof begrijpt: met instemming van [geïntimeerde] ) de betreffende schulden van de vennootschap Instyle Concepts B.V. ( [appellant] is bestuurder van die vennootschap) heeft overgenomen en deze daarom voorkomen op het overzicht dat als productie 3 door hem in het geding is gebracht. De aldus gestelde verrekeningsmogelijkheid is op zich door [geïntimeerde] niet weersproken, maar dat laat onverlet dat [appellant] niet heeft gesteld en dat niet is gebleken dat daadwerkelijk verrekening op de voet van art. 6:127 BW heeft plaatsgevonden en dat daarmee de facturen van [geïntimeerde] zijn betaald.

3.14

Wat betreft de facturen met de nummers [nummer1] (€ 432,50), [nummer2] ( € 907,50) en [nummer3] ( € 1.028,50): het gaat daarbij volgens [appellant] om werkzaamheden die [geïntimeerde] in zijn opdracht maar voor rekening van Instyle Concepts B.V. heeft verricht. Het hof stelt vast dat de facturen op naam van deze vennootschap zijn gesteld. Gelet op de betwisting van [appellant] en zonder nadere toelichting van [geïntimeerde] ziet het hof niet in op grond waarvan [appellant] deze facturen zou moeten voldoen. Dat brengt mee dat ten onrechte een bedrag van € 2.368,50 aan [geïntimeerde] is toegewezen. Grief I van [appellant] slaagt in zoverre.

3.15

Het aanvankelijke bezwaar van [appellant] tegen toewijzing van een bedrag van

€ 75,- in verband met een bandenwissel is door hem ter zitting van het hof ingetrokken, omdat hij de verschuldigdheid van dit bedrag alsnog heeft erkend.

[geïntimeerde] moet de lening voor de aankoop van de spuitcabine terugbetalen

3.16

Het door [geïntimeerde] genoemde nieuwe feit - [appellant] zou de spuitcabine hebben weggegeven aan de verhuurder van het pand - brengt niet mee dat hij de lening niet zou hoeven terugbetalen. [appellant] heeft de juistheid van het feit bestreden en [geïntimeerde] heeft er geen onderbouwing voor gegeven noch bewijs voor aangeboden. De feiten en omstandigheden waaronder dit weggeven zou hebben plaatsgevonden heeft hij niet geschetst. Bovendien leidt het enkele feit dat hij niet langer over de spuitcabine beschikt op zich niet tot bevrijding van zijn betalingsverbintenis uit hoofde van geldlening.

3.17

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof het vonnis van de rechtbank van

20 november 2019 zal vernietigen, voor zover aan [appellant] is toegewezen € 23.351,30 inclusief btw in plaats van € 23.827,70 inclusief btw en aan [geïntimeerde] is toegewezen € 4.468,70 in plaats van € 2.100,20. Het vonnis zal voor het overige worden bekrachtigd. Gelet op de uitkomst in hoger beroep ziet het hof aanleiding voor een compensatie van proceskosten. Dat betekent dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

3.18

Partijen hebben geen feiten en omstandigheden gesteld die, zo die zouden worden bewezen, tot een andere beslissing zouden leiden. Het hof ziet daarom geen aanleiding voor

bewijslevering.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel van 20 november 2019, behoudens voor zover [geïntimeerde] in rov. 5.1 is veroordeeld om aan [appellant] te betalen € 23.351,30 en voor zover [appellant] in rov. 5.2 is veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen € 4.468,70, vernietigt dit vonnis in zoverre en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 23.827,70 inclusief btw;

veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] te betalen € 2.100,20, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de verschillende vervaldata tot de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J. Smit, P.S. Bakker en W.D. de Boer en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

31 augustus 2021.