Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:8289

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-08-2021
Datum publicatie
13-09-2021
Zaaknummer
Wahv 200.269.724/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op de foto zijn meerdere voertuigen te zien. Het verweer dat de apparatuur mogelijk niet zorgvuldig plaatsvond vanwege beïnvloeding door overig verkeer, wordt aan de hand van door de advocaat-generaal aangeleverde aanvullende informatie verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.269.724/01

CJIB-nummer

: 223070062

Uitspraak d.d.

: 31 augustus 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 16 september 2019, betreffende

[betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 72,- voor: “overschrijding van de maximumsnelheid binnen bebouwde kom, met 10 km/h”. Deze gedraging zou zijn verricht op 22 januari 2019 om 12:38 uur op de Burgemeester Matsersingel, kruising Groningensingel, in Arnhem met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

2.
De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de snelheidsmeting niet betrouwbaar is, omdat deze niet is verricht overeenkomstig het bepaalde in het Concept regeling voorschriften meetmiddelen politie (hierna: CVMP). De gevoeligheidsinstelling van de radarsnelheidsmeter is namelijk niet op de foto vermeld, terwijl dit op grond van artikel 11.5.2 van de CVMP wel is vereist. Het gaat in deze zaak om een radarmeting met ten minste drie voertuig in de radarbundel op een druk verkeersplein, zodat de radarinstallatie zodanig moet zijn afgesteld dat het overige verkeer geen invloed kan hebben op de radarmeting. Zonder nadere informatie kan dus niet worden geoordeeld dat de meting zorgvuldig heeft plaatsgevonden.

3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Een ambtsedige verklaring is niet vereist. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

4.
De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht houdt in dat met behulp van een voor de meting getest, goedgekeurd en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel is geconstateerd dat met het voertuig met voormeld kenteken op voormelde datum, tijd en plaats met een gecorrigeerde snelheid van 60 km/h uur is gereden, terwijl de maximum snelheid aldaar 50 km/h bedraagt.

5. Voorts bevinden zich in het dossier twee foto’s waarop een voertuig met voornoemd kenteken te zien is. De gegevens in de databalk komen overeen met de gegevens in het zaakoverzicht.

6. De advocaat-generaal heeft in hoger beroep de NMi-verklaring van de betreffende snelheidsmeter overlegd, waaruit blijkt dat het snelheidsmeetmiddel ten tijde van de gedraging voldeed aan de daaraan te stellen eisen. Verder heeft de advocaat-generaal naar aanleiding van het verweer van de gemachtigde navraag gedaan bij het NMi. Met betrekking tot de gevoeligheidsinstelling van de in deze zaak gebruikte radarsnelheidsmeter, heeft de heer [naam1] , [functie] , het volgende verklaard:
“De radarsnelheidsmeter fabricaat Gatsometer, type T-series heeft inderdaad geen variabele gevoeligheidsinstelling. De radarsnelheidsmeter heeft wel een “tracking”-systeem dat meerdere voertuigen in de radarbundel kan volgen. Daardoor kan de radarsnelheidsmeter bij meerdere voertuigen het juiste voertuig registreren.”

7. Bovengenoemde informatie is door de gemachtigde niet weersproken.

8. In artikel 11.5.2 van het CVMP is bepaald dat radarsnelheidsmeters moeten zijn voorzien van een beeldregistratie-inrichting, waarmee de gevoeligheidsinstelling van de radarsnelheidsmeter moet worden geregistreerd, indien deze variabel is. Uit de bovengenoemde verklaring van de heer [naam1] volgt dat de radarsnelheidsmeter waarmee de onderhavige gedraging is geconstateerd geen variabele gevoeligheidsinstelling heeft. Dit betekent dat de gevoeligheidsheidsinstelling niet geregistreerd hoeft te worden. Verder kan op basis van de verklaring van de heer [naam1] worden vastgesteld dat de snelheidsmeting niet door het overige verkeer is beïnvloed, omdat de radarsnelheidsmeter is voorzien van een “tracking”-systeem dat meerdere voertuigen in de radarbundel kan volgen en waarmee in geval van meerdere voertuigen het juiste voertuig kan worden geregistreerd. Het hof ziet dan ook geen reden om aan de betrouwbaarheid van de snelheidsmeting te twijfelen. Het verweer van de gemachtigde wordt verworpen.

9. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep terecht ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter zal dan ook worden bevestigd.

10. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Veenstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken. Mr. Veenstra is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.