Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:8276

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-08-2021
Datum publicatie
10-09-2021
Zaaknummer
20/00393
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2020:878, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

OB. Intracommunautaire verwerving nieuw vervoermiddel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 10-9-2021
FutD 2021-2807
V-N Vandaag 2021/2124
NLF 2021/1784
V-N 2021/49.1.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 20/00393

uitspraakdatum: 31 augustus 2021

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 januari 2020, nummer AWB 19/3931, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Zwolle (hierna: de Inspecteur).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 oktober 2014 tot en met 31 december 2014 op 19 oktober 2018 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd. Bij beschikking is belastingrente berekend.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2021. Verschenen zijn mr. [naam1] als gemachtigde van belanghebbende en namens de Inspecteur mr. [naam2] bijgestaan door [naam3] en [naam4] .

1.6.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende woont in Nederland en is in loondienst bij [naam5] B.V. (hierna: [naam5] B.V.).

2.2

Op 31 oktober 2014 heeft belanghebbende bij [naam6] GmbH (hierna: de leverancier) in [plaats1] , Duitsland een Landrover, model Range Rover Sport (hierna: de auto) gekocht voor € 99.000, inclusief 19% Mehrwertsteuer (Duitse btw). Zonder Duitse btw is € 83.193,28 voor de auto in rekening gebracht.

2.3

De eerste toelating van de auto in Duitsland was op 25 augustus 2014. Op het moment van de aankoop door belanghebbende was de auto tien weken oud en had 3.900 kilometer op de teller.

2.4

Belanghebbende heeft de auto voor € 99.000 aan [naam5] verkocht. Hiertoe heeft [naam5] B.V. op 30 oktober 2014 aan belanghebbende een inkoopverklaring uitgereikt. De betaling voor de auto van € 99.000 door belanghebbende aan de leverancier vond eind oktober 2014 plaats, nadat belanghebbende dit bedrag van [naam5] B.V. had ontvangen.

2.5

De auto is door belanghebbende op 4 november 2014 van Duitsland naar Nederland gereden.

2.6.

Naar aanleiding van een boekenonderzoek bij [naam5] B.V. is aan belanghebbende met dagtekening 19 oktober 2018 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 17.470 (€ 83.193,28 * 21%) ter zake van een intracommunautaire verwerving van de auto in Nederland. Ook is bij beschikking belastingrente ter hoogte van € 2.683 berekend.

2.7.

In 2019 heeft de gemachtigde van belanghebbende contact gezocht met het ‘Bundeszentralamt für Steuern’ in Duitsland met de vraag of belanghebbende de in Duitsland aan de leverancier betaalde Duitse btw in aftrek kon brengen. Uit de ontvangen antwoorden in de brief van 21 november 2019 volgt dat belanghebbende, onder de geschetste omstandigheden, in principe recht op aftrek van deze Duitse btw zou hebben, maar dat hij een verzoek daartoe vóór 30 september 2015, en onder omstandigheden vóór 30 september 2016, had moeten indienen. De brief verwijst naar de van toepassing zijnde bepalingen in de Duitse btw-wetgeving.

3 Geschil

In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de auto aan en door belanghebbende is geleverd, en dat de auto kwalificeert als een nieuw vervoermiddel als bedoeld in artikel 2a, lid 1, letter f van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB). Verder is niet in geschil dat het intracommunautaire vervoer van de auto van Duitsland naar Nederland moet worden toegerekend aan de levering door de leverancier aan belanghebbende (en dus niet aan de levering door belanghebbende aan [naam5] B.V.).

4.2.

Uit het vorengaande volgt dat belanghebbende een intracommunautaire verwerving als bedoeld in artikel 1, letter c Wet OB van de auto in Nederland heeft verricht. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de naheffingsaanslag achterwege moet blijven omdat sprake is van een dubbele heffing (van Duitse btw op de aankoop en omzetbelasting op de intracommunautaire verwerving). Deze dubbele heffing is volgens belanghebbende niet toegestaan op basis van het beginsel van fiscale neutraliteit. Volgens hem zou in Nederland rekening moeten worden gehouden met de al in Duitsland betaalde Duitse btw die op de auto is blijven drukken.

4.3.

Het beroep van belanghebbende op het fiscale neutraliteitsbeginsel treft geen doel. Belanghebbende heeft voor de onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar HvJ 21 mei 1985, Gaston Schul, 47/84, ECLI:EU:C:1985:216 (Gaston Schul-arrest). In de situatie van dit arrest gold een BTW-stelsel waarin een particulier op basis van richtlijn en wet geen teruggaaf kon krijgen van btw die was begrepen in de aanschafprijs van een vervoermiddel die hij betaalde aan een andere particulier in Frankrijk, terwijl ook in Nederland terzake van de invoer van dat vervoermiddel btw moest worden betaald. Anders dan in de situatie van het Gaston Schul-arrest, kent de BTW-richtlijn 2006 de mogelijkheid om de door belanghebbende aangekochte auto ‘vrij’ van Duitse btw in Nederland te verwerven. Die mogelijkheid volgt ook uit de brief van het ‘Bundeszentralamt für Steuern’ (zie 2.7). Dat belanghebbende de termijn die in Duitsland van toepassing was op een btw-teruggaafverzoek ongebruikt heeft laten verstrijken, is een omstandigheid die voor rekening van belanghebbende komt. Dat laat onverlet dat de Inspecteur verplicht is om zijn heffingsbevoegdheid ten aanzien van de bij belanghebbende geconstateerde intracommunautaire verwerving van de auto in Nederland uit te oefenen. Dat staat in artikel 16 Uitvoeringsverordening BTW-richtlijn 20061, en die verordening is – en was ook in 2014 – bindend en rechtstreeks van toepassing in de lidstaten van de Europese Unie2.

4.4.

De Inspecteur heeft de verschuldigde omzetbelasting over de intracommunautaire verwerving berekend op € 17.470. Dat is 21% over € 83.193,28 (de aankoopprijs van de auto door belanghebbende exclusief Duitse btw). Daarmee heeft de Inspecteur de juiste maatstaf van heffing toegepast, als bedoeld in artikel 17c Wet OB. De grief van belanghebbende dat de maatstaf van heffing verlaagd zou moeten worden naar een bedrag van € 81.818,18 (zijnde 100/121 x € 99.000), zodat er een omzetbelastingbedrag van €17.181 verschuldigd zou zijn, vindt geen grondslag in wet- en regelgeving, en slaagt daarom niet.

4.5.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Harthoorn, voorzitter, mr. A.E. Keulemans en mr. A.I. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2021.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (M. Harthoorn)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 31 augustus 2021.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

1 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15 maart 2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

2 Zie punt 4 in de considerans van de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15 maart 2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.