Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:8177

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-08-2021
Datum publicatie
13-09-2021
Zaaknummer
Wahv 200.274.277/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd omdat in het proces-verbaal niet is opgenomen wat op de zitting door de gemachtigde is aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.274.277/01

CJIB-nummer

: 214081069

Uitspraak d.d.

: 25 augustus 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank

Noord-Nederland van 18 november 2019, betreffende

[betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .

De gemachtigde van de betrokkene is J.G. Hiemstra, kantoorhoudende te Noordlaren.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Op 14 oktober 2020 is (aanvullende) informatie ontvangen van de advocaat-generaal.

De gemachtigde van de betrokkene heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om daarop te reageren.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter niet weergeeft hetgeen tijdens de zitting is aangevoerd. In het proces-verbaal ontbreekt de door de gemachtigde gedane constatering dat door de gemeente Groningen geen verkeersbesluit is genomen ten aanzien van het verkeersbord E4.

2. Deze grond treft doel. Het dossier bevat een afschrift van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan ter openbare zitting van 18 november 2019. Een proces-verbaal dient een zakelijke weergave te bevatten van hetgeen is voorgevallen ter zitting (vgl. het arrest van het hof van 9 oktober 2019, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:8307). Er bestaat geen verplichting voor de kantonrechter om in het proces-verbaal een letterlijke en volledige weergave van de besproken argumenten op te nemen (vgl. het arrest van het hof van 19 maart 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:2421). Het hof stelt vast dat in het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van 18 november 2019 een zakelijke weergave van hetgeen is voorgevallen op de zitting, waaronder hetgeen door de gemachtigde is aangevoerd, ontbreekt. De enkele vermelding “anders dan gemachtigde meent” volstaat niet. De beslissing van de kantonrechter kan daarom niet in stand blijven. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter zou behoren te doen, te weten het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.

3. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij die beschikking een sanctie opgelegd van

€ 95,- voor: “parkeren op parkeergelegenheid, terwijl voertuig niet tot aangegeven categorie of groep voertuigen behoorde”. Deze gedraging zou zijn verricht op 13 januari 2018 om 14.08 uur op het Schuitendiep in Groningen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

4. De gemachtigde voert aan dat door de gemeente Groningen geen verkeersbesluit is genomen ten aanzien van het bord aan de hand waarvan de gedraging is vastgesteld.

5. De Hoge Raad heeft in het arrest van 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1055 bepaald dat de omstandigheid dat een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, niet met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke voorschriften is geplaatst, niet kan worden aangemerkt als een omstandigheid als bedoeld in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv. Dat wil zeggen noch als een omstandigheid waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden, noch als een omstandigheid waarin de betrokkene verkeert (vgl. het arrest van het hof van 8 juli 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:5303). Dit betekent dat een verkeersdeelnemer zich heeft te gedragen naar de ter plaatse aanwezige bebording, ook indien - wat daarvan ook zij - het bord is geplaatst zonder dat daaraan een verkeersbesluit ten grondslag ligt. Het verweer van de gemachtigde treft daarom geen doel.

6. Gelet op het voorgaande zal het hof het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaren.

7. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 1 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.