Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:8146

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-08-2021
Datum publicatie
26-08-2021
Zaaknummer
200.292.367/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Voorlopige toevertrouwing minderjarige aan vader en vaststelling van voorlopige zorgregeling met moeder. Een en ander in afwachting van de uitkomsten van een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming in de bodemprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, familie

zaaknummer gerechtshof 200.292.367/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 134771)

arrest in kort geding van 24 augustus 2021

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats1] ,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna: de moeder,

advocaat: mr. A.R.H. Baas,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats2] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser in conventie, verweerder in reconventie,

hierna: de vader,

advocaat: mr. J. Breeveld.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof verwijst voor het verloop van het geding tot 8 juni 2021 naar zijn tussenarrest van die datum.

1.2

Daarna zijn nog aan het procesdossier toegevoegd:

- een journaalbericht namens de vader van 24 juni 2021 met productie(s), en

- een journaalbericht namens de moeder van 16 juli 2021 met productie(s).

1.3

Ingevolge het onder 1.1 vermelde tussenarrest heeft de mondelinge behandeling door de meervoudige kamer plaatsgevonden op 29 juli 2021. Het daarvan gemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

1.4

De moeder is met twee grieven in principaal appel gekomen tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van 3 maart 2021. De grieven richten zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter betreffende de voorlopige toevertrouwing van [de minderjarige] en de voorlopige omgangsregeling (zorgregeling). De moeder vordert in het principaal appel - samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op alle dagen en uren,

I. vernietiging van het vonnis in kort geding van 3 maart 2021 en

II. opnieuw rechtdoende, afwijzing van de eis in conventie en alsnog toewijzing van de eis in reconventie,

III. althans zo’n beslissing als het hof juist acht.

1.5

De vader voert verweer en heeft in het incidenteel appel één grief opgeworpen tegen het vonnis van de voorzieningenrechter, op grond waarvan hij in een aanvullende vordering heeft ingediend. De vader concludeert – samengevat - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tot afwijzing van de vorderingen in het principaal appel en eist in het incidenteel appel – samengevat – dat het hof vervangende toestemming verleent aan hem om [de minderjarige] voorlopig in te schrijven op de speciale school [school] gevestigd aan de [adres1] te [woonplaats2] , met veroordeling van de moeder in de kosten van de procedure in beide instanties, waaronder begrepen een bijdrage in de kosten van rechtskundige bijstand aan de zijde van de vader.

1.6

De moeder voert verweer in het incidenteel appel. Het hof begrijpt dat de moeder concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vader in zijn vordering in het incidenteel appel, dan wel tot afwijzing van de vordering in het incidenteel appel.

1.7

Op de mondelinge behandeling heeft de vader zijn vordering in het incidenteel appel ingetrokken.

2 De feiten

2.1

De moeder en de vader hebben een affectieve relatie gehad. Hun dochter [de minderjarige]

is [in] 2014 geboren. [de minderjarige] is, nadat daartoe vervangende toestemming van de rechtbank voor was verkregen, erkend door de vader.

2.2

De hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] was vanaf haar geboorte bij de moeder. Naast [de minderjarige] behoort ook haar halfbroertje [naam1] , geboren [in] 2017, tot het gezin van de moeder.

2.3

[de minderjarige] heeft (kenmerken van) het syndroom van West, waardoor zij een algehele ontwikkelingsachterstand heeft opgelopen.

2.4

Dit hof heeft bij beschikking van 2 april 2019 de ouders gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] en een zorgregeling bepaald, inhoudende (samengevat) dat [de minderjarige] na een opbouw een weekend per veertien dagen van vrijdagavond 17.00 uur tot zondagmorgen 12.00 uur bij de vader is, waarbij de moeder haar telkens zal halen en brengen. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter op 18 juli 2019 bij proces-verbaal van mondelinge uitspraak ex artikel 30p van het Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering de moeder op straffe van een dwangsom veroordeeld tot nakoming van de beschikking van het hof.

2.5

Na de mishandeling van de moeder door haar toenmalige partner in de nacht van 27 op 28 januari 2021 is [de minderjarige] door de vader opgehaald. [de minderjarige] verblijft nog steeds bij hem.

2.6

Bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, is een bodemprocedure aanhangig betreffende de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] . De rechtbank heeft de raad voor de kinderbescherming (de raad) verzocht een onderzoek in te stellen in die procedure en advies uit te brengen aan de rechtbank.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

De vader heeft in eerste aanleg in conventie – samengevat - gevorderd dat voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad,

I. bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] voorlopig, totdat in de bodemprocedure daarover is beslist, bij de vader zal zijn, althans dat zij aan hem zal worden toevertrouwd, en dat [de minderjarige] aan de vader zal worden afgegeven binnen 24 uur na de uitspraak, althans een zodanige beslissing neemt die hij juist acht.

II. een voorlopige omgangsregeling (het hof begrijpt: zorgregeling) vaststelt voor de duur dat in de bodemprocedure hier nog niet over is beslist, inhoudende dat [de minderjarige] tweemaal per maand op zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur in het bijzijn van de vader omgang heeft met de moeder, of een andere regeling te bepalen die de voorzieningenrechter juist acht.

3.2

De moeder heeft in eerste aanleg in reconventie - samengevat - gevorderd dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, recht doet in kort geding en bepaalt dat de vader de uitspraak van dit hof van 2 april 2019 dient na te komen, op straffe van een dwangsom van € 125,- per dag met een maximum van € 10.000,- voor iedere dag dat de vader na sommatie in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, althans een zodanige beslissing neemt die hij juist acht.

3.3

De voorzieningenrechter heeft bij het bestreden vonnis van 3 maart 2021

in conventie en in reconventie

  • -

    de minderjarige [de minderjarige] voorlopig toevertrouwd aan de vader;

  • -

    een voorlopige omgangsregeling vastgesteld waarbij [de minderjarige] om de week op zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur omgang heeft met de moeder en haar broertje in het bijzijn van de vader, of een door beide partijen samen aan te wijzen derde persoon;

  • -

    bepaald dat de vader ervoor dient zorg te dragen dat [de minderjarige] minstens één keer per twee weken het Expertisecentrum [naam2] te [woonplaats1] , locatie [naam3] , bezoekt;

  • -

    de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

  • -

    het meer of anders verzochte afgewezen.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Het hof stelt voorop dat bij beantwoording van de vraag of een in kort geding verlangde voorziening, hetzij na toewijzing, hetzij na weigering daarvan, in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komt, zo nodig ambtshalve, mede dient te worden beoordeeld of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening een spoedeisend belang heeft (HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3437).

4.2

De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak.

4.3

Uit de aard van de zaak en de gevorderde voorzieningen volgt naar het oordeel van het hof een spoedeisend belang van partijen bij een beslissing van de voorzieningenrechter in hoger beroep.

Het principaal appel

4.4

Het principaal appel heeft betrekking op de overwegingen van de voorzieningenrechter met betrekking tot de voorlopige toevertrouwing van [de minderjarige] aan de vader (grief I), de voorlopige zorgregeling en het bezoek van [de minderjarige] aan het Expertisecentrum [naam3] (grief II). Het hof zal deze geschilpunten hieronder afzonderlijk bespreken.

De voorlopige toevertrouwing

4.5

Het hof ziet in hetgeen de moeder in dit hoger beroep heeft aangevoerd geen aanleiding anders te beslissen dan de voorzieningenrechter voor wat betreft de voorlopige toevertrouwing van [de minderjarige] aan de vader. Hieronder zal het hof uitleggen waarom.

4.6

[de minderjarige] is een kwetsbaar meisje met een algehele ontwikkelingsachterstand. Zij heeft vanwege haar aandoening speciale aandacht nodig en behoefte aan structuur en duidelijkheid. Inmiddels is zij leerplichtig. Haar ontwikkeling verloopt positief. [de minderjarige] is gebaat bij rust en stabiliteit.

4.7

Uit de stukken (onder andere de verklaring van de moeder zelf zoals opgenomen in het raadsrapport) en uit wat op de zitting is besproken, maakt het hof op dat de zorgen over [de minderjarige] bij de moeder thuis niet uitsluitend samenhangen met het incident in de nacht van

27 op 28 januari 2021. [de minderjarige] is daarvoor al langdurig blootgesteld aan huiselijk geweld en kindermishandeling en de moeder heeft haar niet daartegen kunnen beschermen. Nu de relatie van de moeder met haar nieuwe partner is verbroken, lijkt de situatie bij de moeder op het gebied van de veiligheid voor zover die betrekking heeft op de bescherming tegen die nieuwe partner in belangrijke mate verbeterd.

Uit de evaluatie van het Veiligheidsplan van 25 mei 2021 en uit wat op de zitting is besproken, blijkt dat de moeder nog ondersteuning krijgt van [naam4] bij de opvoedtaken in verband met het (vermoede) carpaal tunnelsyndroom en dat zij daarnaast ambulante opvoedondersteuning ontvangt van [naam5] . Op eigen verzoek wordt de moeder zelf ook door [naam5] ondersteund. De ambulante hulpverlening door [naam4] en opvoedondersteuning [naam5] duren nog voort. Weliswaar is het de bedoeling dat de begeleiding van [naam5] zal worden afgebouwd, maar het is nog niet duidelijk wanneer dat het geval zal zijn. De moeder verwacht dat zij geopereerd kan worden aan het carpaal tunnelsyndroom, waarna ook de ondersteuning door [naam4] zou kunnen worden afgebouwd. Of die operatie plaatsvindt en zo ja, wanneer, is niet duidelijk. De moeder gaat verder nog in gesprek met een psychiater vanwege de door haar gewenste afbouw van medicatie tegen haar smetvrees.
Uit het voorgaande leidt het hof af dat de situatie bij de moeder aanzienlijk is verbeterd ten opzichte van die in januari van dit jaar. Het is goed dat de moeder openstaat voor begeleiding en hulpverlening en dat gestreefd wordt naar afbouw daarvan, maar dat betekent niet dat daarmee de situatie voor [de minderjarige] bij de moeder nu al stabiel genoeg is. Het is immers niet duidelijk is op welke termijn de opvoedondersteuning door [naam5] zal stoppen.

4.8

De vader heeft het verblijf van [de minderjarige] bij hem goed opgepakt. Er zijn geen zorgmeldingen bekend over de situatie van [de minderjarige] bij de vader. [de minderjarige] blijft zich positief ontwikkelen sinds zij bij de vader is. De vader heeft, vanwege de leerplichtigheid van [de minderjarige] , geregeld dat [de minderjarige] naar speciaal onderwijs bij de [school] kan gaan. Zij is daar met toestemming van de moeder aangemeld voor de periode dat de bodemprocedure bij de rechtbank loopt. [de minderjarige] kan daar in augustus beginnen.

4.9

Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen en zal voorbijgaan aan het advies van de raad om [de minderjarige] door de week (als zij naar school gaat) bij moeder te laten verblijven en buiten de schooldagen bij de vader. Het hof schat in dat een wisseling op dit moment van [de minderjarige] van de vader naar de moeder in een situatie waarbij de beslissing in de bodemprocedure nog niet duidelijk is, teveel onrust zal geven. Als [de minderjarige] op dit moment terugkeert bij de moeder, komt ze in een situatie die nog niet stabiel is en waar nog niets in gang is gezet voor haar schoolgang. Daarom vindt het hof het advies van de raad niet geheel passend bij de huidige situatie. De raad is nog niet met zijn onderzoek gestart en heeft kennelijk geen aanleiding gezien om dit onderzoek met spoed uit te voeren. Het feit dat de (opvoed)ondersteuning door [naam5] nog niet is afgerond, maakt dat het hof de raad niet geheel kan volgen in zijn vertrouwen in de opvoedvaardigheden van de moeder. Dat de raad nog geen zicht heeft op de opvoedvaardigheden van de vader, kan de vader niet worden tegengeworpen, nu de raad nog niet is gestart met het onderzoek en er geen aanwijzingen zijn dat het niet goed gaat met [de minderjarige] bij de vader.

4.10

Alles afwegende vindt het hof het in het belang van [de minderjarige] dat de voorlopige toevertrouwing van haar aan de vader in afwachting van het raadsrapport en de bodemprocedure ongewijzigd blijft.

Het bezoek van [de minderjarige] aan het Expertisecentrum [naam3] en de zorgregeling

4.11

De moeder heeft niet weersproken dat [de minderjarige] inmiddels afscheid heeft genomen van [naam3] en dat [de minderjarige] leerplichtig is. De leerplicht maakt dat [de minderjarige] in elk geval afscheid had moeten nemen van [naam3] en naar speciaal onderwijs zou moeten gaan. Hieruit volgt dat de situatie met betrekking tot de mogelijkheden van het bezoek van [de minderjarige] aan Expertisecentrum [naam3] inmiddels is veranderd sinds de uitspraak van de voorzieningenrechter en dat in die zin punt 6.3 van het dictum van het bestreden vonnis is achterhaald.

4.12

Ter zitting is het hof gebleken dat de zorgregeling tussen de moeder en [de minderjarige] steeds wordt uitgevoerd bij de moeder thuis in het bijzijn van de vader omdat partijen er niet in zijn geslaagd een derde te vinden die het contact tussen de moeder en de [de minderjarige] kan begeleiden. Het hof heeft er begrip voor dat de moeder zich niet prettig voelt bij de huidige uitvoering van de voorlopige zorgregeling onder toeziend oog van de vader.
Naar het oordeel van het hof is, gezien de verbeterde situatie bij de moeder thuis en de beperkte duur van het contact tussen [de minderjarige] en de moeder, begeleiding bij de uitvoering van de zorgregeling niet langer noodzakelijk. De vader heeft immers ook verklaard dat de uitvoering van de voorlopige zorgregeling prima verloopt, dat deze soms langer duurt dan het tijdstip dat de voorzieningenrechter heeft bepaald en dat wat hem betreft een kleine uitbreiding mogelijk is. Daarom zal het hof de voorlopige zorgregeling tussen de moeder en [de minderjarige] bepalen als hierna te melden. Het hof gaat er daarbij van uit dat de vader [de minderjarige] naar de moeder zal brengen en dat de moeder, die inmiddels weer over haar rijbewijs beschikt, [de minderjarige] zal terugbrengen naar de vader, tenzij de ouders een andere haal-/brengregeling overeenkomen.

Het incidenteel appel

4.13

De vader heeft zijn grief en vordering in het incidenteel appel ingetrokken, zodat het hof niet aan een beoordeling daarvan toekomt.

5 De slotsom

in het principaal appel

5.1

Grief I faalt en grief II slaagt ten dele. Daarom zal het hof het kort-geding vonnis van 8 juni 2021 met betrekking tot de voorlopige toevertrouwing van [de minderjarige] bekrachtigen en met betrekking tot de zorgverdeling vernietigen en beslissen als volgt.

in het incidenteel appel

5.2

De vader heeft zijn vordering in het incidenteel appel ingetrokken, zodat het hof verstaat dat hij de gronden van het incidenteel appel niet langer handhaaft. Daarom zal het hof de vader niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering in het incidenteel appel.

in het principaal en in het incidenteel appel

5.3

Het hof zal de proceskosten in het principaal hoger beroep en in het incidenteel hoger beroep compenseren, in die zin dat elk zijn of haar eigen kosten draagt, omdat de onderhavige procedure het minderjarige kind van partijen betreft.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

in het principaal appel

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 3 maart 2021, voor wat betreft de voorlopige toevertrouwing van [de minderjarige] aan de man;

vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 3 maart 2021, voor wat betreft de onder 6.2 van het dictum bepaalde voorlopige omgangsregeling en voor wat betreft hetgeen in het dictum van dat vonnis onder 6.3 is opgenomen betreffende het bezoek van [de minderjarige] aan het Expertisecentrum [naam2] te [woonplaats1] , locatie [naam3] ;

en opnieuw rechtdoende:

stelt de volgende voorlopige (onbegeleide) zorgregeling tussen de moeder en [de minderjarige] vast:

[de minderjarige] zal om de week op zondag vanaf 10.00 uur tot 18.00 uur bij de moeder en haar broertje zijn, waarbij de vader [de minderjarige] naar de moeder brengt en de moeder [de minderjarige] weer terugbrengt naar de vader, tenzij de ouders een andere haal-/brengregeling overeenkomen;

in het incidenteel appel

verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn vordering in het incidenteel appel;

in het principaal appel en in het incidenteel appel

compenseert de proceskosten van deze procedure in hoger beroep, in die zin dat partijen de eigen kosten dragen;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.G. Knot, I.A. Vermeulen en L. van Dijk en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2021.