Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:8133

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-08-2021
Datum publicatie
26-08-2021
Zaaknummer
200.276.789/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil tussen eigenaar van een woning en de aannemer over een niet goed functionerende schuifpui na vervanging; geen tekortkoming van de aannemer aangenomen. Onvoldoende onderbouwde stellingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.276.789/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel 7069905 CV EXPL 18-3722)

arrest van 24 augustus 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats1] ,

appellant,
bij de kantonrechter: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. J.T. Fuller, die kantoor houdt te Zwolle,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats1] ,

geïntimeerde,

bij de kantonrechter: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. H.J.F. Dullemond, die kantoor houdt te Zwolle.

1 Het verdere verloop van de procedure

De in het tussenarrest van 27 oktober 2020 bepaalde enkelvoudige mondelinge behandeling van de zaak heeft via een tweezijdige Skype-verbinding plaatsgehad op 8 februari 2021.

[appellant] heeft voor die zitting een akte met een productie ingediend. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat bij de processtukken is gevoegd. Partijen hebben om een aanhouding van de procedure gevraagd voor overleg over een schikking, maar hebben daarna arrest gevraagd.

2 Waar gaat deze zaak over?

2.1

Deze zaak betreft de vraag of sprake is van ondeugdelijk werk van [geïntimeerde] bij het in 2008 in opdracht van de vorige eigenaar van de woning van [appellant] ( [naam1] ) aan de achterzijde van de woning vervangen van de bestaande schuifpui door een kunststof schuifpui. [appellant] is van mening dat dit het geval is. De kantonrechter heeft de daarop gebaseerde vorderingen van [appellant] tot nakoming van de overeenkomst en tot vervangende schadevergoeding (herstelkosten) afgewezen in het vonnis van 8 januari 2019. [appellant] is tegen dat vonnis in hoger beroep gekomen.

2.2

Het hof komt tot dezelfde beslissing als de kantonrechter. Het hof zal het vonnis van de kantonrechter bekrachtigen en [appellant] in de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Het hof zal hierna onder 5. de beslissing motiveren, nadat het hof eerst de van belang zijnde feiten en het geschil bij de kantonrechter heeft weergegeven.

3 De vaststaande feiten

3.1

[geïntimeerde] heeft met [naam1] in februari 2008 een overeenkomst van aanneming van werk gesloten. Uit hoofde daarvan heeft [geïntimeerde] aan de achterzijde van de woning van [naam1] in [woonplaats1] een houten schuifpui vervangen door kunststof schuifpui, inclusief verstevigingsprofielen. Die schuifpui bestaat uit een kozijn en drie raamdelen, waarvan de buitenste twee schuifbaar zijn. De woning is in de jaren ’70 van de vorige eeuw gebouwd.

3.2

[appellant] heeft in april 2016 de woning van [naam1] gekocht. Hij is sinds mei/juni 2016 eigenaar van de woning. [appellant] heeft een aankoopkeuring laten verrichten door Baart-DOET. Daarvan is geen rapport opgemaakt. [appellant] heeft tot ongeveer december 2016 de woning verbouwd: aan de voorzijde is de keuken uitgebouwd, vloerverwarming aangelegd, de badkamer gerenoveerd en is de haard in de woonkamer verwijderd. Vanaf het voorjaar tot ongeveer in juli van 2017 heeft [appellant] de tuin aan de achterzijde van de woning aangelegd en ter plaatse van de schuifpui voorzien van bestrating. De bestrating is onder de schuifpui doorgelegd. Dat werk is uitgevoerd door Hoveniersbedrijf [naam2] .

3.3

[appellant] heeft [geïntimeerde] in juli 2017 benaderd met klachten over het niet goed openen en sluiten van de schuifpui.

3.4

Op verzoek van [appellant] heeft Baart-DOET op 22 juli 2017 een onderzoek gedaan. Van dat onderzoek is een rapport opgemaakt. [geïntimeerde] is niet bij het onderzoek van Baart-DOET aanwezig geweest.

4 Het geschil bij de kantonrechter

4.1

[appellant] heeft bij de kantonrechter kort gezegd gevorderd dat [geïntimeerde] de gevel en de schuifpui deugdelijk herstelt, op straffe van verbeurte van een dwangsom en subsidiair om als vervangende schadevergoeding € 10.309,44 met wettelijke rente aan [appellant] te betalen, en € 1.105, - aan expertise- en buitengerechtelijke kosten.

4.2

De kantonrechter heeft die vorderingen afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Het hoger beroep van [appellant] strekt ertoe dat zijn vorderingen alsnog worden toegewezen. In verband daarmee heeft hij acht grieven (bezwaren) geformuleerd tegen het vonnis (waarvan de achtste grief voorwaardelijk). Het hof zal die grieven zoveel mogelijk gezamenlijk beoordelen.

5.2

Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft [appellant] bij akte na zijn memorie van grieven een rapport van SKG-IKOB naar aanleiding van een onderzoek van

26 augustus 2020 in het geding gebracht. [geïntimeerde] heeft bezwaar gemaakt tegen het overleggen van het rapport van SKG-IKOB. Het hof verwerpt dat bezwaar. Anders dan door [geïntimeerde] is betoogd, is met het overleggen van het rapport niet in strijd gehandeld met de zogenaamde ‘twee-conclusieregel’. Het rapport is aangekondigd in de memorie van grieven, evenals de vraagstelling en de grieven zijn daarop toegesneden. Dat het rapport na die memorie van grieven is verschenen, maakt dat niet anders.

5.3

Dat laat onverlet dat het overleggen van het rapport na de memorie van grieven processueel niet aanvaardbaar zou kunnen zijn wanneer (anderszins) sprake is van strijd met regels van goede procesorde. Ook dat is niet aan de orde, nu (i) het hof [geïntimeerde] in de gelegenheid heeft gesteld om op de zitting op het rapport te reageren, (ii) dat namens hem ook is gedaan en (iii) niet is gesteld of gebleken dat hij in zijn verdedigingsbelangen is geschaad. Overigens zal hierna blijken dat [geïntimeerde] geen nadeel van het rapport ondervindt.

5.4

De overeenkomst waarop [appellant] zich beroept, is niet door hem met [geïntimeerde] gesloten, maar door [naam1] , van wie hij de woning geleverd heeft gekregen. Partijen gaan er beiden van uit dat [appellant] zich als opvolgend eigenaar op grond van artikel 6:251 BW kan beroepen op die overeenkomst. Het hof zal partijen in dat uitgangspunt volgen, nu zij daarover niet van mening verschillen.

5.5

[appellant] verwijt [geïntimeerde] een tekortkoming en baseert daarop zijn vorderingen. Dat betekent dat de stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit die tekortkoming blijkt op [appellant] rust (artikel 150 Rv). Voor een andere bewijslastverdeling, zoals een omkering daarvan (grief 1), of toepassing van de zogenaamde omkeringsregel, ziet het hof geen aanleiding. De enkele stelling dat [appellant] bewijsproblemen zou hebben, is daarvoor niet voldoende. Meer is ook niet aangevoerd.

5.6

Tussen partijen is op zich niet in geschil dat de schuifpui enige gebreken vertoont (het doorbuigen van de boven-en onderdorpel) waardoor deze moeilijker open en dicht gaat. Op grond van de rapporten van Baart-DOET en SKG-IKOB acht het hof aannemelijk dat dit doorbuigen alleen een gevolg is van loslatend metselwerk, met name van het loslaten van de rollaag van de borstwering. Baart-DOET zegt daarover:

Kozijn:

Eisen aangaande plaatsen kunststofkozijn: BRLO709 2003 Montage van kunststofgevelelementen.

Een kozijn hoort geheel druk- en trekspanningsvrij in een gevelopening bevestigd te zijn.

De huidige situatie zal de druk- en trekspanning die nu al hoog is steeds iets groter worden, dat is uiteraard ongewenst. Ook zal er gekeken moeten worden of het kozijn aan de onderzijde op een juiste en voldoende wijze wordt ondersteund.
Afwatering metselwerk bij bovendorpeldetail is niet juist uitgevoerd, het is geheel dicht door rubberprofiel en kitwerk. Water dat achter het metselwerk raakt (bij langdurige regen of in combinatie met harde wind en regen) moet ten allen tijde bij bovendorpel weer naar buiten. De bestaande schuifpui heeft de onderdorpel van het kozijn een stevige torsie

Bij herstel is het zeer de vraag of dit in de goede positie terugkeerd. Voldoende ondersteuning aan gehele onderdorpel is noodzakelijk,

Metselwerk:

Eisen NEN 6790 HO Technische grondslagen voor bouwconstructies. TGB 1990 Steenconstructies Basiseisen en bepalingsmethoden.

Een gevelopening dat een vrijdragend opening gegarandeerd stand houd is in bouwkunde al eeuwen gangbaar. Een lateiconstructie dat de sruk (hof: druk?) en trekkrachten opvangt kan op meerdere manieren gerealiseerd worden. Een rollaag hoort bevestigd aan de borstwering en vrij van de bovendorpel van het kozijn te blijven. In deze case is de rollaag los van de borstwering, dit heeft dus geen dragende functie en kan met deze overspanning nimmer voldoen.

Oplossingen:

Oplossingen zijn er voldoende, elke oplossing heeft zijn werkwijze en zijn andere kosten en kennis vaardigheden mee gemoeid, hiervoor kunt onder andere ook bij mij separaat advies voor vragen’

Het rapport van SKG-IKOB merkt daarover op:

‘Middels het spannen van een dun touwtje ter plaatse van de bovendorpel is vastgesteld dat deze bovendorpel 10 millimeter doorbuigt door de belasting van het bovenliggende metselwerk . Tevens is waargenomen dat het metselwerk aan de buitenzijde scheuren vertoond in de lintvoegen wat duidt op verzakking’.

(…)

Waarneming:

‘Door het niet volledig ondersteunen tordeert de onderdorpel onder invloed van het gewicht van het element en eventuele druk van het metselwerk wat aan de bovenzijde op het element rust’

(…)

Samenvattend kan op grond van bovenstaande waarnemingen het volgende worden geconcludeerd;

De wijze waarop de schuifpui is gemonteerd voldoet op een aantal punten niet aan het afgesproken

beoordelingskader.

Met betrekking tot de specifieke vraagstelling zoals omschreven in paragraaf 2.2 kan het volgende worden geconcludeerd;

1. De kunststof schuifpui is ondeugdelijk gemonteerd.

2. De gebreken zijn in bovenstaande rapportage opgesomd in hoofdstuk 3.

3. De kunststof schuifpui wordt op dit moment onvoldoende ondersteund. Het is ons inziens met

redelijke zekerheid vast te stellen dat deze in het verleden ook niet ondersteund is geweest. Dit

gezien de plaats van de loodslabbe en de aangetroffen rollaag onder de schuifpui.

4. Met de huidige ondersteuning van de kunststof schuifpui kan deze kunststof pui niet gaan hangen aan de constructie aan de bovenzijde. Er is niet een dusdanige vaste verbinding tussen de boven- en de onderdorpel (anders dan de zijstijlen) die daartoe zou kunnen leiden.

5. Zoals in eerdere paragrafen van dit rapport reeds aangegeven is niet aan alle richtlijnen van de VKG voldaan. Met betrekking tot de overspanning kan worden gesteld dat het wijselijk was geweest om een stalen hoeklijn te plaatsen teneinde aan VKG-eis 4.8.2 m.b.t. Sterkte te voldoen. Hoewel nu niet meer is vast te stellen wat de conditie van het metselwerk en de rollaag was ten tijde van de montage van deze schuifpui kan wel worden gesteld dat de bestaande rollaag slechts ¾ steen hoog is en derhalve niet geschikt om zelfstandig deze overspanning te dragen’.

5.7

Deze bevindingen over het doorbuigen van de boven-en onderdorpel betekenen niet zonder meer dat van een tekortkoming van [geïntimeerde] sprake is. Daarvan is pas sprake indien de door [geïntimeerde] verrichte prestatie achterblijft bij wat [naam1] op grond van de overeenkomst met [geïntimeerde] mocht verwachten.

Het is op dat punt dat de stellingen van [appellant] tekortschieten, gelet op de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde] . De rapporten waarop [appellant] zich beroept besteden niet kenbaar aandacht aan de vraag welke normen in 2008 voor [geïntimeerde] golden voor het aanbrengen van een schuifpui als deze. De overeenkomst van [geïntimeerde] met [naam1] vermeldt niet veel meer dan dat de montage geschiedt met inachtneming van de VKG-richtlijnen. Dat [geïntimeerde] zich niet aan die richtlijnen heeft gehouden, blijkt niet. [appellant] heeft daarover niets gesteld. [appellant] heeft tegenover de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde] ook in hoger beroep (de kantonrechter oordeelde in eerste aanleg min of meer hetzelfde) niet voldoende onderbouwd dat [geïntimeerde] verantwoordelijk was voor het metselwerk en dat hij werkzaamheden aan dat metselwerk heeft verricht. Of dat hij dat had moeten doen, maar heeft nagelaten, hoewel hij dat met [naam1] had afgesproken of anderszins in de overeenkomst met [naam1] besloten lag. Waarom dan toch het loslaten van de rollaag van het metselwerk - met doorbuigen van de boven-en onderdorpel en torderen van de onderdorpel tot gevolg - als een tekortkoming van [geïntimeerde] moet worden aangemerkt, is daarmee door [appellant] niet voldoende duidelijk gemaakt. Dat (waarom) [geïntimeerde] [naam1] destijds had moeten waarschuwen en had moeten adviseren om als versteviging een stalen hoeklijn aan te brengen, is evenmin voldoende toegelicht. Uit de beschikbare rapporten blijkt ten eerste niet dat het aanbrengen van een dergelijke voorziening te allen tijde noodzakelijk was. [geïntimeerde] heeft dat gemotiveerd betwist, daartoe aanvoerend dat slechts bij twee van de negentien huizen in dezelfde buurt waar de woning van [appellant] staat en die hij van een schuifpui als deze heeft voorzien, een stalen hoeklijn nodig bleek. Ook anderszins blijkt dat niet. Ten tweede: dat de rollaag en het metselwerk destijds in een zodanig slechte staat verkeerden dat [geïntimeerde] [naam1] had moeten adviseren een stalen hoeklijn aan te brengen of te waarschuwen daarvan niet af te zien, blijkt evenmin. De stellingen van [appellant] en de gegeven onderbouwing bieden daarvoor geen aanknopingspunt.

5.8

In de rapportages van Baart-DOET en SKG-IKOB worden naast het doorbuigen en torderen enkele opmerkingen gemaakt over de waterafvoer en het niet voldoende ondersteund zijn van de onderdorpel. Het hof begrijpt dat laatste zo, dat dit als zodanig geen probleem oplevert, maar alleen door de druk van de rollaag/metselwerk op het kozijn. Daarvoor is [geïntimeerde] niet verantwoordelijk; zoals hiervoor is overwogen, ontbreekt voor een tekortschieten van [geïntimeerde] onderbouwing. Dat geldt ook voor de bevindingen over de waterafvoer: ook daarvoor is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [geïntimeerde] bij het aanbrengen van de schuifpui fouten heeft gemaakt (dat sprake is van een tekortkoming) en dat sprake is van lekkage. [naam1] noch [appellant] heeft daarover geklaagd bij [geïntimeerde] , en dat zich daadwerkelijk lekkage voordoet is niet aangetoond.

5.9

De bezwaren van [appellant] tegen het vonnis van de kantonrechter worden dus verworpen (de grieven van [appellant] falen), omdat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat [geïntimeerde] destijds fouten heeft gemaakt bij de montage van de schuifpui. De voortbouwende grieven van [appellant] over de proceskosten bij de kantonrechter slagen ook niet. De overige verweren van [geïntimeerde] hoeven niet te worden besproken (zoals die over schending van de klachtplicht, de omvang van de schade en de aansprakelijkheidsbeperking in zijn algemene voorwaarden). De voorwaardelijke achtste grief van [appellant] (over een niet door [geïntimeerde] gevoerd verjaringsverweer en de schending van klachtplicht) hoeft het hof niet te beoordelen.

5.10

Het hof zal het vonnis waarvan beroep bekrachtigen en [appellant] in de proceskosten in hoger beroep veroordelen conform het gebruikelijke liquidatietarief. Dat is € 332,- voor verschotten (griffierecht) en op € 2.228,- voor salaris advocaat (2 punten in tarief II). Het door [geïntimeerde] genoemde feit dat [appellant] tegen de kosten van rechtsbijstand is verzekerd en (mede daardoor) een kansloze procedure voert, rechtvaardigt niet een hogere proceskostenveroordeling (€ 6.000,- volgens [geïntimeerde] ). Het hof zou slechts mee kunnen gaan in het verzoek van [geïntimeerde] indien sprake zou zijn van misbruik van procesrecht of van onrechtmatig handelen van [appellant] , omdat hij het instellen van de vordering achterwege had behoren te laten, gelet op de evidente ongegrondheid ervan en in verband met de betrokken belangen van de [geïntimeerde] . Hiervan kan eerst sprake zijn als [appellant] zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden1. Dat daarvan sprake is, is onvoldoende gebleken.

5.11

Het hof leest in de stellingen van partijen geen andere – niet vaststaande feiten en omstandigheden - die tot een andere beslissing kunnen leiden, indien zij bewezen zouden worden. Van bewijslevering wordt daarom afgezien.

5.12

Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Zwolle van 8 januari 2019;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 332,- voor verschotten en op € 2.228 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J. Smit, M.W. Zandbergen en I. Tubben en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

24 augustus 2021.

1 HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516, HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828