Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:8121

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-08-2021
Datum publicatie
26-08-2021
Zaaknummer
200.252.581
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eindarrest na bewijsopdracht met betrekking tot inbezitneming en bezitsdaden. Geen sprake van verkrijgende of bevrijdende verjaring. Beoordeling voorwaardelijke reconventionele vorderingen eerste aanleg op grond van devolutieve werking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.252.581

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 310027)

arrest van 24 augustus 2021

in de zaak van

de stichting

Stichting Fonds van Stegen en Wegen,

gevestigd te Hellouw, gemeente Neerijnen,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in (voorwaardelijke) reconventie,

hierna: de stichting,

advocaat: mr. K.J.T. Boersma,

tegen:

1 [geïntimeerde1] ,

2. [geïntimeerde2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie, eisers in (voorwaardelijke) reconventie,

hierna: [geïntimeerden] c.s.,

advocaat: mr. S. van Steenwijk.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 14 juli 2020 hier over.

1.2.

Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces-verbaal enquête ter plaatse van 11 december 2020;

- het proces-verbaal van contra-enquête ter plaatse van 10 februari 2021;

- de memorie na enquête van [geïntimeerden] c.s. met productie 2;

- de memorie van antwoord na enquête van de stichting.

1.3.

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of [geïntimeerden] c.s. door verjaring eigenaar is geworden van het deel van het perceel van de stichting dat aan de noordzijde van zijn eigen perceel grenst (hierna: het betwiste stuk grond). Daarvoor is van belang of sprake is geweest van inbezitneming door de rechtsvoorgangers van [geïntimeerden] c.s. en/of [geïntimeerden] c.s. zelf en of dat bezit voor een periode van tien of twintig jaar – afhankelijk van de vraag of sprake is van verkrijgende of bevrijdende verjaring – is voortgezet.

2.2.

In het tussenarrest heeft het hof vastgesteld dat partijen het erover eens zijn dat [geïntimeerden] c.s. het betwiste stuk grond op enig moment is gaan gebruiken en nog steeds gebruikt, maar dat zij het er niet over eens zijn of de wijze waarop [geïntimeerden] c.s. (en zijn rechtsvoorgangers) het betwiste stuk grond (hebben) gebruikt, bezitsdaden zijn en zo ja, op welk moment die bezitsdaden zijn aangevangen. Nu de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van de (verkrijgende dan wel bevrijdende) verjaring op [geïntimeerden] c.s. rust, heeft het hof hem opgedragen te bewijzen dat en vanaf wanneer het betwiste stuk grond in bezit is genomen door de eigenaren van [adres1] nr. 38.

2.3.

In het kader van deze bewijslevering zijn aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. vier getuigen gehoord: [getuige1] (hierna: [getuige1] ), [getuige2] (hierna: [getuige2] ), [getuige3] (hierna: [getuige3] ) en [getuige4] (hierna ( [getuige4] ). Aan de zijde van de stichting is [getuige5] (hierna: [getuige5] ) als getuige gehoord.

2.4.

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerden] c.s. op grond van het door hem geleverde bewijs geen beroep op verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring toekomt en dus geen eigenaar is geworden van het betwiste stuk grond. Het hof licht dat als volgt toe.

Bevrijdende verjaring op grond van artikel 3:105 Burgerlijk Wetboek (BW)

2.5.

Voor een geslaagd beroep op bevrijdende verjaring moet de zaak in bezit zijn genomen en moet dat bezit vervolgens twintig jaar zijn voortgezet. De rechtbank heeft overwogen dat in het geval van [geïntimeerden] c.s. de periode van twintig jaar van onafgebroken bezit moet zijn afgerond voor de dag van de dagvaarding (28 juli 2016), wil [geïntimeerden] c.s. een geslaagd beroep op bevrijdende verjaring kunnen doen. Nu hiertegen geen grieven zijn gericht, zal het hof ook van deze datum uitgaan. Dit betekent dat de bezitsdaden uiterlijk op 27 juli 1996 een aanvang moeten hebben genomen.

Voortgezet bezit?

2.6.

[geïntimeerden] c.s. heeft gesteld dat de bezitsdaden een aanvang hebben genomen onder zijn rechtsvoorgangers, de familie [getuige1] die van 1990 tot en met 1994 op [adres1] nr. 38 heeft gewoond. Het hof volgt [geïntimeerden] c.s. daar niet in en licht dat als volgt toe.

2.7.

[getuige1] heeft als getuige verklaard dat bij aankoop tegen haar en haar toenmalige echtgenoot is gezegd dat zij het strookje grond mochten gebruiken, al wist zij niet meer van wie ze het mochten gebruiken. Zij heeft beschreven dat haar toenmalige echtgenoot toen alles regelde en dat het haar bijstaat dat het om een soort van vruchtgebruik ging. Zij verklaarde verder dat zij destijds hebben gevraagd of ze het stuk grond mochten gebruiken toen zij een bokje en kippen kregen. Haar toenmalige echtgenoot was tot slot niet iemand die iets zou gebruiken als hij dacht dat het niet mocht.

2.8.

Uit deze verklaring volgt dat [getuige1] zich ervan bewust was dat het betwiste stuk grond niet in eigendom aan haar toenmalige echtgenoot en haar toebehoorde. Dat is ook in lijn met de verklaring van [getuige5] , die van 1985 tot eind februari 2008 op [adres1] nr. 36 heeft gewoond. Hij heeft verklaard dat hij de woning van zijn opa heeft gekocht en dat hij bij aankoop van de woning wist dat het stukje grond van de stichting was. Ook de familie [getuige3] , die in 1990 op [adres1] nr. 40 is komen wonen, wist dat de houtwal eigendom was van de stichting. Zij gebruikten de strook achter hun huis en nog een ander stuk van het perceel van de stichting voor hun dieren. [getuige3] verklaart dat zij destijds een duiker hebben aangevraagd met alle vergunningen die daarvoor nodig waren. De stichting heeft de vergunningaanvraag van 1999 van de familie [getuige3] voor de duiker overgelegd. Op de bij de aanvraag gevoegde tekening staat vermeld dat de familie [getuige3] het stuk houtwal achter hun perceel huurt van de stichting. De vergunningaanvraag zelf vermeldt ook dat de stichting toestemming heeft gegeven voor het aanleggen van de duiker.

2.9.

Gelet op het feit dat [getuige1] geen eigenaar van het betwiste stuk grond meende te zijn, kan er geen sprake zijn van inbezitneming door en/of bezitsdaden van [getuige1] . Daarvoor is namelijk nodig dat de ander dan de eigenaar die de zaak in bezit neemt eigenaar meent te zijn of wil zijn. Dat betekent dat het betwiste stuk grond ten tijde van de levering van nr. 38 aan [geïntimeerden] c.s. niet in bezit was genomen en er geen sprake was van bezit dat [geïntimeerden] c.s. kan hebben voortgezet.

Eigen bezitsdaden [geïntimeerden]

2.10

Daarmee komt het hof toe aan de vraag of de gedragingen van [geïntimeerden] c.s. zelf als inbezitneming en bezitsdaden kunnen worden aangemerkt en zo ja, vanaf wanneer. Wil [geïntimeerden] c.s. een geslaagd beroep kunnen doen op de bevrijdende verjaring, dan moet het bezit, zoals eerder overwogen, uiterlijk op 27 juli 1996 aan aanvang hebben genomen.

2.10.

Uit de verklaring van [getuige1] kan worden opgemaakt dat haar toenmalige echtgenoot en zij een kippenhok en een duiventil hebben geplaatst op het betwiste stuk grond maar geen andere bouwwerken. [getuige1] verklaart verder dat er een vast houten bruggetje lag om op het betwiste stuk grond te kunnen komen. Ook verklaart zij dat er in haar herinnering al een afrastering stond op de scheiding met nr. 40 (noordzijde) en dat haar toenmalige echtgenoot en zij een afrastering hebben aangebracht op de scheiding met nr. 36 (zuidzijde). [getuige5] verklaart weliswaar dat er geen dierenhokken en geen afrasteringen stonden op het betwiste stuk grond, maar de verklaring van [getuige1] wordt in dit opzicht ondersteund door de verklaringen van [getuige2] , [getuige4] en/of [getuige3] . Het hof gaat op dit punt daarom uit van de juistheid van de verklaring van [getuige1] . [getuige1] heeft verder verklaard dat de achterkant van het betwiste stuk grond (de oostzijde) helemaal open was.

2.11.

Het hof gaat er in het licht van het voorgaande vanuit dat toen [geïntimeerden] c.s. in 1995 op nr. 38 kwamen wonen er een houten bruggetje lag en dat er afrasteringen stonden op de grens met zowel nr. 36 als nr. 40, maar niet aan de oostzijde. Het betwiste stuk grond was op dat moment dus ook vanaf die kant toegankelijk, en niet alleen via het perceel van nr. 38. Daarnaast neemt het hof aan dat er op dat moment een kippenhok en een duiventil op het betwiste stuk grond stonden.

2.12.

[geïntimeerden] c.s. stelt dat zijn inbezitneming onder andere blijkt uit het plaatsen van een afrastering (met betongaas) over de gehele oostzijde medio 1995. Daarmee was het gehele betwiste stuk grond afgesloten en alleen nog maar toegankelijk vanaf het perceel van nr. 38, aldus [geïntimeerden] c.s. Ter onderbouwing heeft [geïntimeerden] c.s. een foto overgelegd waarop de afrastering te zien is met als onderschrift: “beton gaas is geplaatst medio l995 en aangeplant wilgen zelfde perioden gehele oostzijde 30+ m1 door mij zelf ivm niet kunnen weg lopen hond zijde is na 20 jaar ondoordringbaar in combi met sloot”.

2.13.

Het plaatsen van een afrastering om dieren binnen te houden is geen bezitsdaad. Daar komt bij dat de strook door de voorgangers en buren van [geïntimeerden] c.s. ook was ingericht voor het houden van dieren, terwijl dat gebeurde met toestemming van of gedogen door de stichting. Daarom kan het afgrenzen van het betwiste stuk grond met een afrastering niet worden gezien als een ondubbelzinnige daad van bezit, die nodig is om [geïntimeerden] bezitter te kunnen maken. Daar komt bij dat de stichting ook nog heeft betwist dat de afrastering aan de oostzijde al medio 1995 is geplaatst. [geïntimeerden] c.s. heeft geen nadere stukken overgelegd waaruit de juistheid van het jaartal blijkt en ook de door [geïntimeerden] c.s. gehoorde getuigen hebben hier niets over verklaard. Onder deze omstandigheden kan het plaatsen van de afrastering aan de oostzijde het beroep van [geïntimeerden] c.s. op bevrijdende verjaring niet dragen.

2.14.

[geïntimeerden] c.s. stelt verder dat het bezit blijkt uit het feit dat hij in de loop van de jaren meer en meer aan het betwiste stuk grond heeft gedaan. Tussen partijen staat niet ter discussie dat zich op het betwiste stuk grond onder andere een openhaardhouthok en een boomhut bevinden of hebben bevonden en dat [geïntimeerden] c.s. het betwiste stuk grond verder heeft ingericht. Het hof oordeelt dat in het midden kan blijven of dit bezitsdaden zijn. Reden daarvoor is dat uit de overgelegde stukken en verklaringen niet volgt dat het plaatsen van deze zaken en/of het verder inrichten van het betwiste stuk grond voor 28 juli 1996 heeft plaatsgevonden. Zo volgt uit foto’s met begeleidende tekst onder andere dat het perceel in 1999 is ingezaaid en nog meer diervriendelijk is gemaakt, staat vast dat de duiker in 1999 is aangelegd en zijn de tegels pas te zien op foto’s uit 2001. Ten aanzien van het openhaardhouthok en de boomhut, is niet gesteld en ook niet gebleken dat deze voor 28 juli 1996 zijn geplaatst.

2.15.

[geïntimeerden] c.s. stelt tot slot dat zijn bezit blijkt uit het onderhoud dat hij heeft gepleegd aan de sloot. Dat onderhoud was volgens hem noodzakelijk omdat de stichting geen enkel onderhoud pleegde. Het onderhouden van een sloot is geen bezitsdaad. Ook als daar anders over moet worden gedacht geldt dat de periode te kort is. De eis in reconventie die [geïntimeerden] c.s. in eerste aanleg voor gemaakte onderhoudskosten heeft ingesteld, gaat er namelijk vanuit dat het onderhoud vanaf 2010 voor rekening van [geïntimeerden] c.s. is gekomen. [geïntimeerden] c.s. heeft wel gesteld dat hij ook voor dat tijdstip al het onderhoud van de sloot verzorgde maar hij heeft dat niet nader onderbouwd. Uitgaande van aanvang van onderhoud in 2010, geldt dat ook dat tijdstip is gelegen na 1996 en dus niet lang genoeg is.

2.16.

De conclusie is dat [geïntimeerden] c.s. er niet in is geslaagd te bewijzen dat hij het betwiste stuk grond uiterlijk 27 juli 1996 in bezit heeft genomen. Het beroep op bevrijdende verjaring slaagt daarom niet en [geïntimeerden] c.s. is op die grond geen eigenaar geworden van het betwiste stuk grond.

Verjaring op grond van artikel 3:99 BW

2.17.

Vervolgens dient het hof te beoordelen of het beroep van [geïntimeerden] c.s. op de verkrijgende verjaring van art. 3:99 BW slaagt. Naast inbezitneming is daarvoor niet alleen voorzetting van dat bezit voor een periode van minimaal tien jaar nodig. Ook moet degene die de zaak in bezit heeft genomen, goede reden hebben gehad om te denken dat hij daar het recht toe had (goede trouw).

2.18.

Het hof oordeelt dat de vereiste goede trouw ontbreekt en licht dat als volgt toe. [geïntimeerden] c.s. vermeldt zelf in zijn processtukken dat het betwiste stuk grond ongeveer 30 tot 35 meter breed is. Alhoewel de diepte van het betwiste stuk grond niet wordt vermeld, heeft het hof tijdens de enquete ter plaatse zelf kunnen waarnemen dat de diepte ongeveer vier tot vijf meter is. Hiermee is wel duidelijk dat het betwiste stuk grond een substantiële oppervlakte heeft. In ieder geval dusdanig dat het [geïntimeerden] c.s. duidelijk had moeten zijn dat dit geen onderdeel kon uitmaken van het perceel van 775m2 dat hij bij akte van levering in 1995 in eigendom heeft gekregen. Daar komt bij dat het betwiste stuk grond is begrensd door twee sloten, terwijl een sloot normaal gesproken de (kadastrale) erfgrens tussen twee percelen vormt. [geïntimeerden] heeft maar één kadastraal perceel gekocht en geleverd gekregen. [geïntimeerden] c.s. had zich in de gegeven omstandigheden moeten realiseren dat het betwiste stuk grond geen onderdeel kon zijn van de koop en hij geen rechten had verkregen ten aanzien van het betwiste stuk grond. Het beroep op verkrijgende verjaring faalt. Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven of [geïntimeerden] c.s. gedurende een termijn van 10 jaar bezitter is geweest.

2.19.

Bovenstaande betekent dat [geïntimeerden] c.s. geen eigenaar is geworden van het betwiste stuk grond op basis van verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring en de stichting daar eigenaar van is gebleven. De inhoudelijke grieven van de stichting slagen en het hof zal de vordering van de stichting tot ontruiming van het betwiste stuk grond en de verbodsvordering toewijzen. Daarmee slagen ook de grieven tegen de afwijzing van de vergoeding van buitengerechtelijke kosten en de proceskosten. Het hof zal deze vorderingen van de stichting alsnog toewijzen zoals hierna vermeld.

Voorwaardelijke tegenvorderingen van [geïntimeerden] c.s.

2.20.

[geïntimeerden] c.s. heeft bij de rechtbank, voor het geval hij tot ontruiming zou worden veroordeeld, twee tegenvorderingen ingesteld. Nu de vordering van de stichting tot ontruiming in hoger beroep alsnog worden toegewezen, is aan de voorwaarde waaronder [geïntimeerden] c.s. de tegenvorderingen heeft ingesteld voldaan. Dat betekent dat het hof op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep deze tegenvorderingen van [geïntimeerden] c.s. dient te beoordelen.

2.21.

De tegenvorderingen zien op het volgende. Allereerst heeft [geïntimeerden] c.s. een verklaring voor recht gevorderd dat de stichting ongerechtvaardigd is verrijkt en heeft hij gevorderd de stichting te veroordelen tot vergoeding van de onderhoudskosten die hij vanaf 2010 voor het betwiste stuk grond en de sloot heeft moeten maken, op te maken bij staat. Daarnaast heeft hij gevorderd te bepalen dat de huidige situatie in redelijkheid kan voortbestaan en dat partijen met elkaar in overleg gaan over het onderhoud en dat de stichting gehouden is jaarlijks onderhoud te plegen aan het betwiste stuk grond en de sloot.

2.22.

Het hof zal de eerste tegenvordering toewijzen en motiveert dat als volgt. [geïntimeerden] c.s. stelt dat al het onderhoud aan de sloot altijd door en/of voor zijn rekening is gedaan. Hij onderbouwt dat onder andere door te stellen dat de stichting ter hoogte van zijn perceel überhaupt niet bij de sloot kon. De stichting heeft dat slechts in algemene termen betwist en heeft niet nader toegelicht op welke manier zij wel aan haar onderhoudsverplichtingen heeft voldaan. Het hof neemt dan ook aan dat de onderhoudswerkzaamheden inderdaad door [geïntimeerden] c.s. zijn verricht en dat de stichting daar niet aan heeft bijgedragen. Voor wat betreft de periode waarover daar sprake van is geweest, stelt [geïntimeerden] c.s. dat hij het onderhoud in ieder geval vanaf 2010 zelf heeft gedaan. De Stichting heeft dat niet gemotiveerd betwist. Tussen partijen staat verder vast (zie r.o. 2.3.3 van het vonnis van de rechtbank waartegen geen grieven zijn gericht) dat de stichting [geïntimeerden] c.s. op 29 december 2014 een brief heeft gestuurd, waarin zij [geïntimeerden] c.s. vrije toegang tot de watergang heeft verzocht om deze te kunnen onderhouden. Nu de stichting vanaf december 2014 actief medewerking van [geïntimeerden] c.s. heeft gevraagd om de sloot te kunnen onderhouden, beperkt het hof de periode waarover de tegenvordering kan worden toegewezen tot de jaren 2010 tot en met 2014.

2.23.

Verder is van belang dat in de verhouding tussen [geïntimeerden] c.s. en de stichting – tenzij er andere afspraken zijn gemaakt, die in dit geval gesteld noch gebleken zijn – de artikelen 5:36 BW en 5:59 BW van toepassing zijn. Volgens die bepalingen wordt het midden van de sloot vermoed de grens tussen de percelen te zijn, en zijn beide partijen verplicht het deel van de sloot dat zich op hun perceel bevindt, te onderhouden. Om die reden kan worden aangenomen dat de stichting, door in de jaren 2010 tot en met 2014 de sloot niet te onderhouden, kosten heeft bespaard, met welk bedrag [geïntimeerden] c.s. is verarmd. Volgens [geïntimeerden] c.s. bedragen die kosten € 720,- (ex btw) per jaar. Hij motiveert dat niet maar daar staat tegenover dat de stichting het bedrag ook slechts ongemotiveerd betwist. De hoogte van het bedrag is niet onaannemelijk. Het hof ziet daarom aanleiding het jaarlijkse onderhoudsbedrag op dat bedrag te begroten, net als de rechtbank in de parallelle zaken heeft toegewezen. Over vijf jaar komt dat uit op in totaal € 3.600,- (ex btw). Omdat beide partijen verantwoordelijk zijn voor onderhoud van hun helft van de sloot, komt de helft van de kosten, namelijk € 1.800,- (ex btw), voor rekening van de stichting. Het hof zal de stichting tot betaling van dat bedrag veroordelen. Aan verwijzing naar de schadestaatprocedure bestaat dus geen behoefte. Ook heeft [geïntimeerden] c.s. gelet op deze door het hof uit te spreken veroordeling geen belang meer bij een verklaring voor recht.

2.24.

De tweede voorwaardelijke tegenvordering zal het hof - net als de rechtbank - bij gebrek aan een wettelijke grondslag afwijzen.

3 Slotsom

2.25.

De slotsom is dat het hoger beroep van de stichting slaagt. Het hof zal het bestreden vonnis, voor zover het de zaak met zaak-rolnummer C/05/310027/HA ZA 16/532 betreft, vernietigen. Opnieuw recht doende zal het hof in conventie de vordering van de stichting tot ontruiming en de verbodsvordering toewijzen, met dien verstande dat daaraan een termijn zal worden verbonden van een maand. De gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd.

2.26.

Het hof zal in reconventie de tegenvordering van [geïntimeerden] c.s. met betrekking tot de onderhoudskosten van de sloot toewijzen tot een bedrag van € 1.800,- (ex btw).

2.27.

Net als de rechtbank zal het hof de door de stichting gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten, mede gelet op het rapport BGK-integraal 2013, beperken tot een bedrag van € 925,-. Dit bedrag is toewijsbaar, nu het, mede gelet op het belang en de complexiteit van de zaak, in redelijke verhouding staat tot het voorafgaand aan de procedure door de advocaat van de stichting verrichte werk. Dat het bedrag niet toewijsbaar zou zijn, omdat de stichting meer overleg had moet voeren, kan niet worden aanvaard.

2.28.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerden] c.s. veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg in conventie. Dat geldt ook voor de kosten van de procedure in hoger beroep nu [geïntimeerden] c.s. daar grotendeels in het ongelijk is gesteld. Voor wat betreft de kosten van de procedure in eerste aanleg in reconventie zie het hof aanleiding deze te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg in conventie aan de zijde van de stichting zullen worden vastgesteld op:

- dagvaarding € 97,96

- griffierecht € 1.458,-

totaal verschotten € 1.555,96

- salaris advocaat € 1.900,- (3.5 punten x tarief II)

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de stichting zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 103,05

- griffierecht € 741,-

- getuigentaxen € nihil

totaal verschotten € 844,05

- salaris advocaat € 3.342,- (3 punten x tarief II)

2.29.

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem van 10 oktober 2018 voor zover het de zaak met zaak-rolnummer C/05/310027/HA ZA 16/532 betreft, en doet opnieuw recht:

in conventie:

veroordeelt [geïntimeerden] c.s. om binnen een maand na heden het perceel van de stichting, kadastraal bekend gemeente Haaften, sectie [Y] , nummer [nummer] te ontruimen en ontruimd te houden en voorts om de sloot die is gelegen tussen hun perceel en dat van de Stichting weer in de oorspronkelijke staat terug te brengen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag - een deel van een dag daaronder begrepen - dat [geïntimeerden] c.s. niet aan deze veroordeling zal voldoen, dit tot een maximum van € 50.000,- is bereikt;

verbiedt [geïntimeerden] c.s. vanaf een maand na heden gebruik te maken van het perceel van de stichting, kadastraal bekend gemeente Haaften, sectie [Y] , nummer [nummer] , voor opslag van zaken of het perceel anderszins te betreden en/of hierop zaken te (doen) plaatsen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag – een deel van de dag daaronder begrepen – dat [geïntimeerden] c.s. in strijd met dit verbod handelt, dit tot een maximum van € 50.000,- is bereikt;

veroordeelt [geïntimeerden] c.s. aan de stichting te betalen een bedrag van € 925,- wegens kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de dagvaarding tot die van de algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerden] c.s. in de kosten van de stichting tot aan de bestreden uitspraak vastgesteld op € 1.555,96 voor verschotten en op € 1.900,- voor salaris gemachtigde;

in reconventie:

veroordeelt de stichting aan [geïntimeerden] c.s. te betalen een bedrag van € 1.800,- (ex btw) wegens bespaarde onderhoudskosten aan de sloot;

compenseert de proceskosten zodat iedere partij de eigen kosten draagt;

veroordeelt [geïntimeerden] c.s. in de kosten in hoger beroep, tot aan deze uitspraak vastgesteld op

€ 844,05 voor verschotten en op € 3.342,- voor salaris advocaat;

veroordeelt [geïntimeerden] c.s. in de nakosten, begroot op € 163,- met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 85,- in geval [geïntimeerden] c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, K. Mans en D.W.J.M. Kemperink, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. D.W.J.M. Kemperink en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2021.