Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:8106

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-08-2021
Datum publicatie
13-09-2021
Zaaknummer
Wahv 200.275.557/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 5 WVW 1994. Doordat het voertuig langs het trottoir op de weg stond geparkeerd, ontstond hinder voor doorgaand verkeer en voor bestuurders die de naastgelegen parkeervakken wilden verlaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.275.557/01

CJIB-nummer

: 223549989

Uitspraak d.d.

: 24 augustus 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 21 januari 2020, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd”. Deze gedraging zou zijn verricht op 8 februari 2019 om 21:28 uur op de Buiten Kadijken in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat geen sprake is van hinder. Op de foto’s is duidelijk te zien dat auto’s in de parkeervakken voldoende ruimte hebben om het parkeervak te verlaten. Onduidelijk is waarom het voertuig van de betrokkene het zou verhinderen om te kunnen keren in de straat, nu het voertuig van de betrokkene halverwege de straat staat geparkeerd. Rechts van het voertuig van de betrokkene is sprake van een groenstrook en niet van een parkeervak, zodat geen hinder kan worden veroorzaakt voor voertuigen in de parkeervakken. Verkeer kan er makkelijk langsrijden. Dat men niet tegelijk langs elkaar kan rijden, maakt niet dat sprake is van hinder. Daarnaast voert de gemachtigde aan dat een andere rechter in een andere zaak van de betrokkene, waarbij ook hinder zou zijn veroorzaakt op dezelfde locatie, aanleiding heeft gezien het bedrag van de sanctie te matigen.

3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Ik zag dat het voertuig met kenteken [kenteken] hinderlijk geparkeerd stond op de weg zonder gebruik te maken van de daarvoor bestemde parkeervakken. Het is op deze plek niet toegestaan om te parkeren.”

5. Het dossier bevat verder een aanvullend proces-verbaal van 30 april 2019. Hierin verklaart de ambtenaar het volgende:

“Ik, verbalisant [naam1] , zag dat het voertuig met kenteken [kenteken] hinderlijk geparkeerd stond op de weg, naast de stoep, zonder gebruik te maken van de daarvoor bestemde parkeervakken. De manier waarop het voertuig geparkeerd stond leverde hinder op voor de auto’s die de parkeervakken uit moesten rijden. In de omgeving zijn en waren er voldoende parkeervakken vrij, welke gebruikt konden worden door de eigenaar van het voertuig. (…) Er wordt al geruime tijd geklaagd door buurtbewoners dat er te vaak auto’s worden geparkeerd naast de stoep, wat hinder veroorzaakt voor mensen die daar langs moeten rijden en weg moeten rijden. De straat is inderdaad breed genoeg om twee auto’s elkaar te laten passeren, echter niet op het moment dat er auto’s naast de stoeprand geparkeerd staan (zie bijgevoegde foto’s). Ik heb overige buurtbewoners gesproken en die zijn erg blij dat er eindelijk op gehandhaafd wordt.”

6. Zowel de betrokkene als de ambtenaar hebben een aantal foto’s overgelegd. Hieruit blijkt het volgende. Het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd aan de linkerzijde van de rijbaan naast het trottoir. Het voertuig staat, anders dan de advocaat-generaal aanneemt, niet bij de lantaarnpaal, maar iets verder, net voor het punt waar de parkeerstrook aan de linkerzijde van de rijbaan begint. Aan de rechterzijde van de rijbaan bevinden zich parkeervakken. Daar waar het voertuig van de betrokkene staat geparkeerd zijn de parkeervakken onderbroken door een klein stuk trottoir met daarin een boom.

7. Naar het oordeel van het hof stond het voertuig zodanig geparkeerd dat hinder werd of kon worden veroorzaakt voor het overige verkeer. Een personenvoertuig kon het voertuig van de betrokkene passeren, maar niet ongehinderd. Voertuigen moesten namelijk uitwijken naar de andere zijde van de rijbaan om het voertuig van de betrokkene te kunnen passeren. Daarnaast was er sprake van hinder voor de auto’s die de parkeervakken uit moesten rijden. Ter hoogte van het voertuig van de betrokkene worden de parkeervakken weliswaar onderbroken door een klein stuk trottoir met een boom, maar het hof acht het aannemelijk dat de auto’s die in de parkeervakken daarnaast staan geparkeerd hinder konden ervaren door het voertuig van de betrokkene bij het verlaten of inrijden van het parkeervak. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.

8. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken van redenen een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen. De gemachtigde doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Dit beginsel brengt niet mee dat de rechter bij de beoordeling van een zaak gebonden is aan de beslissing van een andere rechter in een andere zaak. Dat de kantonrechter in een andere zaak van de betrokkene waarin een sanctie was opgelegd voor het veroorzaken van hinder op dezelfde locatie de sanctie heeft gematigd, brengt op zichzelf niet mee dat dit ook in deze zaak dient te gebeuren. Van schending van het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van de betrokkene is alleen sprake als zonder (juridische) geldige reden ten nadele van de betrokkene is afgeweken van het met betrekking tot een gedraging als deze geldende beleid. Daarvan is niet gebleken.

9. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen.

10. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.