Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:8094

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-08-2021
Datum publicatie
25-08-2021
Zaaknummer
21-002324-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van drie maal mishandeling, verduistering en vernieling tot een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar, met aftrek van voorarrest. Afwijzing vordering tot tenuitvoerlegging. Beroep op noodweer afgewezen. Legitiem burgerarrest van beveiligers. Geen wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002324-18

Uitspraak d.d.: 17 augustus 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ArnhemLeeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 10 april 2018 met parketnummer 18-106776-16 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-037569-15, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 7 augustus 2020, 3 augustus 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis van de politierechter, bewezenverklaring van het onder 1 tot en met 5 tenlastegelegde en veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf van 1 dag, met aftrek van voorarrest, en een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal heeft voorts toewijzing gevorderd van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 10 uren, subsidiair 5 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. G.J.P.M. Grijmans, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft bij vonnis van 10 april 2018, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van drie keer mishandeling, verduistering en vernieling veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 dag, met aftrek van voorarrest, en een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar.

De politierechter heeft voorts de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 10 uren, subsidiair 5 dagen hechtenis toegewezen. De politierechter heeft ten slotte de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 22 mei 2016 te [plaats1] , gemeente [gemeente1] , [naam1] heeft mishandeld door genoemde [naam1] te stompen en/of te slaan;

2.
hij op of omstreeks 1 mei 2016 te [plaats2] , gemeente [gemeente2] , [naam2] heeft mishandeld door een blikje (kattenvoer) tegen het hoofd van genoemde [naam2] te gooien;

3.
hij op of omstreeks 21 april 2016 te [plaats3] , gemeente [gemeente2] , [naam3] heeft mishandeld door genoemde [naam3] te stompen en/of te slaan;

4.
hij op of omstreeks 12 mei 2016 in de gemeente [gemeente3] opzettelijk 37,56 liter benzine, in elk geval een hoeveelheid brandstof, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] , althans oliehandel [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en welke benzine verdachte bij een voor zelfbediening ingerichte benzinepompinstallatie, gelegen aan de [adres1] , had getankt, onder gehoudenheid die benzine te betalen en welke benzine verdachte aldus en in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

5.
hij op of omstreeks 11 april 2016 te [plaats2] , gemeente [gemeente2] , opzettelijk en wederrechtelijk een raam van perceel [adres2] 7, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan woningstichting [naam4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen

Het hof past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk is weergegeven. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het onder 1 tenlastegelegde

1. het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van 22 mei 2016, opgenomen op pagina 29 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland, genummerd 2016102203 gesloten op 7 juni 2016 door [verbalisant1] , brigadier van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [naam1]:

Hierbij doe ik, [naam1] , werkzaam als beveiliger voor [naam5]

op de kermis te [plaats1] aangifte van eenvoudige mishandeling.

Welke is gepleegd op zondag 22 mei 2016 om 21.20 uur op de [adres3] te [plaats1] .

Ik ben om 19.00 uur begonnen met mijn werkzaamheden. Ik kreeg te horen van mijn

collega [naam6] dat er een persoon steeds richting een voor het kermisterrein op

" [naam7] " te [plaats1] staand voertuig liep. De persoon zou onder invloed

zijn van alcohol. Tevens liep dit persoon naar zijn voertuig om zijn hondjes uit te

laten. Daarna dronk hij uit een fles die achter in zijn voertuig lag. Later bleek toen wij goed keken dat het een fles whisky betrof. Daarna ging hij weer naar de feest tent en zat daar weer aan het bier. Ik heb hem wel vier a vijf keer het zelfde zien doen.

Ik kreeg door dat hij niet weg mocht rijden en was dus heel alert op de betrokken

persoon. Toen hij omstreeks 21.15 uur de honden wederom uit liet en de kofferbak weer

dicht deed zag ik dat hij naar de bestuurderskant van het voertuig liep. Ik zag dat

hij achter het stuur plaats nam en hoorde dat hij het voertuig startte. Hij zat

alleen in het voertuig met zijn twee hondjes.

Ik ben toen direct naar de bestuurderszijde gelopen en heb de bestuurder aangesproken. Hij werd direct agressief en ik moest toen met veel verzet de bestuurder samen met mijn collega, [naam6] , uit het voertuig halen. Daarbij moest ik hem onder bedwang houden en toen sloeg de bestuurder mij met zijn linker gebalde vuist op mijn rechterwang. Ik voelde een pijn scheut over mijn gehele rechterzijde van het gezicht. Tevens liep er bloed uit mijn neus. Ik heb nu nog steeds een doof gevoel in mijn rechter wang.

Direct daarna kwam er en politieagent aan die heeft de bestuurder toen van ons over

genomen.

2. het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige van 23 mei 2016, opgenomen op pagina 31 e.v. van het dossier van Politie NoordNederland, genummerd 2016102203 gesloten op 7 juni 2016 door [verbalisant1] , brigadier van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [naam6]:

Op zondag 22 mei 2016, was ik als beveiliger aan het werk in [plaats1] . (…)

Ik was die dag samen met [naam1] aan het werk. (…)

Ik en [naam1] hadden al een aantal keren gezien dat een man naar de auto liep en de honden even snel uitliet. Wij zagen daarbij ook dat de man vanuit de kofferbak een fles sterke drank pakte. Ik zag dat hij daarvan een paar slokken nam en dan de fles weer weglegde en naar de

feesttent liep. Ik zag dat de man dit meerdere keren deed door de middag heen.

In de avond, tijdstippen weet ik niet meer zag ik dat de man nog steeds meerdere

keren naar de auto liep. De man was de hele middag al aan het drinken geweest in de

feesttent. Ik nam contact op met de politie van [plaats1] om dit door te

geven. Ik was bang dat de man op een gegeven moment in de auto zou gaan stappen en

weg zou gaan rijden terwijl hij de hele middag al aan het drinken was geweest van

alcoholische dranken.

Ik had samen met de collega [naam8] van [plaats1] afgesproken dat wanneer de

man in de auto zou gaan zitten wij de politie op de hoogte zouden brengen.

Ik zag samen met mijn collega op een gegeven moment de man naar de auto toe lopen. Hoe laat het op dat moment was kan ik u niet vertellen (…) Ik zag dat de man in de auto ging zitten. Ik zag dat de man achter het stuur zat. Ik zag en hoorde dat de man de auto startte. Ik zag dat de lampen van de auto aan gingen.

Ik ben samen met mijn collega [naam1] naar de auto van de man gelopen. Toen wij vlak

bij de auto kwamen zag ik dat de deur van de bestuurderskant open ging. Ik riep tegen

de man dat hij niet kon gaan rijden en dat hij was aangehouden. Ik pakte samen met

mijn collega [naam1] de man vast om hem uit de auto te halen zodat hij niet weg kon

gaan. Ik zag dat de man mijn collega [naam1] in het gezicht sloeg. Ik zag dat de man

met een gebalde hand het gezicht van mijn collega raakte. (…)

Ik heb samen met [naam1] de man uit de auto gehaald. Ik hoorde dat de man verbaal zeer

agressief was richting ons. Wat de man precies naar ons riep weet ik niet meer. De

man begon ook fysiek steeds agressiever te worden. Zijn houding naar ons werd steeds

agressiever.

Ik heb weer contact opgenomen met de politie die de man een paar minuten later hebben

overgenomen van ons.

3. het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aanhouding van 22 mei 2016, opgenomen op pagina 8 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland, genummerd 2016102203 gesloten op 7 juni 2016 door [verbalisant1] , brigadier van politie, voor zover inhoudende als bevindingen van verbalisanten [verbalisant2] en [verbalisant3]:

Op zondag 22 mei 2016 (…) Meneer [verdachte] was op het feestterrein aanwezig. (…) Omstreeks 21:15 uur zag ik verbalisant [verbalisant2] dat [verdachte] richting zijn voertuig liep. (…)

Vervolgens zag ik dat [verdachte] in het voertuig stapte en dat de verlichting van het voertuig aan ging. Hierop zijn twee personen van de beveiliging naar het voertuig gelopen om hem te stoppen. Hierop zijn wij verbalisanten [naam8] , [verbalisant3] en [verbalisant2] richting het voertuig van [verdachte] gereden. Wij zagen dat de beveiliging hem stevig vast hield. (…)

Verbalisant [verbalisant3] heeft [verdachte] gevraagd of hij mee wilde werken aan een ademanalyse test. [verdachte] werkte hier aan mee en blies een A-indicatie. (21:20 uur). Hierop is [verdachte] vrijwillig mee gegaan naar het bureau te [plaats1] .

4. het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige bij de raadsheer-commissaris op 25 juni 2021, voor zover inhoudende als verklaring van [naam6]:

Ik heb hem gezegd dat hij niet kon gaan rijden, omdat hij had gedronken. Ik zei dat dat eigenlijk niet kon. (…) Mijn collega [naam1] heeft toen de politie gebeld, ik meen de wijkagent de heer [naam8] . [naam8] zei mij dat ik moest zorgen dat de man niet wegreed. (…) Hij (het hof begrijpt: verdachte) zei ook dat hij weg ging en hij zei me dat ik hem moest laten gaan.

Het onder 2 tenlastegelegde

Ten aanzien van dit feit is sprake van een bekennende verdachte. Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, volstaat het hof met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  1. de bekennende verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van de politierechter van 10 april 2018;

  2. het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van 5 mei 2016, opgenomen op pagina 46 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland, genummerd 2016102203 gesloten op 7 juni 2016 door [verbalisant1] , brigadier van politie, voor zover inhoudende de verklaring van [naam2] .

Het onder 3 tenlastegelegde

Ten aanzien van dit feit is sprake van een bekennende verdachte. Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, volstaat het hof met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  1. de bekennende verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van de politierechter van 10 april 2018;

  2. het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van 26 april 2016, opgenomen op pagina 38 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland, genummerd 2016102203 gesloten op 7 juni 2016 door [verbalisant1] , brigadier van politie, voor zover inhoudende de verklaring van [naam3] .

Het onder 4 tenlastegelegde

Ten aanzien van dit feit is sprake van een bekennende verdachte. Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, volstaat het hof met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  1. de bekennende verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van de politierechter van 10 april 2018;

  2. het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van 18 mei 2016, opgenomen op pagina 60 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland, genummerd 2016102203 gesloten op 7 juni 2016 door [verbalisant1] , brigadier van politie, voor zover inhoudende de verklaring van [benadeelde partij] ;

  3. het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor getuige van 19 mei 2016, opgenomen op pagina 64 e.v. van het dossier van Politie NoordNederland, genummerd 2016102203 gesloten op 7 juni 2016 door [verbalisant1] , brigadier van politie, voor zover inhoudende de verklaring van [naam9] .

Het onder 5 tenlastegelegde

1. de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van de het gerechtshof van 3 augustus 2021, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:

Het klopt dat ik op 11 april 2016 in de tuin was van [naam2] . Ik ben op het balkon geklommen, maar dat bleek het verkeerde balkon te zijn. Ik ben van dit balkon afgesprongen en kwam in de tuin van [naam2] uit.

2. het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van 11 april 2016, opgenomen op pagina 17 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland, genummerd 2016102203 gesloten op 7 juni 2016 door [verbalisant1] , brigadier van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [naam2]:

Ik, [naam2] , doe aangifte van vernieling van een raam van mijn woning. Ik woon

aan de [adres2] 7 te [plaats2] . Ik woon daar alleen. Het betreft het grote raam van

mijn woonkamer aan de achterzijde. Ik huur de woning van de woningstichting [naam4] .

Op 11 april 2016 omstreeks 01:50 uur lag ik te slapen. Ik werd wakker omdat ik iets

op mijn balkon hoorde. Ik keek uit het raam en ik zag [verdachte] staan in mijn

tuin. (…)

Ik hoorde dat hij stond te schreeuwen. (…)

In mijn tuin lagen diverse schuttingplanken. Ik zag dat [verdachte] een van deze planken beet

had. Ik zag dat hij deze door het raam heen duwde dan wel sloeg. Ik hoorde grasgerinkel. Ik

ben naar beneden gelopen en zag dat het raam stuk was. Ik zag dat de plank er nog

gedeeltelijk door heen stak.

3. het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor getuige van 11 april 2016, opgenomen op pagina 21 e.v. van het dossier van Politie NoordNederland, genummerd 2016102203 gesloten op 7 juni 2016 door [verbalisant1] , brigadier van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [naam10], wonende aan de [adres2] 9 in [plaats2] :

Ik zag toen dat er iemand over het hekwerk van mijn balkon klom en toen op mijn balkon

stond. Ik zag dat het een manspersoon was. (…)

Ik hoorde aan de stem en zag later ook dat het de mij bekende [verdachte] betrof. (…)

Ik hoorde toen [verdachte] van het balkon was afgesprongen er meteen vuilnisbakken en andere dingen bij mijn buurman [naam2] omver werden gegooid. Ik hoorde vervolgens ook nog glasgerinkel. Ik zag later dat er een plank door de achterruit van de woonkamer bij mijn buurman [naam2] was gegooid.

Overweging met betrekking tot het bewijs van het onder 1 tenlastegelegde

Verdachte wordt onder 1 verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het mishandelen van aangever [naam1] die op 22 mei 2016 op de kermis als beveiliger werkte. Verdachte heeft ontkend dat hij aangever [naam1] opzettelijk heeft geslagen dan wel gestompt. Hij heeft verklaard dat hij met de hand een afwerende beweging heeft gemaakt naar [naam1] en hem daarmee zou kunnen hebben geraakt.

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, nu hem een geslaagd beroep op noodweer toekomt. Verdachte heeft zich op gepaste wijze verweerd tegen het onbevoegde optreden van aangever [naam1] en zijn collega [naam6] .

Het hof overweegt hierover als volgt.

Op 22 mei 2016 zagen [naam1] en [naam6] als beveiligers vanaf 19:00 uur verdachte een paar keer vanaf de feesttent naar zijn geparkeerde auto gaan. Daar dronk hij steeds uit een fles drank die achterin de auto lag. [naam1] heeft 4 à 5 keer gezien dat verdachte dit deed. [naam6] heeft contact opgenomen met de politie om dit door te geven. [naam6] vreesde dat verdachte – terwijl hij die dag alcohol gedronken had – zou gaan rijden in zijn auto. Met agent [naam8] heeft [naam6] afgesproken dat wanneer verdachte in de auto zou gaan zitten, [naam6] en [naam1] de politie daarvan op de hoogte zouden brengen. [naam6] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat hij van de politie moest zorgen dat verdachte niet wegreed.

[naam1] en [naam6] zagen omstreeks 22:15 uur verdachte naar de bestuurderskant van de auto lopen. [naam1] en [naam6] zagen dat verdachte achter het stuur plaatsnam en de auto startte. [naam6] zag dat de lampen van de auto aan gingen. [naam6] beschrijft dat hij met [naam1] naar de auto van verdachte liep. Toen ze vlak bij de auto waren, ging de deur van de bestuurderskant open. [naam1] en [naam6] spraken verdachte aan. Ze zeiden dat hij niet kon gaan rijden en dat hij was aangehouden. Van [naam6] heeft verklaard dat verdachte zei dat

hij weg ging en dat ik [naam6] hem moest laten gaan. [naam1] en [naam6] pakten verdachte vast om hem uit de auto te halen zodat hij niet weg kon rijden. [naam1] heeft verklaard dat verdachte direct agressief werd. Met veel verzet heeft [naam1] verdachte samen met [naam6] uit de auto gehaald. [naam1] hield verdachte onder bedwang en verdachte sloeg [naam1] met zijn linker gebalde vuist op [naam1] rechterwang. [naam6] heeft verklaard dat verdachte verbaal zeer agressief was richting [naam6] en [naam1] . Ook fysiek begon verdachte steeds agressiever te worden, zo beschreef [naam6] . [naam6] heeft weer contact opgenomen met de politie. De politie heeft verdachte een paar minuten later overgenomen van [naam1] en [naam6] . Bij de politie heeft verdachte bij een ademanalyse een A-indicatie (Alert-indicatie) geblazen om 21:20 uur. Bij een dergelijke indicatie worden verdachten aangehouden en overgebracht naar het politiebureau, alwaar zij opnieuw een ademanalyse moeten ondergaan.

Het hof stelt op basis van het voorgaande vast dat de beveiligers [naam1] en [naam6] in de avond van 22 mei 2016 hebben geconstateerd dat verdachte op heterdaad een poging tot het rijden onder invloed pleegde. [naam1] en [naam6] hebben waargenomen dat verdachte gedurende de middag en avond alcohol heeft gedronken: bier in de feesttent en sterke drank vanuit zijn auto. Verdachte heeft vervolgens in de avond plaatsgenomen achter het stuur, de lichten van de auto werden ontstoken en de auto werd gestart. Toen [naam6] en [naam1] verdachte aanspraken op het wegrijden onder invloed van alcohol, verklaarde verdachte dat hij weg wilde gaan. Hieruit leidt het hof af dat verdachte het voornemen had om als bestuurder van een voertuig (personenauto) weg te rijden, welk wegrijden door het optreden van [naam1] en [naam6] is voorkomen.

Op grond van artikel 53 van het Wetboek van Strafvordering is het een ieder toegestaan om tot aanhouding over te gaan, mits sprake is van een geval van ontdekking op heterdaad en de aanhouding tot doel heeft de verdachte onverwijld over te dragen aan een opsporingsambtenaar. In het geval van een dergelijke ‘burgeraanhouding’ mogen die handelingen worden verricht die in de gegeven omstandigheden noodzakelijk zijn om de verdachte onder controle te krijgen, waar nodig met gepaste dwang of geweld, om hem (onverwijld) te kunnen overdragen aan een opsporingsambtenaar. De vraag welke handelingen in het geval van een dergelijke ‘burgeraanhouding’ mogen worden verricht om de verdachte onder controle te krijgen en hem te kunnen overdragen aan een opsporingsambtenaar dient te worden beantwoord aan de hand van de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Van de ene persoon mag in dit verband op grond van zijn hoedanigheid of bijzondere vaardigheden meer worden gevergd op het vlak van de proportionaliteit dan van een ander, waarbij de proportionaliteitseis ertoe strekt te beoordelen of het optreden niet in onredelijke verhouding staat tot het te bereiken doel.

Verdachte heeft geweld gepleegd tegen beveiliger [naam1] , gericht om los te komen uit het vastgehouden worden door [naam1] en [naam6] . Nu verdachte op heterdaad werd betrapt op het plegen van een poging tot het besturen van een voertuig (personenauto) terwijl hij onder invloed was van alcohol, waren [naam1] en [naam6] bevoegd verdachte aan te houden. Door hem te beletten om weg te gaan met zijn auto en tegen hem te zeggen dat hij was aangehouden, hebben zij naar het oordeel van het hof tot uiting gebracht dat zij verdachte hadden aangehouden. Dit moet ook voor verdachte duidelijk zijn geweest. Om te voorkomen dat verdachte zou ontkomen hebben [naam1] en [naam6] verdachte vastgepakt en uit de auto gehaald. Volgens verdachte stond hij klem tussen de auto en de autodeur. Verdachte heeft [naam1] in het gezicht geslagen tegen zijn rechterwang.

Het hof is van oordeel dat de handelingen van [naam1] en [naam6] passen binnen de wettelijke bevoegdheden bij een aanhouding op heterdaad. Uit niets is gebleken dat verdachte heeft willen wachten tot de politie aanwezig zou zijn. Naar het oordeel van het hof hebben [naam1] en [naam6] onder deze omstandigheden gerechtvaardigd verdachte vastgehouden in afwachting van de politie om te voorkomen dat verdachte weg zou rijden. [naam1] en [naam6] hebben geen disproportioneel geweld gebruikt. Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van lichaam of goed, waartegen verdediging noodzakelijk was. Van een ‘wederrechtelijke’ aanranding zoals bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht van verdachte door [naam1] en [naam6] is geen sprake. Het verweer wordt verworpen.

Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde onder 1 voorts wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze hiervoor zijn opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen van [naam1] en [naam6] , te twijfelen.

Overweging met betrekking tot het bewijs van het onder 5 tenlastegelegde

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 5 tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later hiervoor in dit arrest zijn opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 22 mei 2016 te [plaats1] , gemeente [gemeente1] , [naam1] heeft mishandeld door genoemde [naam1] te stompen;

2.
hij op 1 mei 2016 te [plaats2] , gemeente [gemeente2] , [naam2] heeft mishandeld door een blikje kattenvoer tegen het hoofd van genoemde [naam2] te gooien;

3.
hij op 21 april 2016 te [plaats3] , gemeente [gemeente2] , [naam3] heeft mishandeld door genoemde [naam3] te stompen;

4.
hij op 12 mei 2016 in de gemeente [gemeente3] opzettelijk 37,56 liter benzine, toebehorende aan [benadeelde partij] , althans oliehandel [benadeelde partij] , en welke benzine verdachte bij een voor zelfbediening ingerichte benzinepompinstallatie, gelegen aan de [adres1] , had getankt, onder gehoudenheid die benzine te betalen en welke benzine verdachte aldus en in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

5.
hij op 11 april 2016 te [plaats2] , gemeente [gemeente2] , opzettelijk en wederrechtelijk een raam van perceel [adres2] 7, toebehorende aan woningstichting [naam4] , heeft vernield.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde levert op: telkens:

mishandeling.

Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:

verduistering.

Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie mishandelingen, een verduistering en een vernieling. Hij heeft daarmee getoond geen respect voor eigendommen en de lichamelijke integriteit van anderen te hebben. Bovendien heeft hij overlast en schade veroorzaakt bij de slachtoffers.

Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 juli 2020, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Tevens blijkt uit voornoemd uittreksel dat verdachte na de pleegdatum van de hier ter beoordeling staande feiten een straf is opgelegd, zodat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht staat niet in de weg aan het wederom opleggen van enkel een taakstraf voor een soortgelijk feit omdat uit het genoemde uittreksel niet blijkt dat verdachte de hem in 2015 door de politierechter ter zake van vernieling opgelegde taakstraf heeft uitgevoerd of dat hij daarvoor vervangende hechtenis heeft uitgezeten. In strafmatigende zin houdt het hof rekening met het feit dat de laatste veroordeling van verdachte dateert uit 2019.

Het hof houdt bij de strafoplegging tevens rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals door verdachte en zijn raadsman naar voren gebracht ter terechtzitting van het hof. Verdachte neemt trouw zijn medicatie voor zijn bipolaire stoornis, waarbij depressieve en manische fasen elkaar opvolgen. Verdachte gebruikt voorts geen alcohol meer. Meerdere keren per week heeft verdachte contact met de reclassering en de GGZ. De dagbesteding MindUp van GGZ Friesland bezoekt verdachte twee keer per week.

Uit de toelichting van [naam11] van Reclassering Nederland op de zitting van het hof komt naar voren dat het beter gaat met verdachte. Verdachte is stabiel en de hulpverlening verloopt goed. Verdachte wil voorkomen in een manische periode terecht te komen is en daardoor trouw in het nemen van zijn medicatie. De reclassering ziet geen meerwaarde om de bijzondere voorwaarden die vanuit een andere strafzaak tot mei 2022 lopen te verlengen of in deze zaak op te leggen. Een taakstraf biedt geen meerwaarde en zou verdachte zelfs kunnen ontregelen door het verplichte karakter daarvan. De depressieve episodes zijn er nog wel en lopen vanaf oktober tot april. Gelet daarop is de huidige stabiliteit in het leven van verdachte nog kwetsbaar en is het belangrijk de huidige hulpverlening voort te zetten en daarbij geen taakstraf toe te voegen.

Het hof constateert voorts dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Het hof acht een dergelijke toepassing echter, gelet op de aard en het aantal van de bewezenverklaarde feiten, niet aan de orde.

In het bijzonder in aanmerking genomen hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken, het tijdsverloop in deze zaak en de omstandigheid dat het hof de door verdachte ingeslagen weg niet wil doorkruisen met een onvoorwaardelijke taakstraf, is het hof van oordeel dat oplegging van een voorwaardelijke taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van één jaar en met aftrek van voorarrest, passend is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 54,42. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Op grond van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, namelijk dat de vordering in hoger beroep niet is gehandhaafd en dat de schade lijkt te zijn afgewikkeld, behoeft de vordering verder geen bespreking.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Noord-Nederland van 29 mei 2015 voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 10 uren, subsidiair 5 dagen hechtenis, met parketnummer 18037569-15. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Op grond van de persoonlijke omstandigheden en het tijdsverloop in deze zaak, zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 300, 321 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Noord-Nederland van 14 juni 2016, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 29 mei 2015, met parketnummer 18-037569-15, voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 10 uren subsidiair 5 dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. O. Anjewierden, voorzitter,

mr. J. Hielkema en mr. G. Souer, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. K.M. Diender, griffier,

en op 17 augustus 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.