Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:7929

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-08-2021
Datum publicatie
19-08-2021
Zaaknummer
200.255.475/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eindarrest nadat van getuigenverhoor is afgezien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.255.475/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 5636957)

arrest van 17 augustus 2021

in de zaak van

[appellant] , h.o.d.n. [naam1] ,

wonende te [woonplaats1] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. W.L. Hogenkamp, kantoorhoudend te Meppel,

tegen

1 [geïntimeerde1] ,

wonende te [woonplaats2] ,

hierna: [geïntimeerde1],

2. [geïntimeerde2],

wonende te [woonplaats3] ,

hierna: [geïntimeerde2],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden] c.s.,

advocaat: mr. O.M.M. Philips, kantoorhoudend te Haren.

1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

Het hof neemt het tussenarrest van 1 september 2020 hier over.

1.2

In dit tussenarrest is [appellant] bewijs opgedragen. Op 15 december 2020 heeft

mr. Hogenkamp namens [appellant] vijf getuigen voorgedragen en verzocht om deze te horen. Het getuigenverhoor is vervolgens bepaald op 16 april 2021. Op 9 april 2021 heeft mr. Hogenkamp namens [appellant] medegedeeld af te zien van het getuigenverhoor.

1.3

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling in hoger beroep

2.1

In het tussenarrest heeft het hof vastgesteld dat de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden in elk geval per 1 maart 2015 is geëindigd. Volgens [appellant] zijn partijen mondeling overeengekomen dat de huurovereenkomst al eerder, namelijk per

1 augustus 2014, is geëindigd. [appellant] is opgedragen dit te bewijzen. Voor het geval [appellant] niet slaagt in dit bewijs, is hem opgedragen te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit volgt dat en vanaf welk moment vóór 1 maart 2015 Van Vossen het object heeft gebruikt op een wijze die voor een huurder normaal gebruik oplevert terwijl [appellant] het object niet meer gebruikte op een voor een huurder normale wijze. Met deze bewijsopdracht heeft het hof impliciet al geoordeeld dat grief VI van [appellant] tegen de bewijswaardering door de kantonrechter faalt. Voor de goede orde bevestigt het hof hier ook expliciet dat de kantonrechter terecht de verklaring van Van Bentem, die inmiddels met [appellant] is getrouwd, met reserve heeft beoordeeld. Nu [appellant] van het getuigenverhoor heeft afgezien en hij geen ander bewijs naar voren heeft gebracht, is [appellant] niet geslaagd in het opgedragen bewijs.

2.2

Dit betekent dat de beweerde afspraak over het einde van de huurovereenkomst per

1 augustus 2014 niet is komen vast te staan. Evenmin kan worden aangenomen dat vóór

1 maart 2015 sprake is geweest van zodanig gebruik van het pand door de nieuwe huurder Van Vossen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om de (gehele) huur over de periode tot 1 maart 2015 ten laste van [appellant] te laten komen. Als uitgangspunt heeft dan te gelden dat de huurovereenkomst per 1 maart 2015 ten einde is gekomen en dat [appellant] tot die datum gehouden is tot huurbetaling. Wat betreft die huurbetaling gaat het hof uit van de door [geïntimeerden] c.s. berekende huurachterstand tot

1 maart 2015. [appellant] stelt dat hierop de door hem betaalde waarborgsom ter grootte van twee huurtermijnen in mindering strekt, omdat is afgesproken dat die borg zou worden verrekend met de huurtermijnen voor juni en juli 2014. [geïntimeerden] c.s. betwisten echter dat een verreken-afspraak is gemaakt en [appellant] heeft op dit punt geen nader bewijs aangeboden. Dit betekent dat de waarborgsom niet verrekend kan worden met de huurachterstand en dat [appellant] die achterstand volledig aan [geïntimeerden] c.s. dient te betalen. De door [geïntimeerden] c.s. gevorderde huurachterstand van € 43.227,85 is daarom toewijsbaar.

2.3

Daarmee komt het hof toe aan de resterende grieven XII en XIII.

2.4

Grief XII heeft betrekking op de door de kantonrechter toegewezen rente en vergoeding voor buitengerechtelijke kosten. De kantonrechter heeft de door [geïntimeerden] c.s. gevorderde rente als onweersproken toegewezen. Omdat [geïntimeerden] c.s. voldoende hebben gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht, is de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten eveneens toegewezen. [appellant] heeft in hoger beroep aangevoerd dat de door [geïntimeerden] c.s. gevorderde bedragen van meet af aan onjuist zijn geweest en dat [geïntimeerden] c.s. bij het uitblijven van betaling niet onmiddellijk aan de bel heeft getrokken, waardoor partijen nu met bewijsproblemen kampen. De ontstane situatie dient niet voor rekening van [appellant] te komen. Ook vindt [appellant] het onredelijk [geïntimeerden] c.s. voor het innen van huurindexering rente in rekening brengen.

2.5

Het hof stelt vast dat [appellant] ondanks aanmaning niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting om de huur (inclusief de overeengekomen indexeringen) tijdig en volledig te betalen. Vanwege het uitblijven van betaling is [appellant] in beginsel rente verschuldigd en kunnen [geïntimeerden] c.s. aanspraak maken op een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten als aan de daaraan te stellen vereisten is voldaan. Voor zover [appellant] betaling heeft nagelaten omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij het gevorderde bedrag aan huurachterstand niet verschuldigd zou zijn, komt die onjuiste veronderstelling voor zijn rekening. Het hof begrijpt verder dat [appellant] [geïntimeerden] c.s. verwijt de vordering even te hebben laten liggen, maar enkel stilzitten of tijdsverloop levert geen afstand van recht of rechtsverwerking op. Bovendien heeft [appellant] na ontvangst van de aanmaning van 9 september 2016 tot de datum van dagvaarding (29 december 2016) en ook nadien de mogelijkheid gehad om het openstaande bedrag te voldoen en/of daarvoor een regeling te treffen. Dat [appellant] daar niet voor heeft gekozen, dient eveneens voor zijn rekening te komen. Van onzorgvuldig handelen van [geïntimeerden] c.s. als verhuurder is het hof in dit verband niet gebleken. In de enkele, niet nader onderbouwde, stelling van [appellant] dat het onredelijk is rente in rekening te brengen bij inning van de huurindexering, vindt het hof ook geen grond om tot matiging (op de voet van artikel 6:94 dan wel artikel 6:248 lid 2 BW) over te gaan. Overige feiten of omstandigheden die daartoe zouden moeten leiden, zijn door [appellant] niet aangevoerd.

Nu voor het overige geen verweer is gevoerd tegen de ingangsdatum en de omvang van de verschuldigde rente en gesteld noch gebleken is dat niet aan vereisten voor toewijzing van de buitengerechtelijke kosten is voldaan, zijn zowel de gevorderde rente als de buitengerechtelijke kosten toewijsbaar.

2.6

Grief XIII is gericht tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. In het voorgaande ligt besloten dat het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd. Gelet hierop ziet het hof geen aanleiding voor een andere beslissing op dit punt.

3 Slotsom

3.1

De grieven zijn vergeefs voorgedragen. Het hof zal de vonnissen van de kantonrechter van 27 maart 2018 en 30 oktober 2018 bekrachtigen.

3.2

Het hof ziet ook in hoger beroep aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten laste van [appellant] omdat hij in het ongelijk is gesteld. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. zullen worden vastgesteld op € 741,- voor griffierecht en € 4.062,- (2 punten x tarief IV à € 2.031,-) voor salaris van de advocaat.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt de vonnissen van de kantonrechter te Assen van 27 maart 2018 en

30 oktober 2018;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. vastgesteld op € 741,- voor verschotten en op € 4.062,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. M. Willemse, voorzitter, mr. M.E.L. Fikkers en mr. J.A. Gimbrère en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2021.