Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:7906

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-08-2021
Datum publicatie
19-08-2021
Zaaknummer
200.291.859
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdverblijfplaats en toedeling voormalige echtelijke woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.291.859 en 200.291.860

(zaaknummers rechtbank Gelderland 363276 en 369280)

beschikking van 17 augustus 2021

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. E. Maalsen te Nijmegen,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats1] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.W. Boeijink te Arnhem.

1
1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 18 december 2020, uitgesproken onder voormelde zaaknummers, hierna ook te noemen: de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 16 maart 2021;

- het verweerschrift.

2.2

Op 2 augustus 2021 zijn de minderjarigen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verschenen, die buiten aanwezigheid van partijen door een lid van het hof zijn gehoord.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 3 augustus 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,

- [naam1] , namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).

3. De feiten

3.1

De vader en de moeder zijn op 15 augustus 1997 te Colombo, Sri Lanka, gehuwd in gemeenschap van goederen.

3.2

Zij zijn de ouders van:

- [de minderjarige1] , geboren [in] 2006 te [plaats] , en

- [de minderjarige2] , geboren [in] 2007 te [plaats] .

De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.

3.3

Het huwelijk van partijen is [in] 2021 ontbonden door inschrijving van na te noemen echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank echtscheiding tussen partijen uitgesproken en, uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige2] bij de vader bepaald;

  • -

    de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] bij de moeder bepaald; en

  • -

    de wijze van verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen gelast, zoals door de rechtbank is overwogen, meer in het bijzonder bepaald dat de voormalige echtelijke woning aan de vader zal worden toebedeeld, onder de voorwaarde dat de moeder zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, waartegenover de vader de helft van de overwaarde van de onroerende zaak aan de moeder dient te voldoen. Verder heeft de rechtbank bepaald dat de spaarrekening bij [de bank] zal worden opgeheven en dat het saldo tussen partijen zal worden verdeeld.

De rechtbank heeft bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt en het meer of anders verzochte afgewezen.

4.2

De moeder is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof om deze beschikking te vernietigen en alsnog te bepalen dat:

  • -

    de zorgregeling, zoals die nu loopt, zal gelden zolang de huidige woonsituatie geldt en daarna zal worden aangepast, waarbij [de minderjarige1] heeft aangegeven bij de moeder te willen wonen;

  • -

    de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder vast te stellen; en

  • -

    de onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats1] en de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening aan de vrouw worden toebedeeld, een en ander onder het financieringsvoorbehoud dat de bank de vader zal ontslaan uit hoofdelijke aansprakelijkheid, waartegenover de moeder de vader de helft van de overwaarde van de onroerende zaak zal betalen, na aftrek van de hypotheekschuld en met betaling van de helft van de waarde van de spaarhypotheek.

4.3

De vader voert verweer en verzoekt het hof de grieven van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4.4

Grief 1 mist zelfstandige betekenis omdat partijen uitvoering geven aan de zorgregeling die zij zijn overeengekomen, uitgaande van hun woonsituatie die in eerste aanleg en in hoger beroep dezelfde is. De rechtbank heeft geen beslissing gegeven op dit punt. Deze grief zal daarom niet worden besproken.

5 De motivering van de beslissing

Hoofdverblijfplaats en zorgregeling

5.1

De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder meer

de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft omvatten.

5.2

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter dient bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, wat er in een voorkomend geval toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de afweging van belangen.

5.3

De moeder kan zich met de bestreden beschikking niet verenigen. De moeder heeft ter mondelinge behandeling erkend dat het verzoek om het hoofdverblijfplaats van [de minderjarige2] bij haar te bepalen deels is ingegeven vanuit emotie en haar visie op wat het beste is voor de kinderen. De kinderen horen volgens de moeder ook bij elkaar te zijn. De moeder heeft altijd geprobeerd de kinderen buiten de strijd met de vader te houden. De moeder vreest dat zij door de vader niet zal worden geïnformeerd als [de minderjarige2] haar hoofdverblijfplaats bij de vader heeft. Verder voert de moeder aan dat de kinderen op de vader lijken en dat ze zijn achternaam dragen. Als de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben, dan blijkt daar tenminste nog uit dat de moeder en de kinderen bij elkaar horen.

5.4

De vader meent dat de rechtbank terecht de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige2] bij hem heeft vastgesteld. [de minderjarige1] wil minder contact met de vader, maar [de minderjarige2] wil evenveel bij beide ouders zijn. Er zijn ook geen zorgen over het gedrag van de vader, zoals de moeder suggereert. Deze stelling is gebaseerd op een voorval van ruim negen jaar geleden. De moeder probeert de vader in een kwaad daglicht te stellen, maar het is volgens de vader juist de moeder die de vader wantrouwt en strijd voert. De vader voelt zich hierdoor buiten gesloten en niet serieus genomen. De vader wil niet strijden, maar in goed overleg tot afspraken komen.

5.5

De raad heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat het voor de kinderen niet zo veel uitmaakt waar zij hun hoofdverblijfplaats hebben, maar dat het voor de ouders een emotionele wens is om de kinderen bij hen ingeschreven te laten zijn. De raad heeft benadrukt dat het voor de kinderen nu het belangrijkste is dat zij rust krijgen. Dat lukt alleen als de ouders hun strijd stoppen en elkaar als opvoeder accepteren. De raad heeft vervolgens geadviseerd de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige2] bij de vader vast te stellen, omdat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] bij de moeder is en de ouders op deze wijze aan de kinderen kunnen laten zien dat zij samen invulling geven aan het ouderschap.

5.6

Het hof stelt voorop dat de rechtbank in de bestreden beschikking de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] al bij de moeder heeft bepaald. De moeder heeft daarom geen belang bij dit verzoek in hoger beroep, zodat het hof dit verzoek zal afwijzen.

5.7

Het hof is, anders dan de raad, van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige2] is dat zij haar hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft, zodat de kinderen hun hoofdverblijfplaats op dezelfde plaats zullen hebben. Het hof acht de moeder beter dan de vader in staat de kinderen rust en stabiliteit te bieden, die zij hard nodig hebben. Daarbij is van belang dat de moeder ter mondelinge behandeling bij herhaling heeft verklaard dat het haar wens is dat de kinderen contact met de vader blijven houden, ook als zij niet meer in dezelfde woning wonen. De vader aan de andere kant heeft zich negatief en diskwalificerend over de moeder uitgelaten en de moeder onder meer beschuldigd de kinderen te manipuleren. Grief 2 slaagt.

De voormalige echtelijke woning

5.8

Ingevolge artikel 3:185 lid 1 BW gelast de rechter op vordering van de meest gerede partij de wijze van verdeling, voor zover de deelgenoten en zij wier medewerking vereist is, over een verdeling niet tot overeenstemming kunnen komen, of stelt hij zelf de verdeling vast, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang.

5.9

De moeder voert ook in hoger beroep aan dat beide partijen financieel in staat zijn om de voormalige echtelijke woning over te nemen. Omdat haar inkomen lager is dan dat van de vader is het voor de moeder moeilijker om een andere woning te vinden. De moeder heeft al bij andere woningen gekeken en stelt geen hoge eisen, maar vindt dat ook rekening moet worden gehouden met de kinderen. De vader woont sinds 1999 in Nederland, maar heeft nooit initiatief genomen om een sociaal netwerk op te bouwen, terwijl de moeder juist veel sociale contacten onderhoudt in de buurt. De vader heeft zich volgens de moeder altijd goed gered op de verschillende plekken waar hij werkzaam is geweest. Bovendien sluit de moeder niet uit dat de vader terugkeert naar Iran. De moeder wil graag in de woning aan de [adres] blijven wonen, omdat deze op een mooie plek ligt en het er een manier van leven is die zij prettig vindt. De moeder woonde hier al toen de vader naar Nederland kwam. Hij is bij de moeder komen wonen. De vader heeft altijd moeite gehad met de manier van leven aan de [adres] en heeft heftige burenruzies gehad. Er is volgens de moeder ten slotte geen rekening gehouden met de omstandigheid dat [de minderjarige1] bij de moeder wil wonen en dat hij zijn vertrouwde omgeving zal moeten verlaten als de moeder niet in de woning kan wonen.

5.10

De vader voert verweer. De vader betwist niet dat beide partijen financieel in staat zijn de woning over te nemen. De vader meent dat de moeder meer mogelijkheden heeft om een andere woning te betrekken dan de vader. De moeder heeft, in tegenstelling tot de vader, een vast contract en zij kan een beroep doen op haar grote, sociale netwerk. De vader is naar Nederland gekomen om bij de moeder te gaan wonen en kan op niemand terugvallen. De vader heeft ook geen pensioenrechten opgebouwd, zodat hij zich niet kan permitteren hogere woonlasten aan te gaan. De vader voert bovendien aan dat hij veel tijd, werk en zorg in de woning heeft geïnvesteerd. De vader keert ook niet meer terug naar Iran; hij woont al 31 jaar niet meer in Iran en al 22 jaar in Nederland.

5.11

Het hof is van oordeel dat de vader en de moeder een even groot belang heeft bij toedeling van de woning aan de [adres] , waar zij gedurende lange tijd met elkaar hebben gewoond. Daarom geeft het algemeen belang (zie hiervoor onder 5.8) in dit geval de doorslag. Het algemeen belang is erin gelegen dat de kinderen, overeenkomstig hun sterke wens, op de [adres] , een bijzondere woonplek, blijven wonen. Zij wonen daar al hun hele leven. Nu de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder zal zijn, zal het hof de woning aan de moeder toedelen, zoals hierna in de beslissing is vermeld. Grief 3 slaagt.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige2] en de wijze van verdeling van de woning aan de [adres] en de hypothecaire geldlening, vernietigen en beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 18 december 2020, ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige2] en de wijze van verdeling van de woning [adres] en de hypothecaire geldlening, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat [de minderjarige2] met ingang van heden haar hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft;

gelast de wijze van verdeling van de woning [adres] , [woonplaats1] en bepaalt dat partijen deze woning zullen toedelen aan de moeder onder het financieringsvoorbehoud dat de bank de vader zal ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld, waartegenover de moeder de vader de helft van de overwaarde van de woning zal betalen, na aftrek van de hypotheekschuld en met betaling van de helft van de waarde van de spaarhypotheek;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B. Knottnerus, J.H. Lieber en I.G.M.T. Weijers-van der Marck, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 17 augustus 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.