Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:790

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-01-2021
Datum publicatie
05-02-2021
Zaaknummer
19/01120
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:3022, Overig
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Informatiebeschikking. Tussenuitspraak. Verzoek tot beperkte kennisneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 05-02-2021
FutD 2021-0417
V-N Vandaag 2021/296
NTFR 2021/650
V-N 2021/20.25.32
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 19/01120

uitspraakdatum: 26 januari 2021

Tweede tussenuitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

in het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van rechtbank Gelderland van 9 juli 2019, nummer AWB 18/1548, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Inspecteur heeft op de voet van artikel 52a van de Algemene wet inzake rijkbelastingen (hierna: AWR) ten aanzien van belanghebbende met dagtekening 16 november 2016 een informatiebeschikking vastgesteld.

1.2.

Het tegen deze beschikking door belanghebbende gemaakte bezwaar is door de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het eerste onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2020 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord: mr. [A] als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [B] alsmede – namens de Inspecteur – mr. [C] en [D] .

1.6.

Op 3 november 2020 heeft het Hof een (eerste) tussenuitspraak gedaan. Naar aanleiding daarvan heeft de Inspecteur nadere stukken overgelegd.

1.7.

Het tweede onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 13 januari 2021 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord: mr. [A] als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [B] alsmede – namens de Inspecteur – mr. [C] en [D] .

1.8.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Op 23 juli 2015 heeft de Belastingdienst in het kader van een groepsverzoek informatie opgevraagd bij de Zwitserse fiscale autoriteiten over rekeninghouders bij de Zwitserse bank UBS. In december 2016 heeft de Belastingdienst deze informatie op een usb-stick ontvangen van de Zwitserse autoriteiten.

2.2.

Op een van de bestanden op de usb-stick is de naam [X] vermeld, geboren [in] 1954, wonende te [Z] en houder van een rekening met nummer [00000] . Het saldo op deze rekening bedroeg op 1 februari 2013 CHF 185.815 en op 1 januari 2014 CHF 197.083.

2.3.

De Inspecteur heeft naar aanleiding van deze informatie belanghebbende op de voet van artikel 47 AWR verzocht informatie te verstrekken over deze bankrekening. Belanghebbende heeft geen gevolg gegeven aan dit verzoek.

2.4.

Daarom heeft de Inspecteur met dagtekening 16 november 2016 de onderhavige, met betrekking tot op te leggen belastingaanslagen IB/PVV over de jaren 2003 tot en met 2014, informatiebeschikking aan belanghebbende gegeven. Tegen deze informatiebeschikking heeft belanghebbende vergeefs bezwaar aangetekend.

2.5.

Het door belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep is door de Rechtbank ongegrond verklaard.

2.6.

Belanghebbende heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft in hoger beroep onder meer een uit 89 pagina’s bestaand memo ‘Aandachtspunten projecten Verhuld Vermogen’ overgelegd (versie 7 van 14 februari 2020; hierna: memo Verhuld Vermogen). Daarin zijn met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verschillende passages ‘geschoond’. Aan het Hof heeft de Inspecteur ook een ‘ongeschoonde’ versie van het memo Verhuld Vermogen verstrekt. Die versie is niet aan belanghebbende verstrekt.

2.7.

Op 3 november 2020 heeft het Hof een tussenuitspraak gedaan. Daarin is, kort gezegd, als volgt beslist:

“De slotsom van deze tussenbeslissing is als volgt.

De Inspecteur dient het ‘Memo Project Duitse Informatie (UBS)’ als een op de zaak betrekking hebbend stuk over te leggen (zie overweging 4.11). Wanneer de Inspecteur daarbij een beroep doet op beperkte kennisneming, zal zowel een ‘geschoonde’ versie van dit memo als een ‘ongeschoonde’ versie ervan moeten worden overgelegd. De ‘geschoonde’ versie zal aan belanghebbende worden verstrekt, de ‘ongeschoonde’ versie niet. Het verzoek tot beperkte kennisneming van dit memo zal op een tweede zitting op 13 januari 2021 worden behandeld.

Met betrekking tot het memo Verhuld Vermogen is beperkte kennisneming als door de Inspecteur verzocht gerechtvaardigd, behoudens met betrekking tot de passages als vermeld in overweging 4.20. Met inachtneming daarvan dient de Inspecteur een nieuwe ‘geschoonde’ versie van het memo Verhuld vermogen aan het Hof over te leggen. Na ontvangst daarvan en doorzending aan belanghebbende, zal aan belanghebbende toestemming worden gevraagd als bedoeld in artikel 8:29, lid 5, Awb. Deze toestemming zal worden gevraagd nadat het Hof een beslissing heeft genomen over het verzoek tot beperkte kennisneming van het ‘Memo Project Duitse Informatie (UBS)’. In het geval de beslissing van het Hof daartoe aanleiding geeft, zal het Hof aan belanghebbende immers wederom toestemming als bedoeld in artikel 8:29, lid 5, Awb moeten vragen. Bij het niet verlenen van bedoelde toestemming door belanghebbende zal de zaak naar een andere meervoudige kamer van het Hof worden verwezen ter verdere behandeling. Door toestemming voor (mogelijk) beide memo’s gelijktijdig te vragen beoogt het Hof de rechtsgang zo efficiënt mogelijk te laten verlopen. (…)”.

2.8

Bij brief van 26 november 2020, ingekomen bij het Hof op 30 november 2020, heeft de Inspecteur nadere stukken overgelegd, onder meer bestaande uit:

A. een nieuwe versie van het memo ‘Verhuld Vermogen’, waarin uitvoering is gegeven aan de tussenuitspraak van het Hof van 3 november 2020;

B. een ‘geschoonde’ versie van het memo ‘Project Duitse informatie (UBS)’, bestaande uit 13 projectstukken (die meerdere pagina’s beslaan), met een begeleidende brief van drie bladzijden;

C. een uit drie bladzijden bestaande brief met vijf – uit meerdere pagina’s bestaande – bijlagen, digitaal ondertekend op 15 respectievelijk 20 oktober 2020 en afkomstig van de Zwitserse autoriteiten die betrekking hebben op door de Belastingdienst op 26 september 2018 aan de Zwitserse autoriteiten gestelde vragen. In die documenten zijn enige passages onleesbaar gemaakt;

D. een aanvulling, bestaande uit drie pagina’s, op de stukken die de Inspecteur in de procedure bij de Rechtbank heeft overgelegd. Ook in die stukken zijn enige passages onleesbaar gemaakt.

2.9

Deze stukken zijn aan belanghebbende verstrekt.

2.10

De Inspecteur heeft voorts een ‘ongeschoonde’ versie van het memo ‘Project Duitse informatie (UBS)’ aan het Hof verstrekt. Die stukken zijn niet aan belanghebbende verstrekt.

3 Het geschil

In hoger beroep is in geschil of de onderhavige informatiebeschikking terecht is vastgesteld. Partijen houdt onder meer verdeeld of gewichtige redenen bestaan die een beperkte kennisneming van het memo ‘Project Duitse informatie (UBS)’ rechtvaardigen. Het Hof zal in deze tweede tussenuitspraak die vraag beantwoorden.

Niet in geschil is dat de Inspecteur met het hiervoor in 2.8 onder A genoemde stuk op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de tussenuitspraak van het Hof van 3 november 2020. Voorts is niet in geschil, naar belanghebbende ter zitting desgevraagd heeft verklaard, dat de in 2.8 onder C en D genoemde stukken op de zaak betrekking hebbende stukken vormen en dat de daarin onleesbaar gemaakte passages akkoord zijn bevonden door belanghebbende.

4 Beoordeling van het geschil

Juridisch kader

4.1.

Voor het juridische kader dat in deze procedure geldt, verwijst het Hof naar zijn overwegingen in 4.1 tot en met 4.9, 4.15 en 4.17 en 4.18 van zijn tussenuitspraak van 3 november 2020.

Beperkte kennisneming

4.2.

De Inspecteur heeft in hoger beroep (alsnog) het memo ‘Project Duitse informatie (UBS)’ als een op de zaak betrekking hebbend stuk overgelegd. Daarin heeft hij verschillende passages onleesbaar gemaakt met een beroep op beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29, lid 1, Awb. Volgens de Inspecteur rechtvaardigen gewichtige redenen de beperkte kennisneming van dat memo. Belanghebbende heeft zich hiertegen gemotiveerd verzet. Ter zitting heeft het Hof het volledige memo met partijen doorgenomen, waarbij het Hof zelf de ‘geschoonde’ versie heeft vergeleken met de ‘ongeschoonde’ versie ervan.

4.3.

Op verschillende pagina’s van het memo ‘Project Duitse informatie (UBS)’ zijn namen, telefoonnummers en e-mailadressen van belastingambtenaren om redenen van privacy onleesbaar gemaakt. Daarbij zijn door de Inspecteur NN-nummers vermeld die corresponderen met een door de Inspecteur bij de ongeschoonde versie van het memo ‘Project Duitse informatie (UBS)’ overgelegde lijst met namen van belastingambtenaren. Daardoor zijn deze ambtenaren volgens de Inspecteur wel individualiseerbaar. Voorts zijn op verschillende pagina’s van het memo ‘Project Duitse informatie (UBS)’ de gegevens van buitenlandse ambtenaren en de persoonsgegevens van derden om redenen van privacy onleesbaar gemaakt. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof verklaard hiermee niet te kunnen instemmen. Naar het oordeel van het Hof weegt het beschermen van de privacy van deze groepen van personen in het onderhavige geval aanzienlijk zwaarder dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die gegevens.

4.4.

Voorts zijn in het memo ‘Project Duitse informatie (UBS)’ op verschillende pagina’s passages door de Inspecteur onleesbaar gemaakt met als argumenten, kort gezegd, ‘het belang van de Belastingdienst bij een effectieve controle en controle- en/of behandelstrategie, waaronder bergrepen een effectieve en efficiënte interne werkwijze en het voorkomen van calculerend en/of anticiperend gedrag van belastingplichtigen’. Volgens belanghebbende vormen deze argumenten geen deugdelijke grond om beperkte kennisneming van deze passages te rechtvaardigen. Naar het oordeel van het Hof vormen de door de Inspecteur genoemde argumenten daarentegen wel een deugdelijke grond voor beperkte kennisneming van die passages en wegen zij aanzienlijk zwaarder dan het belang van belanghebbende in deze zaak bij kennisneming van die gegevens.

Slotsom

Met betrekking tot het ‘Memo Project Duitse Informatie (UBS)’ is beperkte kennisneming als door de Inspecteur bepleit, gerechtvaardigd. De door de Inspecteur overgelegde en aan belanghebbende verstrekte ‘geschoonde’ versie van het memo ‘Project Duitse informatie (UBS)’ kan in deze procedure door de beugel.

Belanghebbende heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij met betrekking tot het memo ‘Verhuld vermogen’ geen toestemming verleent als bedoeld in artikel 8:29, lid 5, Awb. Dit betekent dat de zaak voor inhoudelijke behandeling ervan moet worden verwezen naar een andere belastingkamer van het Hof. De ‘ongeschoonde’ versies van het memo ‘Verhuld vermogen’ en het memo ‘Project Duitse informatie (UBS)’ worden niet aan die andere belastingkamer ter beschikking gesteld. Die stukken worden afzonderlijk bewaard.

Proceskosten

Een beslissing met betrekking tot de proceskosten zal worden genomen in de einduitspraak van deze procedure.

5 Tussenbeslissing

Het Hof:

  • -

    bepaalt dat beperkte kennisneming van het memo ‘Project Duitse informatie (UBS)’ als door de Inspecteur is bepleit, gerechtvaardigd is,

  • -

    verwijst de zaak ter verdere behandeling ervan naar een andere meervoudige belastingkamer van het Hof.

Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. M.G.J.M. van Kempen en mr. I. Linssen, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De tussenbeslissing is op 26 januari 2021 in het openbaar uitgesproken.

De griffier De voorzitter,

(E.D. Postema)

(R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 26 januari 2021.

Tegen deze tussenuitspraak staat geen rechtsmiddel open.