Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:7862

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-08-2021
Datum publicatie
19-08-2021
Zaaknummer
200.272.969
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzet tegen dwangbevelen ongegrond verklaard omdat de reden waarom de aanslagen mogelijk niet in overeenstemming zijn met de materiële belastingschuld te wijten is aan de eigen proceshouding van belastingplichtige nu zij te laat inzicht heeft gegeven in haar buitenlandse vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 19-8-2021
FutD 2021-2631
V-N Vandaag 2021/2007
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof: 200.272.969

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland: NL19.5733)

arrest van 17 augustus 2021

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. R. Zilver,

tegen:

de ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/KANTOOR UTRECHT,

zetelend te Utrecht,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de Ontvanger,

advocaat: mr. E.E. Schipper.

1 Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 9 december 2019,

  • -

    het anticipatie-exploot van 8 januari 2020,

  • -

    de memorie van grieven,

  • -

    de memorie van antwoord,

  • -

    de akte van [appellante] ,

  • -

    de antwoordakte van de Ontvanger.

1.2.

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

2.1.

De belastingdienst heeft in oktober 2000 informatie verkregen over bij de bank KB Lux in Luxemburg aangehouden bankrekeningen door Nederlandse belastingplichtigen. Gebleken is toen dat [appellante] twee bankrekeningen bij KB Lux had waarop op 31 januari 1994 een tegoed stond. [appellante] had in haar belastingaangiften de bankrekeningen bij KB Lux en de tegoeden op die rekeningen niet aan de belastingdienst opgegeven.

2.2.

De belastingdienst heeft [appellante] verzocht de tegoeden bij KB Lux alsnog op te geven, maar [appellante] heeft dat toen niet gedaan. De inspecteur heeft vervolgens in december 2003 en januari 2004 tien navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 1991 tot en met 2000 aan [appellante] opgelegd en negen navorderingsaanslagen vermogensbelasting over de jaren 1992 tot en met 2000 (hierna: de aanslagen). De hoogtes van de aanslagen zijn berekend aan de hand van schattingen van de tegoeden van [appellante] bij KB Lux. Die schattingen zijn op hun beurt gebaseerd op informatie van Nederlandse belastingplichtigen die wel aan het verzoek van de belastingdienst voldeden om hun tegoeden bij KB Lux op te geven.

2.3.

De aanslagen zijn verhoogd met boetes en heffingsrente. [appellante] heeft tevergeefs bij de belastingdienst bezwaar gemaakt tegen de aanslagen. [appellante] heeft daarna beroep ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam. Het gerechtshof Amsterdam heeft de aanslagen gedeeltelijk verminderd, waarna [appellante] beroep in cassatie heeft ingesteld bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft de aanslagen in stand gelaten voor zover het de schattingen betreft en de zaken wat betreft de boetes verwezen naar het gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling. Het gerechtshof Den Haag heeft uitspraak gedaan over de boetes en na cassatieberoep heeft de Hoge Raad de zaken verwezen naar het gerechtshof ’s Hertogenbosch voor verdere behandeling. Partijen hebben bij het gerechtshof ’s Hertogenbosch overeenstemming over de hoogte van de boetes bereikt.

2.4.

[appellante] heeft op 16 juni 2014 alsnog informatie aan de inspecteur verstrekt over het verloop van haar bankrekeningen bij KB Lux over de jaren 1996 tot en met 2012. De werkelijke tegoeden bij KB Lux waren lager dan de geschatte tegoeden waar de inspecteur voor de berekening van de aanslagen vanuit was gegaan. [appellante] heeft de inspecteur op 25 november 2015 verzocht om op grond van artikel 9.6 lid 3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 over te gaan tot ambtshalve vermindering van de aanslagen. De inspecteur heeft dit verzoek op 17 december 2015 afgewezen. [appellante] heeft de Ontvanger op 7 mei 2017 bericht dat “de in geding zijnde aanslagen wat de materiële verschuldigdheid betreft zodanig twijfelachtig zijn, dat [de Ontvanger] in redelijkheid niet had mogen beslissen om tot invordering daarvan over te gaan.” en verzocht de aanslagen kwijt te schelden dan wel buiten invordering te stellen voor zover zij betrekking hebben op meer dan de werkelijke c.q. materieel verschuldigde bedragen. De ontvanger heeft dit verzoek afgewezen. Het beroep van [appellante] daartegen bij de directeur van de belastingdienst is ook afgewezen.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1.

[appellante] heeft in eerste aanleg (in conventie) – samengevat – gevorderd een verklaring voor recht dat [appellante] opposant is tegen de tenuitvoerlegging van de door de Ontvanger uitgevaardigde dwangbevelen ter zake van negentien aanslagen en dat die dwangbevelen buiten effect zijn gesteld. Daarnaast heeft [appellante] gevorderd de Ontvanger te veroordelen om zich te onthouden van enige invorderingsmaatregelen en tot vergoeding van door [appellante] geleden schade.

3.2.

De rechtbank heeft bij mondelinge uitspraak van 11 september 2019 (het bestreden vonnis) het verzet van [appellante] ongegrond verklaard en de vorderingen van [appellante] afgewezen.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1.

[appellante] is daartegen in hoger beroep gekomen met twee grieven en vordert vernietiging van het vonnis van de rechtbank en dat haar vordering alsnog worden toegewezen.

4.2.

Tussen partijen is in geschil of de Ontvanger onrechtmatig handelt en/of in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door dwangbevelen ten uitvoer te leggen voor aanslagen die volgens [appellante] onjuist zijn.

4.3.

Op grond van artikel 17 lid 1 en 3 Invorderingswet kan een belastingschuldige tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel in verzet komen maar dat verzet kan niet gegrond zijn op het verweer dat de belastingaanslag ten onrechte of tot een hoog bedrag is vastgesteld. Deze bepaling is opgenomen om dubbele procedures over de hoogte van de belastingaanslag te voorkomen. De belastingrechter is namelijk bij uitsluiting bevoegd om te oordelen over het opleggen en de hoogte van de onderliggende belastingaanslagen. De Memorie van Toelichting1 vermeldt echter het volgende:

“Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen waarin de tenuitvoerlegging van een dwangbevel ter zake van een belastingaanslag die weliswaar in formele zin op de juiste wijze is vastgesteld, doch ten aanzien waarvan op zijn minst twijfel mogelijk is of die aanslag wel in overeenstemming is met de materiële belastingschuld, strijd oplevert met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Onder zulke omstandigheden had de ontvanger in redelijkheid niet tot de tenuitvoerlegging mogen overgaan.”

4.4.

In deze procedure kan dus enkel getoetst worden of er omstandigheden zijn die maken dat de Ontvanger in redelijkheid niet tot de tenuitvoerlegging van de dwangbevelen mag overgaan. [appellante] heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de Ontvanger te allen tijde moet handelen volgens de beginselen van behoorlijk bestuur. Bij de vraag of de Ontvanger dit heeft gedaan zijn alle omstandigheden van belang. Het hof acht in deze zaak de volgende omstandigheden van belang. [appellante] had de verplichting om haar buitenlandse vermogen op te geven bij haar aangiften voor de inkomstenbelasting en vermogensbelasting. Dit heeft zij niet gedaan, ook niet nadat de belastingdienst bekend was geworden met haar bankrekeningen en haar heeft verzocht de tegoeden bij KB Lux alsnog op te geven. De navorderingsaanslagen van [appellante] zijn daarom vastgesteld op basis van een schatting. Tegen de navorderingsaanslagen stond een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang open die [appellante] volledig heeft benut en waarin haar bezwaren inhoudelijk zijn getoetst. Ook in die procedures heeft [appellante] geen openheid van zaken gegeven. De aanslagen zijn uiteindelijk onherroepelijk vast komen te staan en hebben formele rechtskracht.

4.5.

Dat bij de oplegging van de navorderingstaanslagen niet is uitgegaan van de werkelijke gegevens, maar is uitgegaan van een schatting van het vermogen van [appellante] , waardoor de aanslagen mogelijk niet in overeenstemming zijn met de materiële belastingschuld, is derhalve te wijten aan de eigen proceshouding van [appellante] . [appellante] stelt dat haar proceshouding geen bewuste strategische keuze van haar is geweest omdat zij slechts het advies van haar toenmalige advocaat heeft gevolgd en inmiddels afscheid heeft genomen van deze advocaat. [appellante] heeft echter niet toegelicht wat haar advocaat precies heeft geadviseerd en waarom de door haar gekozen proceshouding geen bewuste strategische keuze is geweest. [appellante] heeft ervoor gekozen, al dan niet op advies van haar advocaat, om bezwaar te maken tegen de navorderingsaanslagen op de grond dat de belastingdienst gebruik had gemaakt van onrechtmatig verkregen bewijs en op onrechtmatige wijze informatie had vergaard. Pas toen bleek dat dit standpunt niet werd gevolgd en de navorderingsaanslagen terecht bleken te zijn opgelegd, heeft [appellante] alsnog inzage gegeven in haar bankgegevens waarna zij heeft verzocht om de aanslagen te verminderen. Zonder verdere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat dit geen bewuste strategische keuze was. Voor zover [appellante] meent dat zij verkeerd is geadviseerd door haar voormalige advocaat geldt dat dit voor haar rekening komt. Dit is echter geen omstandigheid die maakt dat de tenuitvoerlegging strijd oplevert met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. [appellante] heeft geen andere omstandigheden naar voren gebracht waardoor de tenuitvoerlegging strijd oplevert met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De stelling van [appellante] dat de navorderingsaanslagen onjuist zouden zijn is, zoals hiervoor overwogen, niet voldoende. De conclusie is dan ook dat niet is gebleken dat er sprake is van omstandigheden waarin de tenuitvoerlegging strijd oplevert met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, dan wel dat de Ontvanger onrechtmatig handelt door tot tenuitvoerlegging van de dwangbevelen over te gaan.

4.6.

[appellante] heeft daarnaast een beroep gedaan op artikel 1.1.5 van de Leidraad Invordering 2008. Daarin is bepaald:

“Naast het zoveel mogelijk handelen in overeenstemming met de Awb moet de ontvanger bij zijn handelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht nemen, ook als sprake is van privaatrechtelijke handelingen (beslag, executoriale verkoop en dergelijke). Dit betekent onder meer dat als de belastingschuldige in een verzoek aan de Belastingdienst aannemelijk heeft gemaakt dat er gegronde twijfels zijn bij de verschuldigdheid van een onherroepelijk geworden belastingaanslag, de ontvanger de belastingaanslag marginaal toetst. Onder een onherroepelijk vaststaande belastingaanslag wordt in dit verband verstaan een belastingaanslag waartegen geen bezwaar of beroep meer open staat en waarvoor evenmin een ambtshalve beoordeling mogelijk is in verband met termijnoverschrijding. Wanneer bij de marginale toetsing blijkt dat een belastingaanslag in materiële zin niet verschuldigd kan worden geacht, neemt de ontvanger voor een dergelijke aanslag geen invorderingsmaatregelen. Onder invorderingsmaatregelen worden niet alleen dwangmaatregelen zoals de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, maar ook de verrekening van een belastingaanslag met belastingteruggaven begrepen. Uitgangspunt hierbij is dat de marginale toetsing zich beperkt tot feiten die de ontvanger bekend zijn op het moment dat hij tot invordering overgaat. De verrekening van een belastingaanslag waarvan is gebleken dat die in materiële zin niet verschuldigd is met een belastingteruggave wordt niet ongedaan gemaakt, tenzij het verzoek daartoe heeft plaatsgevonden binnen één maand nadat de verrekening is bekendgemaakt.”

4.7.

[appellante] stelt dat deze regeling moet worden uitgelegd in de zin dat de Ontvanger nooit tot tenuitvoerlegging van dwangbevelen mag overgaan indien uit een marginale toetsing blijkt dat een belastingaanslag in materiële zin niet verschuldigd kan worden geacht. Deze uitleg kan niet gevolgd worden. Het hof is met de Ontvanger van oordeel dat deze bepaling toepassing mist in een geval als het onderhavige waarbij de omstandigheid dat de aanslagen mogelijk niet in overeenstemming zijn met de materiële belastingschuld te wijten is aan de eigen proceshouding van [appellante] en dat de navorderingstoeslagen inhoudelijk zijn getoetst tot in de hoogste instantie. In dat geval handelt de Ontvanger niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals hiervoor is overwogen.

4.8.

De verwijzing naar de uitspraak van de Nationale Ombudsman van 18 april 2016 kan [appellante] niet baten. Hier was sprake van andere omstandigheden waarbij de aanslagen niet inhoudelijk waren getoetst door de belastingrechter omdat het griffierecht niet was betaald.

4.9.

[appellante] heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat deze zaak steeds meer paralellen begint te vertonen met de toeslagenaffaire, in die zin dat sprake is van uitvoering van wet- en regelgeving die het niet of nauwelijks toelaat om aan de individuele situatie van burgers recht te doen, bijvoorbeeld als die zonder kwade opzet een vergissing begingen. Deze vergelijking gaat niet op en het past niet om in onderhavige zaak die vergelijking te maken. Zoals hiervoor is overwogen kan in dit geval juist niet worden gesproken over een door [appellante] begane vergissing. [appellante] heeft minstens twintig jaar bewust geweigerd openheid van zaken te geven over haar buitenlands vermogen, ook nadat haar hierom expliciet is gevraagd en ook in de door [appellante] ingestelde fiscale procedures. Hierdoor heeft [appellante] jarenlang ten onrechte geen belasting betaald. Dat [appellante] nu meer belasting dient te betalen dan wanneer zij deze openheid van zaken wel had gegeven, is dus enkel en alleen te wijten aan haar eigen houding. Hier is geen sprake van onrecht waartegen [appellante] beschermd dient te worden.

4.10.

Uit het voorgaande volgt dat de grieven niet opgaan en dat het bestreden vonnis bekrachtigd dient te worden.

5 De slotsom

5.1.

De grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

5.2.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellante] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de Ontvanger zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 0,00

- griffierecht € 741,00

- salaris advocaat € 1.671,00 (1,5 punt x tarief II á € 1.114,00)

Totaal € 2.412,00

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

6.1.

bekrachtigt het vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland van 11 september 2019,

6.2.

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van de Ontvanger vastgesteld op € 2.412,00,

6.3.

verklaart de veroordeling onder 6.2 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.J.H.G. Bronzwaer, O.G.H. Milar en H.F.P. van Gastel, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2021.

1 Kamerstukken II 1987/88, 20 588, nr. 3, p. 54