Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:7829

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-08-2021
Datum publicatie
13-09-2021
Zaaknummer
Wahv 200.253.956/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitgebreide behandeling en verwerping van verweren over de rechtmatigheid van de inzet van het meetmiddel en de betrouwbaarheid van het meetresultaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.253.956/01

CJIB-nummer

: 211944340

Uitspraak d.d.

: 16 augustus 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 20 november 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De gemachtigde van de betrokkene is S.J.J.G. Fernandes, kantoorhoudende te Voorburg.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.

Op verzoek van de griffier van het hof heeft de advocaat-generaal nadere informatie in het geding gebracht. De gemachtigde heeft op deze informatie gereageerd.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de hoorplicht is geschonden. De officier van justitie had het niet accepteren van de voorgestelde data voor een hoorzitting door de gemachtigde niet mogen interpreteren als het afzien van het recht te worden gehoord. De kantonrechter heeft dit miskend.

2. De officier van justitie heeft de gemachtigde bij brief van 25 januari 2018 uitgenodigd voor een hoorzitting op 21 februari 2018 en de mogelijkheid geboden om via een antwoordformulier de voorkeur op te geven voor een telefonische hoorzitting op 22 februari 2018. In reactie hierop heeft de gemachtigde bij brief van 6 februari 2018 onder meer verzocht om na ontvangst van de beroepsgronden alsnog een hoorzitting te houden en opgegeven dat hij op de voorgestelde data van de hoorzitting verhinderd is. Er wordt geen afstand gedaan van het recht te worden gehoord.

3. In de beslissing van de officier van justitie wordt vermeld dat de gemachtigde zonder geldige reden geen gebruik heeft gemaakt van de geboden mogelijkheid om het beroep mondeling toe te lichten. Dit wordt gezien als een mededeling conform artikel 7:17 aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Daarom is door de officier van justitie afgezien van het horen.

4. De opvatting van de officier van justitie dat de reactie van de gemachtigde moet worden opgevat als mededeling conform artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Awb is onjuist. Er doen zich, gelijk de advocaat-generaal in het verweerschrift ook heeft gesteld, geen gronden voor waarop van horen kon worden afgezien. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren, die beslissing vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen. De overige bezwaren tegen beslissingen van de officier van justitie en de kantonrechter behoeven aldus geen bespreking meer.

5. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 143,- voor: “Overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 18 km/h (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 27 oktober 2017 om 02.55 uur op de A12 (trajectcontrole, links) in ’s-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

De bevoegdheid van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd

6. De gemachtigde voert aan dat reden bestaat tot twijfel aan de bevoegdheid van de ambtenaar, in het bijzonder aan diens bekwaamheid en betrouwbaarheid. Daartoe is aangevoerd dat het boa-getuigschrift en de Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) niet zijn te relateren aan de betreffende ambtenaar. Het getuigschrift is geanonimiseerd, in de VOG staat een andere functie vermeld dan die de ambtenaar heeft en in beide documenten staan verschillende functies vermeld, respectievelijk: Medewerker Invoer en Medewerker Verwerken en Behandelen. Onder verwijzing naar een arrest van het hof van 11 augustus 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:6940) kan volgens de gemachtigde niet slechts van de akte van beëdiging worden uitgegaan om de bevoegdheid van de ambtenaar te kunnen beoordelen.

7. Uit het zaakoverzicht volgt dat de onderhavige sanctie is opgelegd door ambtenaar ‘ [nummer1] ’, die als buitengewoon opsporingsambtenaar is beëdigd bij akte met nummer [nummer2] .

8. Door de advocaat-generaal is in hoger beroep een proces-verbaal met akte van beëdiging van 13 maart 2013 overgelegd, betreffende de ambtenaar met nummer [nummer1] . De advocaat-generaal wijst er verder op dat de VOG op 26 november 2012 en aldus voorafgaand aan de beëdiging tot boa voor het domein generieke opsporing is afgegeven.

9. Het bestaan van de bevoegdheid van de betreffende ambtenaar is het uitgangspunt (vgl. het arrest van het hof van 23 december 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:10797). Dit is slechts anders indien hetgeen wordt aangevoerd gerede twijfel doet ontstaan over de bevoegdheid van de ambtenaar. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Het bezwaar treft geen doel.

De in hoger beroep overgelegde stukken met betrekking tot de vaststelling van de gedraging

10. De gemachtigde heeft aangevoerd dat de in hoger beroep door de advocaat-generaal overgelegde stukken tardief zijn. In de eerdere fasen van de procedure was slechts sprake van een niet-ambtsedige verklaring van de ambtenaar die uitdrukkelijk is betwist zodat daaraan geen doorslaggevende betekenis mag worden toegekend.

11. Het hof deelt niet de opvatting van de gemachtigde dat het inbrengen van aanvullende informatie door de advocaat-generaal in hoger beroep tardief is, nu dit heeft plaatsgevonden in reactie op wat de gemachtigde in hoger beroep heeft aangevoerd. Het hof zal deze informatie bij de beoordeling van het hoger beroep betrekken.

De betrouwbaarheid van de meting en de rechtmatigheid van de inzet van het meetmiddel

12. De gemachtigde stelt dat aan de beeldregistraties geen betekenis kan worden toegekend, omdat deze niet voldoen aan de vereisten van het Concept voorschriften meetmiddelen politie (CVMP). Zo ontbreken bij de vermelde gegevens het serienummer van het handhavingsmiddel, de positie van het voertuig en de aanduiding van de categorie meetmiddel. Nu de advocaat-generaal erkent dat niet aan alle vereisten van het CVMP is voldaan, is de conformiteitsverklaring van de NMi niet op goede gronden afgegeven en aldus ongeldig. Ingevolge artikel 1 van de Regeling meetmiddelen politie had het handhavingsmiddel dan ook niet ingezet mogen worden en moet het daarmee vergaarde van het bewijs worden uitgesloten. Uit de logging van de politie volgt verder dat het handhavingsmiddel op 7 juli 2017 is uitgeschakeld wegens onderhoudswerkzaamheden. Volgens artikel 2, derde lid, van de Regeling meetmiddelen politie verliest een verklaring, die is afgegeven ten aanzien van het handhavingsmiddel, zijn geldigheid bij een herstelling of verandering van het meetmiddel, indien deze op het meetresultaat van invloed kan zijn. Gelet hierop en bij gebreke van een deugdelijk logboek, acht de gemachtigde het niet onaannemelijk dat van het voornoemde sprake is geweest. Evenmin is voldaan aan de vereisten van de Instructie snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers, omdat het tijdstip van ingebruikname slechts in een e-mailbericht is verzonden en de naam van de politiemedewerker die deze handeling heeft verricht onzichtbaar is gemaakt. Uit de e-mail volgt verder dat het in handhaven zetten zou zijn verricht door een medewerker Intake & Service. Aldus is niet gebleken dat de handeling is verricht door een bevoegde opsporingsambtenaar.

13. Artikel 14.5.1 van het CVMP houdt in dat de trajectsnelheidsmeter moet zijn voorzien van een registratie-inrichting waarmee, onverminderd het bepaalde in 5.1.16, de volgende registraties plaatsvinden:

- Het voertuig waarvan de snelheid wordt gemeten;

- De positie van het voertuig ten opzichte van het begin en het einde van het meettraject;

- Datum en tijdstip van de meting;

- De meetlocatie;

- Overige informatie noodzakelijk voor de juiste interpretatie van het meetresultaat.

14. Artikel 5.1.16 van het CVMP luidt:
"Voor zover de instrumenten zijn voorzien van een registratie-inrichting moeten op elke registratie ten minste de aanduidingen genoemd in 5.1.15 onder d, e, f en h worden vastgelegd."

15. De aanduidingen van artikel 5.1.15 van het CVMP, zoals hiervoor genoemd:

Voor zover niet anders bepaald, moet elk meetmiddel zijn voorzien van de volgende opschriften:
"(…)

d. Het typegoedkeuringsnummer;

e. Het serienummer;

f. De eenheid waarin de gemeten grootheid wordt uitgedrukt;

(…)

h. De categorie aanduiding in de vorm: "Categorie [X]", waarbij [X] staat voor A, B of C"

16. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting geteste, geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikte trajectsnelheidsmeter op basis van factoren tijd en afstand.

Gemeten (afgelezen) snelheid : 102 km per uur.

Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid : 98 km per uur.

Toegestane snelheid : 80 km per uur.

Overschrijding met : 18 km per uur.

(…)

De werkelijke snelheid is het resultaat van een overeenkomstig de geldende Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers van het College van Procureurs-Generaal, uitgevoerde correctie op de met het meetmiddel gemeten (afgelezen) snelheid.

(…)

Ter hoogte van hectometerpaal/pandnummer: 3.6L”

17. Door de advocaat-generaal is in hoger beroep een afschrift van een NMi-verklaring van 3 juli 2017 overgelegd. Hieruit volgt dat de trajectlengte 2190 meter bedraagt, beginnend bij hectometerpaal 5.8 en eindigend bij hectometerpaal 3.6. Verder worden vermeld: als typegoedkeuringsnummer ‘TP8856’, als waarde voor het locatiecertificaat '2050496' en als checksum '139'. Ook staat bij de gegevens dat de categorie gebruikte trajectsnelheidsmeter 'A' betreft. Uit de verklaring blijkt dat de trajectsnelheidsmeter voldeed aan de Concept voorschriften meetmiddelen politie. Het onderzoek is verricht op 13 juni 2017 en de verklaring gold voor de duur van 12 maanden.

18. In het dossier bevinden zich twee foto's van de gedraging. Op beide foto’s is de achterzijde van het voertuig van de betrokkene te zien. Het kenteken is goed leesbaar. Onderaan de foto's is weergegeven op welke datum en tijdstippen de foto's zijn gemaakt.

19. De advocaat-generaal heeft omtrent de gegevens in de databalk van de foto’s navraag gedaan bij de heer [naam1] , [functie] bij de sectie Verkeershandhaving van de DVOM. Zijn toelichting houdt onder meer het volgende in:

- uit de gegevens bij de eerste foto volgt dat de meting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2017 om 02:54:05 op de volgende locatie: Rijksweg A4 op het weefvak (WF) met de Rijksweg A12 ter hoogte van hectometerpaal 5.8 + 30 meter Links, rijstrook 2, zoals aangegeven als ‘Wegnummer’, ‘Baan’ en ‘Entry bij hm’ op de NMi-verklaring van 3 juli 2017;

- de gegevens bij de tweede foto houden in dat de meting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2017 om 02:55:22 op de Rijksweg A12 op de hoofdrijbaan (HR) ter hoogte van hectometerpaal 3.6 + 40 meter Links, rijstrook 2, zoals aangegeven als ‘Wegnummer’, ‘Baan’ en ‘Exit bij hm’ op de NMi-verklaring van 3 juli 2017;

- bij de foto's worden het typegoedkeuringsnummer ‘TP8856’, de checksum van de software ‘SW 11289’ en de checksum van de configuratie-instellingen ‘CF 139’weergegeven. Deze gegevens zijn te koppelen aan voornoemde NMi-verklaring.

20. In een aanvullend proces-verbaal van 5 juni 2019 verklaart ambtenaar [naam2] dat uit de interne systemen van de politie blijkt dat op 7 juli 2017 om 13:08 uur de trajectcontrole op de rijksweg A12 links weer in handhaven is gezet. Dit is de laatst geregistreerde handeling. Door een administratieve interne fout is deze handeling niet geregistreerd en meegenomen in de logging van de politie. De mailwisseling waaruit blijkt dat de trajectcontrole weer in werking is gezet op 7 juli 2017 is bijgevoegd.

21. De griffier van het hof heeft de advocaat-generaal bij brief van 25 maart 2021 verzocht te reageren op het verweer ten aanzien van de vereisten van de Instructie snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers en daarbij onder meer antwoord te geven op de volgende vragen:

1. Wat houdt de handeling "in handhaven zetten" in?

2. Wat moet in de zin van de Instructie snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers worden verstaan onder het in gebruik stellen van het handhavingsmiddel?
3. Moet daaronder ook worden begrepen het in handhaven stellen van het handhavingsmiddel?

22. Op 4 mei 2021 is door de advocaat-generaal een reactie met aanvullende informatie ingebracht. De inhoud wordt hieronder - voor zover van belang - weergegeven.

23. [naam3] , [functie] DVOM heeft de door het hof gestelde vragen als volgt beantwoord:
"1. "In handhaven zetten" betekent dat een verbalisant (…) in het digitale bedieninterface van een handhavingsmiddel, in de regel door het aanklikken van een bedienknop, de handhaaffunctie van het handhavingsmiddel inschakelt.
NB: Dit is uitsluitend mogelijk als het handhavingsmiddel in de zgn. toestand "Stand-by" staat.

2. In die zin wordt onder "het in gebruik stellen" hetzelfde verstaan als onder "in handhaven zetten" (…)

3. Ja, in de zin van de Instructie zijn deze begrippen gelijk."

24. Ook is bij [naam4] , verkeersspecialist, navraag gedaan. Hij heeft ten aanzien van de vragen onder meer het volgende opgemerkt:
"In de Instructie is in 1.2 sprake van een geautomatiseerde snelheidscontrole m.b.v. digitale apparatuur (…) waarbij de onder punt 2 genoemde fase betrekking heeft op o.a. de trajectcontrole:
2. het plaatsen, afstellen en inwerkingstellen van een mobiel volledig geautomatiseerd digitaal systeem of het inwerkingstellen van een vast opgesteld volledig geautomatiseerd digitaal systeem.
(…)
Of het systeem goed werkt en juist is afgesteld valt voor ons, vaak, niet te controleren i.v.m. de complexiteit van de systemen. Dit is echter afgevangen door het afgegeven ijkrapport. Hier staat immers vermeld dat het systeem aan de gestelde eisen voldoet.
Indien een systeem in handhaven wordt gezet, dit kan dus los staan van de schouw, wordt het tijdstip waarop (…) vermeld. Zowel de schouw als het in handhaven zetten moeten gedaan worden door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor de trajectcontroles zijn dit de collega's van de Landelijke Eenheid.
Het in handhaven zetten is eigenlijk niet meer dan een softwarematige instructie aan het systeem om in handhaving te gaan. Het systeem zal zich dan zelf controleren en als er geen (systeem)fouten zijn, zal het systeem vanaf dat moment van elke overschrijding een opname maken.
Het in gebruik stellen van een systeem hoeft niet perse gelijk te zijn aan het in handhaven zetten. Het is mogelijk om het systeem aan te zetten, zonder dat er handhaving plaats gaat vinden. (…) Het systeem staat dus aan, maar constateert geen overtredingen.
Al deze handelingen worden gelogd door de LE (naar het hof begrijpt: de Landelijke Eenheid)."

25. Verder is door de advocaat-generaal een aanvullend proces-verbaal van 4 mei 2021 overgelegd van [naam5] , opsporingsambtenaar met boa aktenummer: [nummer3] . Hij verklaart dat hij op 7 juli 2017 belast was met de bediening van de handhavingsmiddelen en op die datum om 13:08 uur de trajectcontrole op de A12 in Den Haag op verzoek van DVOM - via de e-mail - op handhaven heeft gezet. Hij heeft de zender van deze e-mail beantwoord en is vergeten om dit in de database te loggen. Dit betekent dat op politie.nl deze trajectcontrole niet in handhaven stond, terwijl dit wel het geval was. Ten tijde van de gedraging op 27 oktober 2017 om 02:55 uur was de trajectcontrole dan ook volgens interne bedrijfssystemen daadwerkelijk in handhaven, aldus de ambtenaar.

26. Uit de door de advocaat-generaal bijgevoegde aktes en processen-verbaal van beëdiging blijkt dat [naam5] als buitengewoon opsporingsambtenaar is beëdigd.

27. De gemachtigde blijft erbij dat niet kan worden vastgesteld in hoeverre het handhavingsmiddel ten tijde van de controle in handhaven was gezet en zo ja, of deze handeling is verricht door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Hij acht het onacceptabel dat het systeem te complex is voor opsporingsambtenaren om deze op een goede werking te controleren, nu de Instructie daartoe een zelfstandige verplichting oplegt. Er kan dan ook niet worden volstaan met de verwijzing naar een eventuele conformiteitsverklaring van het NMi, nu dit niet ziet op een controle van de goede werking van het handhavingsmiddel bij een inwerkingtreding. De opsporingsambtenaar in deze zaak erkent dat hij verzuimd heeft een proces-verbaal op te maken van de uitgevoerde (opsporings)handelingen. Het overgelegde aanvullende proces-verbaal kan dit gebrek niet herstellen, aangezien dit vier jaar na dato is opgesteld en daardoor niet meer als geloofwaardig kan worden beschouwd. Verder is het proces-verbaal opgemaakt op grond van de akte van beëdiging met nummer [nummer3] . Deze akte is niet overgelegd en de wel overgelegde aktes waren al ruim verlopen op het moment van het opmaken van het proces-verbaal, zodat de bevoegdheid van de ambtenaar niet vaststaat.

28. Het hof is van oordeel dat de bezwaren van de gemachtigde betreffende de betrouwbaarheid van de meting en de rechtmatigheid van de inzet van het meetmiddel geen doel treffen en overweegt daartoe als volgt.

29. Vooropgesteld wordt dat de eis dat de aanduiding van de positie van het voertuig ten opzichte van het begin en het einde van het meettraject op de foto's moet zijn vermeld, niet voortvloeit uit de CVMP. Het hof verwijst hierbij naar het arrest van 25 januari 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:632), waarin de gemachtigde hetzelfde verweer heeft gevoerd. Wel moet worden vastgesteld dat het serienummer van de trajectsnelheidsmeter niet uit de gegevens bij de foto's is te herleiden. De strekking van dat vereiste is dat de foto's gekoppeld moeten kunnen worden aan het gebruikte snelheidsmeetmiddel. Het hof is van oordeel dat in deze zaak die koppeling volgt uit het zowel bij de foto's als in de NMi-verklaring vermelde typegoedkeuringsnummer en checksum van de configuratie-instellingen. Ook de vermelding van de categorie aanduiding, die op de foto's ontbreekt, wordt in de NMi-verklaring weergegeven. Daarom kan dit bezwaar niet leiden tot de conclusie dat de foto’s niet bruikbaar zijn. Evenmin brengt de omstandigheid dat de beeldregistraties niet aan alle vereisten van de CVMP voldoen, mee dat het handhavingsmiddel niet aan de daartoe gestelde vereisten voldoet. De klacht dat de NMi-verklaring om die reden ongeldig is, treft dan ook geen doel.

30. In de lijn van voornoemd arrest en het arrest van het hof van 3 maart 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:2078) leidt ook in deze zaak de omstandigheid dat de betreffende trajectsnelheidsmeter op 7 juli 2017 buiten (en weer in) handhaven is gesteld vanwege onderhoudswerkzaamheden, niet tot de conclusie dat het meetmiddel ten tijde van de gedraging niet geijkt was of niet goed heeft gefunctioneerd. Dat sprake is geweest van een herstelling of verandering van het meetmiddel ex artikel 2 van de Regeling meetmiddelen politie, ten gevolge waarvan de afgegeven verklaring ten aanzien van het handhavingsmiddel zijn geldigheid verliest, is niet gebleken.

31. Verder kan vastgesteld worden dat volgens de Instructie een opsporingsmiddel slechts kan worden ingezet voor opsporing als het door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar in gebruik is gesteld dan wel in handhaving is gezet. Uit de verklaringen van voornoemde verkeersspecialisten volgt dat met het aanklikken van een bedienknop de handhaaffunctie van het handhavingsmiddel wordt ingeschakeld, waarmee een softwarematige instructie aan het systeem wordt gegeven om in handhaving te gaan. Het systeem controleert zichzelf en als er geen foutmeldingen zijn, is het handhavingsmiddel klaar voor gebruik. Ambtenaar [naam5] verklaart dat hij op 7 juli 2017 om 13:08 uur de trajectsnelheidsmeter in handhaving heeft gezet en is vergeten om dit in de database te loggen. Het hof ziet geen reden om aan deze verklaring te twijfelen en acht het aanvullende proces-verbaal van 4 mei 2021 voldoende om het verzuim van het niet opstellen van een proces-verbaal op 7 juli 2017 te herstellen. Hierbij is in aanmerking genomen dat in het proces-verbaal van 5 juni 2019 reeds is opgenomen dat uit de interne systemen van de politie blijkt dat op 7 juli 2017 om 13:08 uur de trajectcontrole op de Rijksweg A12 links weer in handhaven is gezet en dat door een administratieve interne fout deze handeling niet is geregistreerd in de logging van de politie. Aldus bevestigt de aanvullende verklaring van ambtenaar [naam5] het eerdere verstrekte proces-verbaal, zodat deze verklaringen betrouwbaar worden geacht. Het hof deelt niet de opvatting van de gemachtigde dat uit de Instructie volgt dat het in gebruik stellen van het handhavingsmiddel ook inhoudt dat de betreffende ambtenaar de juiste werking van het systeem moet controleren. Concluderend is op basis van de aanvullende informatie genoegzaam komen vast te staan dat het handhavingsmiddel op de juiste wijze in handhaven is gezet.

32. Zoals reeds onder 9. is overwogen is het bestaan van de bevoegdheid van een ambtenaar het uitgangspunt. De enkele omstandigheid dat het aanvullende proces-verbaal van ambtenaar [naam5] is opgemaakt onder vermelding van de akte van beëdiging met nummer [nummer3] en de gemachtigde kennelijk geen recentere akte heeft kunnen vinden, betekent niet dat reden bestaat tot twijfel aan de bevoegdheid van de ambtenaar die het de trajectsnelheidsmeter in handhaving heeft gezet.

33. Het hof is van oordeel dat op grond van de foto’s van de gedraging, waarop het kenteken van het voertuig van de betrokkene duidelijk zichtbaar is, in samenhang met de bij die foto’s vermelde tijdstippen, kan worden vastgesteld dat met het voertuig van de betrokkene op voormelde datum, tijd en plaats met een gemiddelde snelheid na correctie van 98 km/u is gereden.

De aanwezigheid van de bebording

34. Tot slot heeft de gemachtigde betwist dat ter plaatse de juiste bebording aanwezig was.

35. Door de advocaat-generaal zijn, in reactie op de klacht van de gemachtigde over het ontbreken van informatie omtrent de aanwezigheid van de bebording ter plaatse, in hoger beroep een tweetal processen-verbaal van schouw trajectcontrole overgelegd, waarin wordt verklaard dat de bebording op het betreffende traject conform wet- en regelgeving is geplaatst. Hierbij wordt verwezen naar schouwrapporten in de bijlage. Uit deze schouwrapporten volgt dat zowel op 22 oktober 2017 als op 5 november 2017 de A1-bebording (met maximum snelheid 80 km/h) is gecontroleerd en in orde is bevonden.

36. Het hof is van oordeel dat op basis van de schouwrapporten voldoende is komen vast te staan dat de bebording ten tijde van de gedraging aanwezig en voldoende kenbaar was. De bebording is immers 7 dagen voor de dag waarop de snelheidsmeting is verricht gecontroleerd en in orde bevonden. Daarnaast heeft eenzelfde controle met hetzelfde resultaat 10 dagen na de pleegdatum plaatsgevonden.

37. Concluderend treffen de bezwaren van de gemachtigde ten aanzien van de gedraging geen doel en kan naar het oordeel van het hof op basis van de gegevens in het dossier worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Het beroep tegen de inleidende beschikking wordt daarom ongegrond verklaard.

38. De gemachtigde heeft verzocht om te beoordelen of de redelijke termijn van berechting is overschreden. Dat is voor de fase van het hoger beroep het geval. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van het hof wordt volstaan met deze vaststelling.

39. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en het arrest van 1 april 2021, vindplaats: ECLI:NL:GHARL:2021:1786). Hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd over de toekenning van proceskostenvergoeding betreft niet hetgeen in deze arresten is overwogen en leidt reeds daarom niet tot een ander oordeel.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.