Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:7818

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-08-2021
Datum publicatie
24-08-2021
Zaaknummer
200.288.649/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof legt aan de moeder uit wat de meerwaarde voor de kinderen is van de beëindiging van haar gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.288.649/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 505776)

beschikking van 12 augustus 2021

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam,

en

de raad voor de kinderbescherming,

gevestigd te Utrecht,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verder te noemen: de GI,

2. [pleegouders1],

verder gezamenlijk te noemen: de pleegouders van [de minderjarige1] ,

3. [pleegouders2] ,

verder gezamenlijk te noemen: de pleegouders van [de minderjarige2] .

Als informant is aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats1] ,

verder te noemen: de vader van [de minderjarige2] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 31 december 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2. Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 12 januari 2021;

- een brief namens de moeder van 1 maart 2021 met bijlage(n);

- het verweerschrift.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 7 juli 2021 plaatsgevonden. Mr. De Gruijl was namens de moeder aanwezig. De moeder was zelf niet aanwezig. Namens de raad was

[naam1] aanwezig en namens de GI [naam2] en [naam3] .

Verder waren de pleegouders van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] aanwezig. In verband met de coronamaatregelen heeft één van de raadsheren, te weten mr. M.P. den Hollander, via beeldbellen (Skype) deelgenomen aan de zitting.

3 De feiten

3.1

Uit de moeder zijn geboren [in] 2015 [de minderjarige1] en [in]

2017 [de minderjarige2] . De moeder was tot aan de bestreden beschikking alleen belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .

3.2

Sinds 23 november 2016 staat [de minderjarige1] onder toezicht van de GI. Met ingang van diezelfde datum is de GI gemachtigd hem uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. De maatregelen zijn daarna steeds verlengd.

3.3

Bij beschikking van 16 februari 2017 heeft de kinderrechter de dan nog ongeboren [de minderjarige2] onder toezicht gesteld. Bij beschikking van 10 augustus 2017 heeft de kinderrechter een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] in een voorziening voor pleegzorg. Ook deze maatregelen zijn daarna steeds verlengd.

3.4

[de minderjarige1] en [de minderjarige2] wonen in hun huidige pleeggezinnen vanaf het moment dat ze uit huis zijn geplaatst.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- bestreden beschikking heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, het ouderlijk gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] beëindigd en de GI als voogd benoemd.

4.2

De moeder is met één grief, aangevuld met een subsidiaire grief, in hoger beroep gekomen van de beschikking van 31 december 2020. De moeder beoogt op deze wijze het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De subsidiaire grief ziet op een onderzoek ex artikel 810a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

De moeder verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de raad tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] af te wijzen, dan wel subsidiair het verzoek van moeder ex artikel 810 a Rv toe te wijzen met benoeming van het NIFP tot deskundige.

4.3

De raad voert verweer en verzoekt het hof om de door de moeder in hoger beroep primair en subsidiair ingediende verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5. De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

5.2

Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

5.3

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en -na eigen onderzoek- tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:266 BW. Het hof is dan ook van oordeel dat de rechtbank het gezag van de moeder over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] op goede gronden heeft beëindigd.

5.4

In aanvulling daarop overweegt het hof nog het volgende. Zoals het hof ook al in zijn beschikking van 13 augustus 2020 heeft overwogen, is de aanvaardbare termijn voor een thuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verstreken. Zij kunnen niet meer terug naar de moeder omdat zij al heel lang in andere gezinnen opgroeien. De kinderen zijn gehecht aan hun pleegouders, zijn geworteld in de pleeggezinnen en zij ontwikkelen zich daar goed, ondanks de verzwaarde opvoedingsbehoefte die [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben. Het vooruitzicht op terugkeer van de kinderen ontbreekt, omdat de moeder langdurig niet in staat is gebleken om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] weer op zich te nemen binnen een voor hen aanvaardbaar te achten termijn. Dat de moeder, zoals zij heeft aangevoerd, in de afgelopen periode een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt, is in haar belang en dat van de kinderen te achten, maar kan -gelet op het verstrijken van de aanvaardbare termijn- niet tot een ander oordeel leiden.

5.5

Bestaat er geen perspectief op terugkeer van de kinderen naar de ouders, dan ligt in beginsel een verderstrekkende maatregel (beëindiging van het ouderlijk gezag) in de rede, gelet op het belang van de kinderen bij duidelijkheid omtrent hun toekomstperspectief en het beëindigen van de onzekerheid die nu eenmaal inherent is aan de tijdelijke en jaarlijks te verlengen maatregelen van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing.

Daarin is in zijn algemeenheid de meerwaarde van gezagsbeëindiging voor kinderen gelegen en dat geldt zeker ook in dit geval, aangezien de moeder [de minderjarige1] en [de minderjarige2] geen emotionele toestemming geeft om elders op te groeien. De moeder stelt zich immers op het standpunt dat aan haar de kans moet worden geboden om aan te tonen dat zij zelf voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] kan zorgen. Ook duidelijkheid richting de pleegouders is voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] van belang aangezien hechting een wederzijds proces is. Gezagsbeëindiging draagt hieraan bij.

5.6

Uit recente informatie van de GI en de pleegouders is gebleken dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] al een aantal maanden geen contact meer hebben gehad met de moeder en dat de omgang daarvoor niet goed verliep. Beide kinderen reageerden heftig na de omgangsmomenten met hun moeder.

Ter zitting van het hof is verder naar voren gekomen dat zowel voor [de minderjarige1] als [de minderjarige2] hulpverlening is ingezet. Zo zal [de minderjarige1] na de zomervakantie starten met speltherapie en ligt er voor [de minderjarige2] een EMDR-plan klaar.

5.7

Op grond van het vorenstaande wordt naar het oordeel van het hof het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij stabiliteit en continuïteit in hun opvoedingssituatie, duidelijkheid over hun toekomstperspectief en voortzetting van een ongestoord hechtingsproces gewaarborgd door de beëindiging van het gezag van de moeder. Het hof begrijpt dat dit voor de moeder een moeilijk te accepteren beslissing is, maar wil benadrukken dat het belangrijk is dat zij wel in contact blijft met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] (en ook de met de voogd). Het hof gaat ervan uit dat de GI zich houdt aan het ter zitting uitgesproken voornemen om de omgang weer op te pakken en spreekt de hoop uit dat het contact, nu voor iedereen duidelijk is dat de kinderen verder mogen opgroeien bij de pleegouders, beter zal verlopen.

5.8

Omdat de moeder geen grief heeft aangevoerd tegen de benoeming van de GI tot voogd, zal het hof dit onderdeel onbesproken laten.

Verzoek ex artikel 810a lid 2 Rv

5.9

De moeder heeft subsidiair verzocht om op grond van artikel 810a lid 2 Rv het NIFP te benoemen tot deskundige. Een onderzoek zal zich volgens de moeder vooral moeten richten op de -al dan niet verstoorde- hechtingsrelatie met de kinderen, welke hulpverlening moet worden ingezet om te kunnen komen tot een thuisplaatsing en wat de draaglast en draagkracht van een ieder daartoe is. Het hof zal dit verzoek van de moeder afwijzen,

omdat de uitkomsten van een dergelijk onderzoek niet tot een andere beslissing kunnen leiden. Zelfs al zou hieruit naar voren komen dat de moeder (op termijn) in staat zou zijn zelf de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te dragen, dan geldt nog dat de voor hen aanvaardbaar te achten termijn als bedoeld in artikel 1:266 lid 1, onder a, BW is verstreken. Het hof acht een onderzoek zoals door de moeder verzocht daarnaast in strijd met de belangen van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , omdat zij, zoals hiervoor is overwogen, gebaat zijn bij duidelijkheid over hun toekomstperspectief, rust en het continueren van de huidige opvoedingssituatie.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van

31 december 2020;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Vermeulen, M.P. den Hollander en G.B.A. Brummer, bijgestaan door mr. S.C. Lok als griffier, en is op 12 augustus 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.