Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:7815

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-08-2021
Datum publicatie
24-08-2021
Zaaknummer
200.295.002/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof oordeelt dat de in opdracht van de ouders uitgevoerde opvoederstaxatie door Reik onvoldoende aanknopingspunten biedt om de opvoedingsvaardigheden van de ouders nu als voldoende te beoordelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.295.002/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 176434)

beschikking van 10 augustus 2021

in het hoger beroep van:

[de vader] en [de moeder] (de ouders),

woonplaats: op een bij het hof bekend geheim adres,

advocaat: mr. J.O. Hovinga (in Leeuwarden).

Belanghebbenden zijn:

(1) de gecertificeerde instelling

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

(in Amsterdam),

(2) [de pleegouders] (de pleegouders),

woonplaats: op een bij het hof bekend geheim adres.

In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming (de raad),
regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden.

1 Onderwerp

Het gaat in deze zaak om de verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , geboren [in] 2019.

2 Belangrijke informatie

2.1

[de minderjarige1] staat sinds 22 november 2019 (voorlopig) onder toezicht van de William Schrikker Stichting. De ondertoezichtstelling duurt nog tot 22 februari 2022.

2.2

Op 16 juli 2021 is het ouderlijk gezag van de ouders over [de minderjarige1] beëindigd en is de William Schrikker Stichting tot voogd over haar benoemd.

2.3

[de minderjarige1] woonde tot de uithuisplaatsing op 22 november 2019 bij de ouders. Nu verblijft [de minderjarige1] in het gezin van de pleegouders.

2.4

De ouders hebben nog een eerder geboren dochter die niet bij hen woont. Zij is geboren in 2017 en zij is niet de biologische dochter van de vader. Daarnaast hebben zij een na [de minderjarige1] geboren zoon (geboren in 2020) die wel bij de ouders woont. De moeder heeft nog drie eerder geboren kinderen (geboren in 2004, 2011 en 2012). Deze kinderen wonen niet bij de moeder/ouders.

3 De beslissing van de kinderrechter

3.1

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft op

17 februari 2021 op verzoek van de William Schrikker Stichting een beslissing genomen.

3.2

De kinderrechter heeft beslist dat [de minderjarige1] in een pleeggezin moet blijven wonen (de machtiging uithuisplaatsing verlengd) tot 22 augustus 2021.

4 Het hoger beroep

De ouders zijn het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij zijn in hoger beroep gegaan. Zij vinden dat het hof het verzoek van de William Schrikker Stichting alsnog moet afwijzen.

5 De rechtszaak bij het hof

5.1

Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:

- het beroepschrift van de ouders van 14 mei 2021 met bijlage(n);

- het verweerschrift van de William Schrikker Stichting met bijlage(n);

- een brief van 23 juli 2021 namens de William Schrikker Stichting met bijlage(n).

5.2

De zitting bij het hof was op 27 juli 2021.

Aanwezig waren:

- De moeder, met haar advocaat;

- [naam1] voor de William Schrikker Stichting.

6 De redenen voor de beslissing

6.1

Omdat het ouderlijk gezag van de ouders door de kinderrechter is beëindigd op

16 juli 2021 en deze beslissing meteen is ingegaan, geldt de machtiging tot uithuisplaatsing vanaf dat moment niet meer. De William Schrikker Stichting oefent vanaf dat moment namelijk het gezag uit over [de minderjarige1] en met haar toestemming woont [de minderjarige1] bij de pleegouders. Het hof kan toetsen of de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] over de periode van

22 februari 2021 tot 16 juli 2021 rechtmatig was.

6.2

Wat het hof dan toetst is of de kinderrechter de uithuisplaatsing heeft kunnen verlengen (artikel 1:265c lid 2 BW). De kinderrechter kon alleen die toestemming geven als de uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk was voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] .

6.3

Het hof vindt dat de beslissing van de kinderrechter op goede gronden is genomen. Hierna zal het hof uitleggen waarom het hof het eens is met de beslissing van de kinderrechter.

6.4

De ouders zeggen niet goed te begrijpen waarom zij moeten laten zien dat ze goede ouders kunnen zijn. Andere ouders hoeven dat ook niet en de ouders stellen dat er deskundigen, zoals de verloskundige, zijn die ook vinden dat het in hun geval niet nodig is.

6.5

De reden dat jeugdzorgwerkers, kinderrechters en ook het hof om nader onderzoek (diagnostisch onderzoek en ouderschapsonderzoek) van de ouders zijn blijven vragen is omdat er eerder andere kinderen van de moeder uit huis zijn geplaatst. In dat verband is er een onderzoek in 2013 in [plaats] (een ouderschapsbeoordeling bij [naam2] ) geweest. Toen is beoordeeld dat de moeder niet in staat was om de verantwoordelijkheid te dragen voor de opvoeding en de verzorging van de halfbroer van [de minderjarige1] en dat het haar ook niet lukte om dit te veranderen (‘onvoldoende leerbaar’). Bovendien heeft het hof eerder zijn zorgen geuit (in de beschikking van 20 augustus 2020) over boos- en starheid bij de vader en de moeite die hij heeft om met zijn emoties om te gaan. Deze redenen hebben er eerder voor gezorgd dat [de minderjarige1] uit huis is geplaatst. Op basis van de beschikbare informatie bestond grote twijfel of de ouders [de minderjarige1] goed konden verzorgen en opvoeden. Om daar duidelijkheid over te krijgen was het onderzoek nodig. De ouders zeggen dat het rapport uit 2013 van [naam2] verouderd is en niet klopt, maar maken het niet mogelijk om dit door middel van onderzoek vast te stellen.

6.6

De William Schrikker Stichting heeft tijdens de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] voorstellen gedaan om alsnog onderzoek te laten uitvoeren. Hier hebben de ouders niet aan meegewerkt. Voor het niet meewerken hebben zij onder andere aangevoerd dat het voorgestelde onderzoek niet te combineren is met het werk van de vader. Daartegenover staat dat de William Schrikker Stichting heeft aangegeven dat de door de ouders voorgestelde alternatieve (ambulante) onderzoeken onvoldoende duidelijkheid zullen geven.

6.7

[in] 2020 is [de minderjarige2] , het halfbroertje van [de minderjarige1] , geboren. De ouders hebben daarom op eigen initiatief een opvoederschapstaxatie laten uitvoeren door Reik. Zij willen hiermee laten zien dat zij [de minderjarige2] , en eigenlijk ook hun andere kinderen, kunnen opvoeden. De taxatie brengt in kaart of de ouders “goed genoeg opvoederschap” in zich hebben, waardoor volgens de ouders de uitkomsten ook in het geval van [de minderjarige1] moeten gelden. Reik ziet dat de ouders aansluiten bij wat [de minderjarige2] nodig heeft in zijn verzorging en ontwikkeling en er wordt geen aanvullende hulpverlening geadviseerd. De ouders zijn in staat om [de minderjarige2] de veiligheid te bieden die hij nodig heeft, aldus Reik.

6.8

De William Schrikker Stichting vindt dat de taxatie van Reik onvoldoende gewicht in de schaal legt om te zeggen dat ook [de minderjarige1] weer bij de ouders kan wonen. In de taxatie is

onvoldoende meegenomen de persoonlijke problematiek van de ouders en de opvoedingsvraag van [de minderjarige1] . Dat er een bepaalde conclusie voor [de minderjarige2] getrokken is, waarbij ook enige vraagtekens gezet kunnen worden, betekent niet dat die conclusie dan ook moet gelden voor [de minderjarige1] .

6.9

Het hof stelt vast dat uit de opvoederschapstaxatie van Reik niet is te herleiden hoe de taxatie tot stand is gekomen. Niet duidelijk is door wie het onderzoek is uitgevoerd (de taxatie is ook niet ondertekend), hoe diegene het onderzoek heeft uitgevoerd (ambulant, telefonisch of anderszins), over welke periode het onderzoek is uitgevoerd en in welke frequentie. Tot slot is niet altijd duidelijk aan wie bepaalde in de taxatie opgenomen stellingen zijn toe te schrijven en zijn in de conclusie stellingen van de ouders opgenomen. Op vragen hierover heeft de moeder het volgende aangegeven. De taxatie is uitgevoerd door een deskundige van Reik, die ook regelmatig door de rechtbank en jeugdbeschermers wordt ingeschakeld voor het uitvoeren van dit soort onderzoeken. De observatieperiode was zes weken. Elke week was er een fysiek contactmoment van ongeveer anderhalf tot twee uur tussen de deskundige en de ouders, waar de verloskundige steeds bij was. Daarnaast was er elke week een belmoment tussen de ouders en de deskundige, waar een collega van de deskundige en de heer [naam3] - de adviseur van de ouders - bij aanwezig waren. Naar het oordeel van het hof geeft de taxatie, uitgaande van de juistheid van de door de moeder tijdens de zitting gegeven aanvullingen, te weinig inzicht in de opvoedingsvaardigheden van de ouders ten opzichte van [de minderjarige1] . De taxatie is specifiek gericht geweest op [de minderjarige2] . Er heeft geen diagnostiek van de ouders plaatsgevonden en de taxatie is op ambulante basis gedaan in een niet-natuurlijke situatie. Bij de fysieke momenten was immers steeds de verloskundige aanwezig en bij de belmomenten de heer [naam3] ; zij zijn normaal gesproken niet in het gezin van de ouders aanwezig. Gelet op de zorgen uit het verleden biedt de taxatie van Reik onvoldoende aanknopingspunten om nu anders te oordelen over de opvoedingsvaardigheden van de ouders.

6.10

Daar komt nog het volgende bij. Feitelijk heeft de vader [de minderjarige1] al anderhalf jaar niet gezien. Hij is niet naar de omgangsmomenten gegaan omdat hij bang was conflicten te krijgen met de pleegouders of jeugdzorgwerkers die bij de omgang aanwezig zijn en/of omdat zijn werk dit niet toeliet en/of de vader op [de minderjarige2] moest passen. Daarmee maken de ouders keuzes die niet het belang van [de minderjarige1] dienen. De ouders lijken zich niet af te vragen wat een thuisplaatsing van [de minderjarige1] voor haar zou betekenen, omdat zij haar vader niet kent.

6.11

Samenvattend komt het erop neer dat de ouders niet voldeden aan de voorwaarden die - terecht - worden gesteld om een thuisplaatsing van [de minderjarige1] mogelijk te maken. Het hof vindt dat de beslissing van de kinderrechter moet blijven gelden en zal die beslissing bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 17 februari 2021 waarover de ouders een beslissing hebben gevraagd;

wijst af wat verder is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, C. Koopman en J.G. Knot, in samenwerking met mr. M.J. Muller, griffier. De beschikking is in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2021.