Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:7812

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-08-2021
Datum publicatie
16-08-2021
Zaaknummer
21-002924-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mensenhandel. Verdachte heeft haar twee minderjarige kinderen van Spanje naar Nederland en in Nederland vervoerd en in Nederland gehuisvest, terwijl een doel van verdachte (met het vervoer en huisvesten) was dat de kinderen in Nederland in de vleesverwerkende industrie aan het werk zouden gaan, zodat zij konden bijdragen aan het gezinsinkomen. Het hof komt t.a.v. verdachtes 13-jarige zoon tot een veroordeling van art. 273f lid 1 sub 2 en 4 Sr. Het hof spreekt verdachte vrij van de verdenkingen m.b.t. haar 16-jarige dochter. Met toepassing van artikel 63 Sr. legt het hof een geheel voorwaardelijk gevangenisstraf op voor de duur van zes maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002924-19

Uitspraak d.d.: 11 augustus 2021

VERSTEK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 20 mei 2019 met parketnummer 08-996031-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 28 juli 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bewezenverklaring van het onder 1 primair en het onder 2 primair tenlastegelegde en veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft de verdachte bij het hiervoor genoemde vonnis vrijgesproken ter zake het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1. primair
zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 maart 2019 tot en met 4 maart 2019 in de gemeente [gemeente] en/of elders in Nederland, althans in Nederland, een ander, te weten [naam kind 1] (geboren op [geboortedatum] )

(lid 1 sub 2) heeft geworven en/of vervoerd en/of gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting terwijl die [naam kind 1] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt en/of

(lid 1 sub 4) door één of meer andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie enige handeling heeft ondernomen waarvan zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [naam kind 1] zich beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten immers heeft zij, verdachte, die [naam kind 1]

- geworven door voor te stellen dat hij mee kon naar Nederland om te werken en/of

- vervoerd van Spanje naar Nederland en/of naar het gemeentehuis in [gemeente] en/of

- gehuisvest op een tijdelijke locatie

- die [naam kind 1] een vals reisdocument en/of identiteitsdocument verstrekt en/of laten gebruiken en/of

- op het formulier "Verzoek tot inschrijving in de Basisregistratie Personen" van de gemeente [gemeente] als geboortedatum in te laten vullen 13 april 2000 en/of dat formulier te laten ondertekenen en/of inleveren bij de RNI balie (Register Niet Ingezetene) teneinde een BSN nummer te krijgen om te kunnen werken

- terwijl hij, [naam kind 1] , haar, verdachtes, minderjarige zoon is en/of

- de Nederlandse taal niet spreekt en/of

- graag bij zijn moeder, verdachte, wilde zijn en/of

- wist dat hij niet in Nederland mag werken, maar zijn moeder, verdachte, wilde helpen waarbij de uitbuiting en/of uitbuitingssituatie er onder meer uit zou bestaan dat [naam kind 1] fulltime zou werken via een uitzendbureau in de vleesverwerkende industrie, althans betaald werk zou verrichten, voor de uren van een 18 jarige, althans meer dan voor een 13 jarige is toegestaan en/of voor een salaris van een 18 jarige, althans voor beduidend meer dan van het salaris van een 13 jarige

(lid 3 sub 2) terwijl die [naam kind 1] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt danwel terwijl die [naam kind 1] een persoon is bij wie misbruik van een kwetsbare positie is gemaakt;

1. subsidiair
zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 maart 2019 tot en met 4 maart 2019 in de gemeente [gemeente] en/of elders in Nederland, althans in Nederland, ter uitvoering van het voornemen een ander, te weten [naam kind 1] (geboren op [geboortedatum] )

(lid 1 sub 2) te werven en/of vervoeren en/of te huisvesten met het oogmerk van uitbuiting terwijl die [naam kind 1] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt en/of

(lid 1 sub 4) door één of meer andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie enige handeling heeft ondernomen waarvan zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [naam kind 1] zich beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten immers heeft zij, verdachte, die [naam kind 1]

- geworven door voor te stellen dat hij mee kon naar Nederland om te werken en/of

- vervoerd van Spanje naar Nederland en/of naar het gemeentehuis in [gemeente] en/of

- gehuisvest op een tijdelijke locatie

- die [naam kind 1] een vals reisdocument en/of identiteitsdocument verstrekt en/of laten gebruiken en/of

- op het formulier "Verzoek tot inschrijving in de Basisregistratie Personen" van de gemeente [gemeente] als geboortedatum in te laten vullen 13 april 2000 en/of dat formulier te laten ondertekenen en/of inleveren bij de RNI balie (Register Niet Ingezetene) teneinde een BSN nummer te krijgen om te kunnen werken

- terwijl hij, [naam kind 1] , haar, verdachtes, minderjarige zoon is en/of

- de Nederlandse taal niet spreekt en/of

- graag bij zijn moeder, verdachte, wilde zijn en/of

- wist dat hij niet in Nederland mag werken, maar zijn moeder, verdachte, wilde helpen waarbij de uitbuiting en/of uitbuitingssituatie er onder meer uit zou bestaan dat [naam kind 1] fulltime zou werken via een uitzendbureau in de vleesverwerkende industrie, althans betaald werk zou verrichten, voor de uren van een 18 jarige, althans meer dan voor een 13 jarige is toegestaan en/of voor een salaris van een 18 jarige, althans voor beduidend meer dan van het salaris van een 13 jarige

(lid 3 sub 2) terwijl die [naam kind 1] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt danwel terwijl die [naam kind 1] een persoon is bij wie misbruik van een kwetsbare positie is gemaakt terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


2. primair
zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 maart 2019 tot en met 4 maart 2019 in de gemeente [gemeente] en/of elders in Nederland, althans in Nederland, een ander, te weten [naam kind 2] (geboren op [geboortedatum] )

(lid 1 sub 2) heeft geworven en/of vervoerd en/of gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting terwijl die [naam kind 2] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt en/of

(lid 1 sub 4) door één of meer andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie enige handeling heeft ondernomen waarvan zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [naam kind 2] zich beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten immers heeft zij, verdachte, die [naam kind 2]

- geworven door voor te stellen dat zij mee kon naar Nederland om te werken en/of

- vervoerd van Spanje naar Nederland en/of naar het gemeentehuis in [gemeente] en/of

- gehuisvest op een tijdelijke locatie

- die [naam kind 2] een vals reisdocument en/of identiteitsdocument verstrekt en/of laten gebruiken en/of

- op het formulier "Verzoek tot inschrijving in de Basisregistratie Personen" van de gemeente [gemeente] als geboortedatum in te laten vullen 25 oktober 1995 en/of dat formulier te laten ondertekenen en/of inleveren bij de RNI balie (Register Niet Ingezetene) teneinde een BSN nummer te krijgen om te kunnen werken

- terwijl zij, [naam kind 2] , haar, verdachtes, minderjarige dochter is en/of

- de Nederlandse taal niet spreekt en/of

- graag bij haar moeder, verdachte, wilde zijn en/of

- wist dat zij niet in Nederland mag werken, maar haar moeder, verdachte, wilde helpen waarbij de uitbuiting en/of uitbuitingssituatie er onder meer uit zou bestaan dat [naam kind 2] fulltime zou werken via een uitzendbureau in de vleesverwerkende industrie, althans betaald werk zou verrichten, voor de uren van een 23 jarige, althans meer dan voor een 16 jarige is toegestaan en/of voor een salaris van een 23 jarige, althans voor beduidend meer dan van het salaris van een 16 jarige

(lid 3 sub 2) terwijl die [naam kind 2] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt danwel terwijl die [naam kind 2] een persoon is bij wie misbruik van een kwetsbare positie is gemaakt;

2. subsidiair
zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 maart 2019 tot en met 4 maart 2019 in de gemeente [gemeente] en/of elders in Nederland, althans in Nederland, ter uitvoering van het voornemen een ander, te weten [naam kind 2] (geboren op [geboortedatum] )

(lid 1 sub 2) te werven en/of vervoeren en/of te huisvesten met het oogmerk van uitbuiting terwijl die [naam kind 2] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt en/of

(lid 1 sub 4) door één of meer andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie enige handeling heeft ondernomen waarvan zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [naam kind 2] zich beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten immers heeft zij, verdachte, die [naam kind 2]

- geworven door voor te stellen dat zij mee kon naar Nederland om te werken en/of

- vervoerd van Spanje naar Nederland en/of naar het gemeentehuis in [gemeente] en/of

- gehuisvest op een tijdelijke locatie

- die [naam kind 2] een vals reisdocument en/of identiteitsdocument verstrekt en/of laten gebruiken en/of

- op het formulier "Verzoek tot inschrijving in de Basisregistratie Personen" van de gemeente [gemeente] als geboortedatum in te laten vullen 25 oktober 1995 en/of dat formulier te laten ondertekenen en/of inleveren bij de RNI balie (Register Niet Ingezetene) teneinde een BSN nummer te krijgen om te kunnen werken

- terwijl zij, [naam kind 2] , haar, verdachtes, minderjarige dochter is en/of

- de Nederlandse taal niet spreekt en/of - graag bij haar moeder, verdachte, wilde zijn en/of

- wist dat zij niet in Nederland mag werken, maar haar moeder, verdachte, wilde helpen waarbij de uitbuiting en/of uitbuitingssituatie er onder meer uit zou bestaan dat [naam kind 2] fulltime zou werken via een uitzendbureau in de vleesverwerkende industrie, althans betaald werk zou verrichten, voor de uren van een 23 jarige, althans meer dan voor een 16 jarige is toegestaan en/of voor een salaris van een 23 jarige, althans voor beduidend meer dan van het salaris van 16 jarige

(lid 3 sub 2) terwijl die [naam kind 2] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt danwel terwijl die [naam kind 2] een persoon is bij wie misbruik van een kwetsbare positie is gemaakt terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Overweging met betrekking tot het bewijs

1. Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair en het onder 2 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Daartoe is aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen in het dossier, in het bijzonder de valse identiteitskaarten en de verklaringen van de kinderen, duidelijk blijkt dat de verdachte haar minderjarige kinderen als meerderjarige kinderen heeft willen laten werken in een fabriek voor vleesverwerking. Door het inzetten van middelen hebben de kinderen van de verdachte zich beschikbaar gesteld tot het verrichten van arbeid en diensten.

2. Vaststelling van de feiten en de omstandigheden

De verdachte is vanuit Spanje met haar twee minderjarige kinderen [naam kind 1] (13 jaar) en [naam kind 2] (16 jaar) naar Nederland gereisd. Op 4 maart 2019 hebben de kinderen bij de gemeente [gemeente] een verzoek ingediend tot inschrijving in de basisadministratie Personen. Blijkens de aangifte van de gemeente [gemeente] is dit gedaan met als doel een BSN-nummer te verkrijgen om vervolgens te mogen werken in Nederland. Bij deze aanvraag hebben beide kinderen een identiteitsbewijs overgelegd. Na onderzoek bleken deze vals te zijn. Vervolgens zijn de verdachte en haar twee kinderen aangehouden en gehoord vanwege identiteitsfraude.

Uit de verklaringen van [naam kind 1] en [naam kind 2] blijkt dat zij samen met hun moeder naar Nederland zijn gekomen om te werken. [naam kind 1] heeft verklaard dat hij zijn moeder wilde helpen. Hij wilde een beter leven opbouwen. Hij heeft verklaard dat hij alles doet om zijn moeder te helpen. Hij is niet gedwongen. Hij heeft tegen zijn moeder gezegd dat hij wilde gaan werken om haar te helpen met het inkomen om het beter te krijgen. [naam kind 2] heeft ook verklaard dat zij naar Nederland is gekomen om te werken. Daar is de valse identiteitskaart voor gemaakt. Zij wilde werken om haar moeder te helpen. Ze weet niets van afspraken over het aantal uren en dagen en wat het salaris zou zijn. De werkzaamheden zouden bestaan uit vlees inpakken.

Ter beoordeling van het hof ligt de vraag voor of het handelen van de verdachte onder de specifieke omstandigheden van deze zaak kan worden beschouwd als (poging tot) mensenhandel gepleegd ten aanzien van [naam kind 2] en [naam kind 1] in de zin van artikel 273f, eerste lid, sub 2 en 4 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

3. Oordeel hof

3a. Overwegingen ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde

Artikel 273 lid 1sub 2 Wetboek van Strafrecht

Het hof stelt voorop dat artikel 273f lid 1 sub 2 Wetboek van Strafrecht strekt ter bescherming van minderjarigen. Bij hen wordt ervan uitgegaan dat zij niet beschikken over een zekere rijpheid die hen in staat stelt de gevolgen van hun handelingen te overzien en zelfstandig beslissingen te nemen. De wetgever heeft tot uitdrukking willen brengen dat aan de wil van de minderjarige en daarmee de instemming geen betekenis toekomt.

Ten aanzien van verdachte dient te worden bewezen dat zij haar kinderen heeft geworven, vervoerd en/of gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting.

Uit het dossier volgt dat verdachte (met nog een persoon) beide kinderen van Spanje naar Nederland en in Nederland heeft vervoerd en dat zij (met een ander of anderen) de kinderen in Nederland heeft gehuisvest, terwijl een doel van verdachte (met het vervoer en huisvesten) was dat de kinderen in Nederland in de vleesverwerkende industrie aan het werk zouden gaan, zodat zij konden bijdragen aan het gezinsinkomen.

De vraag of ook het oogmerk van uitbuiting kan worden bewezen, wordt onder 3b en 3c beantwoord.

Artikel 273f lid 1 sub 4 Wetboek van Strafrecht

Naar het oordeel van het hof kan tot een bewezenverklaring van sub 4 (zoals primair tenlastegelegd) worden gekomen, indien uit de bewijsmiddelen blijkt dat:

  • -

    Verdachte een handeling heeft verricht waarvan zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat haar kinderen zich daardoor beschikbaar zouden stellen voor het verrichten van arbeid of diensten;

  • -

    Verdachte daarbij gebruik heeft gemaakt van een in de tenlastelegging genoemd middel en

  • -

    Er sprake is van uitbuiting.

De vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van 'uitbuiting' in de zin van de onderhavige bepalingen, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt in een geval als het onderhavige onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd.1 Hierbij geldt in geval van minderjarige slachtoffers dat de beoordeling van dergelijke factoren tot een andere uitkomst kan leiden dan in het geval het slachtoffer meerderjarig is.2Daar komt bij dat voor de vervulling van de delictsomschrijving – ook als het gaat om de voltooide variant van artikel 273f lid 1 sub 4 Wetboek van Strafrecht - niet nodig is dat het slachtoffer daadwerkelijk wordt uitgebuit.3

Of sprake was van uitbuiting zal hieronder per feit/kind worden beantwoord.

3b. Nadere overwegingen met betrekking tot het onder 1 primair tenlastegelegde ( [naam kind 1] )

In de onderhavige zaak gaat het om een minderjarige van 13 jaar oud die samen met zijn moeder en oudere zus (buiten de vakantieperiode) naar Nederland is gekomen om te werken en om op die manier een bijdrage te leveren aan het gezinsinkomen. Gelet op de leeftijd van [naam kind 1] was hij leerplichtig en was het voor hem verboden om te werken in de vleesverwerking en/of banketbakkerij op de wijze zoals de bedoeling was. Door hem aldus te laten werken en bij te laten dragen aan het gezinsinkomen, werd hem de mogelijkheid ontnomen om naar school te gaan en werd zijn ontwikkeling gefrustreerd. Gelet op deze omstandigheden is sprake van een situatie van uitbuiting.

Door haar zoon mee te nemen naar Nederland en hem ter verkrijging van een gemeentelijke inschrijving met het oog op arbeid voor hem, een vals identiteitsbewijs te laten gebruiken waarmee hij als meerderjarige kon doorgaan, heeft de verdachte handelingen verricht waarvan zij wist dat haar 13-jarige zoon zich beschikbaar zou stellen voor het verrichten van arbeid. Gelet op de leeftijd van [naam kind 1] en zijn afhankelijk positie ten opzicht van zijn moeder is het hof van oordeel dat de verdachte bij het plegen van die handelingen misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie van [naam kind 1] en misbruik van het overwicht dat zij als moeder op hem had.

Aldus komt het hof tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde voor zover dat betrekking heeft op sub 4.

Het hof is voorts van oordeel dat, hoewel aannemelijk is dat de verdachte vanuit een moeilijke financiële situatie handelde, zij - terwijl zij [naam kind 1] in Nederland vervoerde en huisvestte - het oogmerk van uitbuiting had. Zij wilde immers uit financiële overwegingen – en ten koste van [naam kind 1] (educatieve) ontwikkeling – [naam kind 1] werkzaamheden laten verrichten die gelet op zijn leeftijd niet toegestaan waren.

Het hof komt aldus ook tot een bewezenverklaring van feit 1 primair voor zover dat betrekking heeft op sub 2.

3c. Nadere overwegingen met betrekking tot het tenlastegelegde onder 2 ( [naam kind 2] )

[naam kind 2] is, net als [naam kind 1] , met haar moeder naar Nederland gekomen om te gaan werken. [naam kind 2] was 16 jaar en heeft bij de politie verklaard dat zij haar middelbare schoolopleiding in Spanje had afgerond. Uit het dossier volgt niet dat [naam kind 2] volgens de Spaanse regelgeving nog leerplichtig was. Gelet op haar leeftijd was het verder voor haar in beginsel toegestaan om arbeid te verrichten. Hoewel in hoger beroep is getracht om aanvullende informatie te krijgen over bijvoorbeeld de aard en duur van de werkzaamheden is daaruit naar het oordeel van het hof onvoldoende voor deze zaak relevante specifieke informatie naar voren gekomen. Nu het dossier geen concrete informatie bevat over welke werkzaamheden exact zouden worden verricht, het dienstverband dat door [naam kind 2] zou worden aangegaan, over het aantal uren dat zou worden gewerkt, over de aard van de te verrichten werkzaamheden en/of over de omstandigheden waaronder deze werkzaamheden zouden moeten worden uitgevoerd, kan naar het oordeel van het hof niet zonder meer worden vastgesteld dat de verdachte het oogmerk had haar 16-jarige dochter [naam kind 2] uit te buiten, noch dat zij haar in een uitbuitingssituatie heeft gebracht of heeft geprobeerd te brengen. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primair
zij in of omstreeks de periode van 2 maart 2019 tot en met 4 maart 2019 in de gemeente [gemeente] of elders in Nederland, een ander, te weten [naam kind 1] (geboren op [geboortedatum] )

(lid 1 sub 2) heeft vervoerd en gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting terwijl die [naam kind 1] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt en

(lid 1 sub 4) door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie enige handeling heeft ondernomen waarvan zij wist dat die [naam kind 1] zich beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten immers heeft zij, verdachte, die [naam kind 1]

- vervoerd van Spanje naar Nederland en

- gehuisvest op een tijdelijke locatie

- die [naam kind 1] een vals reisdocument en/of identiteitsdocument laten gebruiken

- terwijl hij, [naam kind 1] , haar, verdachtes, minderjarige zoon is en

- de Nederlandse taal niet spreekt en

- graag bij zijn moeder, verdachte, wilde zijn en

- zijn moeder, verdachte, wilde helpen

waarbij de uitbuiting en/of uitbuitingssituatie er onder meer uit zou bestaan dat [naam kind 1] fulltime zou werken via een uitzendbureau, althans voor meer uren dan voor een 13 jarige is toegestaan

(lid 3 sub 2) terwijl die [naam kind 1] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie het in artikel 273f, eerste lid onder 2° en onder 4° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feit wordt gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel. Zij is met haar minderjarige zoon naar Nederland gereisd om ook hem te laten werken. Daarbij lag het in de bedoeling dat haar dertienjarige zoon als volwassene te werk zou worden gesteld. Verdachte heeft haar zoon een vals identiteitsbewijs laten gebruiken in die zin dat hij zich in bijzijn van verdachte als volwassene presenteerde. Verdachte heeft daarmee hoewel het hof aanneemt dat de financiële – en levensomstandigheden in Spanje kennelijk moeilijk waren, haar rol en verantwoordelijkheid als moeder miskend en van de kwetsbare positie van haar jeugdige zoon misbruik gemaakt. Verdachte is geheel aan de belangen van haar zoon voorbij gegaan. Het hof rekent dit verdachte aan.

Het hof heeft bij het bepalen van de straf voorts acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 24 juni 2021, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden niet eerder wegens soortgelijke delicten met justitie in Nederland in aanraking is geweest.

Het hof heeft eveneens rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het dossier is gebleken. Daaruit is ook naar voren gekomen dat verdachte toen zij tezamen met haar kinderen in het gemeentehuis in [gemeente] werd aangehouden in haar eigen zaak bij vonnis van de rechtbank Overijssel voor de identiteitsfraude met betrekking tot haar kinderen, is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Deze straf is door de verdachte reeds in preventieve hechtenis uitgezeten. Die zaak loopt parallel aan deze zaak waardoor artikel 63 Sr. van toepassing is en het hof daar vanwege de samenhang met de onderhavige zaak in strafverminderende zin betekenis aan toekent. Gelet op de impact van die straf op verdachte – die inmiddels in Roemenië woont - acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet meer aan de orde. Wel is het hof van oordeel dat de ernst van het feit een gevangenisstraf rechtvaardigt maar dan in voorwaardelijke vorm.

Alles afwegend acht het hof een gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend en geboden. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst dergelijke strafbare feiten te plegen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 273f van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. R.J. Bokhorst, voorzitter,

mr. J. Dolfing en mr. J.D. den Hartog, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A. Dörholt, griffier,

en op 11 augustus 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. R.J. Bokhorst is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 11 augustus 2021.

Tegenwoordig:

mr. A.B.A.P.M. Ficq, voorzitter,

mr. S.T.C. van der Werf, advocaat-generaal,

M. van Daalen, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De betrokkene is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

1 Hoge Raad 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099.

2 vgl. Hoge Raad 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3309.

3 Vgl. HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1946, NJ 2019/271 m.nt. Rozenmond, r.o. 2.4; HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010/598, rov. 2.6.1.