Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:7703

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-08-2021
Datum publicatie
27-08-2021
Zaaknummer
19/01418 en 19/01419
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:4385, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM. Vermindering (afschrijving).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers 19/01418 en 19/01419

uitspraakdatum: 10 augustus 2021

Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] h.o.d.n. [naam1] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 oktober 2019, nummers AWB 18/3868 en 18/3869 in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft op aangiften bedragen aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) voldaan.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen die uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft via beeldbellen plaatsgevonden op 13 juli 2021. Daarbij zijn verschenen en gehoord als gemachtigde van belanghebbende [naam2] (hierna: gemachtigde) bijgestaan door [naam3] , alsmede namens de Inspecteur mr. [naam4] en [naam5] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende heeft aangiften voor de bpm gedaan ter zake van de volgende, uit Duitsland afkomstige gebruikte voertuigen:

Merk : Citroën C4 Cactus Pure Tech 82 Shine (hierna: auto 1)

Datum 1e toelating : 16 december 2016

Historische bpm : € 2.636

Historische nieuwprijs : € 22.060

Handelsinkoopwaarde : € 12.825 (Koerslijst X-Ray marge)

Bedrag voldaan op aangifte : € 1.532

Datum aangifte : 30 oktober 2017

Voldoening op aangifte : 2 november 2017

Tenaamstelling kenteken : 8 maart 2018

Merk : Peugeot 308 CC – 1.6 THP Féline (hierna: auto 2)

Datum 1e toelating : 17 maart 2014

Historische bpm : € 10.206

Historische nieuwprijs : € 51.400

Handelsinkoopwaarde zonder

Schade : € 19.852 (taxatie)

Gecalculeerde schade : € 6.563 (100%)

Handelsinkoopwaarde in

beschadigde staat : € 13.289

Bedrag voldaan op aangifte : € 2.638

Datum aangifte : 30 oktober 2017

Voldoening op aangifte : 2 november 2017

Tenaamstelling kenteken : 17 december 2017

2.2.

In de aangiften voor de bpm heeft belanghebbende zichzelf aangemeld als aanvrager en (toekomstig) houder van de kentekens van de auto’s bij de RDW.

2.3.

Bij brieven van 21 december 2017 (auto 1) en 12 januari 2018 (auto 2) heeft de Inspecteur zijn voornemens om de bezwaren ongegrond te verklaren, gemotiveerd aan de gemachtigde van belanghebbende (hierna: gemachtigde) medegedeeld. In deze brieven is onder meer de volgende passage onder het kopje: ‘Mogelijkheid om te worden gehoord’ opgenomen: “Indien u het niet eens bent met mijn voornemen, heeft u het recht om te worden gehoord. Hiertoe zal ik u een voorstel doen dan wel heeft u inmiddels een voorstel ontvangen.”

2.4.

Bij brief van 12 februari 2018 heeft de Inspecteur gemachtigde voor beide auto’s in de gelegenheid gesteld om op 1 maart 2018 te worden gehoord.

2.5.

Bij brief van 19 februari 2018 heeft de Inspecteur de gemachtigde een tweede uitnodiging gestuurd voor een hoorgesprek op 6 maart 2018. De inhoud van de brief luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “(…) Betreft: Uitnodiging horen 12 februari 2018 (tweede uitnodiging)

(…)

Hierbij stel ik u op 6 maart 2018, van 13.00 uur tot 16.00 uur in gelegenheid om gehoord te worden. Dit is de tweede uitnodiging.

(…)

De dossiers komen overeen met de dossiers in de brief van 12 februari 2018 betreffende Uitnodiging horen 1 maart 2018. Voor deze dossiers is dit een 2de uitnodiging tot horen. (…)’

2.6.

Bij brief van 7 maart 2018 heeft de Inspecteur een aangepaste uitnodiging aan gemachtigde verzonden. De inhoud van de brief luidt voor zover relevant als volgt: “(…)

Betreft: Aangepaste uitnodiging horen 27 maart 2018

(…)

Hierbij stel ik u op 27 maart 2018, van 13.00 uur tot 16.00 uur in gelegenheid om gehoord te worden. Dit is de derde uitnodiging.

(…)

De dossiers komen overeen met de dossiers in de brief van 12 februari 2018 betreffende Uitnodiging horen 1 maart 2018 en de brief van 19 februari 2018. Voor deze dossiers is dit een 3de uitnodiging tot horen. (…)’

2.7.

Op 27 maart 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de Inspecteur en de gemachtigde. In het verslag daarvan van 17 april 2018 heeft de Inspecteur hierover het volgende geschreven:

“(…). De Belastingdienst zal voortgaan met het schriftelijk uitnodigen van de heer [naam2] . Daarbij zal telkens een overzicht worden gevoegd van de 'horen' dossiers. Tevens zal er de mogelijkheid worden geboden de dossiers van te voren in te zien. Het is niet de bedoeling dat tijdens het hoorgesprek er alsnog uitgebreid inzage wordt verlangd. Indien de voorgestelde datum niet schikt kan in overleg een andere datum worden afgesproken. In de praktijk wordt echter door gemachtigde slechts 'afgewezen'. Een alternatieve datum wordt nimmer voorgesteld. De Belastingdienst zal in voorkomend geval een nieuwe uitnodiging versturen. Het aantal nieuwe, opeenvolgende uitnodigingen (voor dezelfde dossiers) zal echter beperkt zijn. Op enig moment zal geconcludeerd worden dat er wordt afgezien van het recht gehoord te worden.

Met het versturen van een schriftelijke uitnodiging voldoet de Belastingdienst aan de plicht belanghebbenden gelegenheid te geven gehoord te worden.

De heer [naam2] heeft (op 26 maart 2018) telefonisch laten weten enkel in 'zijn eigen' dossiers gehoord te worden. Dat betekent dat de dossiers waarin de heer [naam3] betrokken is vandaag niet behandeld kunnen worden. De heer [naam3] is immers niet aanwezig.

In reactie hierop stelt de heer [naam2] dat de heer [naam3] altijd gehoord wil worden en ook altijd bij hoor gesprekken aanwezig wil zijn. De heer [naam3] haakt af vanwege het feit dat het 'te strikt' geregeld wordt. In plaats van een uitnodiging per brief, wenst de heer [naam3] telefonisch uitgenodigd te worden voor een hoorgesprek. Tevens geeft de heer [naam2] aan dat in de uitnodiging tot horen niets staat over telefonisch contact opnemen indien hij of belanghebbende verhinderd is en dat er ook geen termijn voor het geven van een reactie wordt genoemd.

In reactie hierop stelt de heer [naam5] dat er al een keer telefonisch contact is geweest met de heer [naam3] , maar ook toen kwamen alle voorgestelde data hem niet uit. En ook toen kwam de heer [naam3] niet met alternatieve datums.

(…)

De heer [naam2] geeft vervolgens aan voor alle dossiers in beroep te gaan en te pleiten voor terug verwijzing wegens schending van de hoorplicht. Hij is er van overtuigd dat de rechtspraak hier in mee zal gaan. Dat wordt dan een ongewenste situatie voor alle betrokken partijen. Daarbij liggen er volgens de heer [naam2] nog honderden oude bezwaren. Hij snapt niet dat de belastingdienst er voor kiest om de dossiers op deze manier af te handelen. Hij wijst op een afspraak die recentelijk gemaakt is met MKB kantoor Eindhoven. Vele (oude) dossiers zijn volgens hem op een effectieve manier opgelost en ook zijn er goede afspraken gemaakt voor de toekomst. Hij snapt niet waarom zo'n zelfde soort afspraken niet gemaakt kunnen worden met kantoor Doetinchem.

De heer [naam5] geeft aan dat dergelijke afspraken niet meer gemaakt worden. Kantoor

Doetinchem valt onder een ander segment / ander management. Volgens de systemen van de Belastingdienst zijn er overigens nog maar een handjevol bezwaren van voor 2016. Het aantal beroepszaken loopt langzaam op.

Over de inhoud van de (jongste) bezwaarschriften stelt de heer [naam5] dat deze nagenoeg allemaal grieven bevatten die niet aansluiten bij de inhoud van de aangiftes.

In hoor gesprekken worden de 'echte' grieven pas aangevoerd. Dit gebeurt ook in de beroepsfase. De indruk bestaat dat het belanghebbende/gemachtigde om de proceskostenvergoeding gaat.

De heer [naam2] geeft aan dat de Belastingdienst (vooral kantoor Doetinchem) altijd over de proceskostenvergoeding begint, maar dat het hem daar niet om te doen is.

(…)

De heer [naam2] benadrukt dat de heer [naam3] geen beperking heeft aangebracht in de machtiging (schriftelijk is er niets te zien). Hij mag als gemachtigde zelfstandig beslissen, maar wil de heer [naam3] graag als belanghebbende of als bijstand meenemen. Meer hoeft er niet gezegd te worden. 'Ik heb respect voor mijn klanten. Als mijn klant zegt dat hij er bij wil zijn, dan kan dat. Als de heer [naam3] niet mee kan, dan ga ik niet'.

De heer [naam5] stelt dat de heer [naam3] belanghebbende is in zijn 'eigen' dossiers. Er zijn echter andere belanghebbenden, zoals [naam6] en [naam7] , door wie de heer [naam2] rechtstreeks gemachtigd is. Ook in deze dossiers wenst de heer [naam2] niet gehoord te worden indien de heer [naam3] niet aanwezig is. Wat is dan de rol van de heer [naam3] ? In zijn eigen dossiers kan de heer [naam3] aanwezig zijn als belanghebbende, maar in deze zaken ( [naam6] of [naam7] ) is hij geen belanghebbende. Hij zou wel als bijstand aanwezig kunnen zijn. Doordat de heer [naam2] ook in die dossiers niet zonder de heer [naam3] wil verschijnen is niet duidelijk of en in hoeverre de machtigingen beperkt zijn.

De heer [naam5] vraagt of de heer [naam2] vindt dat de afspraken voor de hoor gesprekken met de heer [naam3] gemaakt moeten worden?

De heer [naam2] : 'Als dit allemaal zo genotuleerd wordt dan zeg ik dat het niet klopt.'

De heer [naam5] : 'Dan gaan we het gesprek nu opnemen.'

De heer [naam2] : 'Dan stop ik met het hoorgesprek.'

(Het gesprek wordt zonder opname voortgezet)

(…)

De heer [naam2] wil de heer [naam3] er graag bij hebben, het is een grote klant van hem. Als de heer [naam3] van mening zou zijn dat hij schade heeft geleden door het handelen als gemachtigde (zonder hem), zou hij de heer [naam2] mogelijk civielrechtelijk vervolgen. De heer [naam2] begrijpt dat de Belastingdienst structureel de vaart er in wil houden. Dat is ons goed recht en hij begrijpt dat het niet gewenst is om weer in een situatie te komen waarin de dossiers zich blijven opstapelen. De Belastingdienst is al een tijdje bezig met het sturen van brieven. Hij heeft al vaker aangegeven dat het op deze manier niet werkt. Waarom belt u niet naar de heer [naam3] ?

NADER/CONCLUSIE (niet uitgesproken tijdens het hoorgesprek):

Uit de verklaringen van de heer [naam2] moet opgemaakt worden dat de machtigingen niet beperkt zijn. Uitnodigingen voor hoor gesprekken worden gezonden aan de heer [naam2] . Hij is immers de gemachtigde. Als de heer [naam2] de belanghebbende (of iemand als bijstand) wil meenemen dan zorgt de heer [naam2] voor diens aanwezigheid.

4. De volgende dossiers zijn besproken:

[Hof: niets ingevuld]

De overige dossiers van de uitnodiging zijn niet ingezien en ook niet besproken.”

2.8.

Bij uitspraken op bezwaar van 4 juni 2018 heeft de Inspecteur de bezwaren ongegrond verklaard. In de uitspraken is met betrekking tot het hoorgesprek het volgende opgenomen:

“Op 7 maart 2018 nodigde ik u uit voor een hoorgesprek op 27 maart 2018. Het betrof een aantal dossiers waarvoor ik u al twee keer eerder uitnodigde. Na eerdere afwijzing liet u op 26 maart 2018 telefonisch weten gehoord te willen worden. Echter niet in de dossiers van uw cliënt [naam8] B.V. (vertegenwoordigd door de heer [naam3] ) en cliënten van [naam8] B.V. De heer [naam3] wil aanwezig zijn bij de hoor gesprekken maar heeft geen gevolg gegeven aan de uitnodiging. U wilt niet 'handelen' zonder aanwezigheid van de

heer [naam3] .

Tijdens het hoorgesprek is in algemene zin gesproken over de mogelijke aanwezigheid van de heer [naam3] in zijn hoedanigheid van belanghebbende of als bijstand. Van het hoorgesprek is een verslag gemaakt dat aan u is verzonden. U heeft daar niet op gereageerd. In het verslag heb ik de volgende conclusie getrokken:

'Uit de verklaringen van de heer [naam2] moet opgemaakt worden dat de machtigingen niet beperkt zijn. Uitnodigingen voor hoor gesprekken worden gezonden aan de heer [naam2] . Hij is immers de gemachtigde. Als de heer [naam2] de belanghebbende (of iemand als bijstand) wil meenemen dan zorgt de heer [naam2] voor diens aanwezigheid.'

In het hoorgesprek is onderhavig dossier niet besproken. Geconcludeerd wordt dat is afgezien van het recht gehoord te worden.”

2.9

De Rechtbank heeft de beroepen van belanghebbende ongegrond verklaard.

3 Geschil

Tussen partijen zijn verschillende punten in geschil die in onderdeel 4 nader zullen worden vermeld.

4 Beoordeling van het geschil

Hoorplicht

4.1.

Belanghebbende stelt dat de Inspecteur de hoorplicht heeft geschonden door op 4 juni 2018 uitspraken op bezwaar te doen zonder belanghebbende te hebben gehoord. Daarom moet de zaak volgens belanghebbende worden teruggewezen naar de Inspecteur.

4.2.

Met de Inspecteur en de Rechtbank is het Hof van oordeel dat de hoorplicht in deze zaken niet is geschonden. Het Hof verenigt zich dienaangaande met hetgeen in de overwegingen 11 en 12 van de uitspraak van de Rechtbank is overwogen en maakt dit tot de zijne. Dat er in het onderhavige geval sprake is van een Unierechtelijke component, leidt niet tot een andere conclusie (vgl. Hoge Raad 22 januari 2021, nr. 19/03309, ECLI:NL:HR:2021:84).

Bewijslastverdeling

4.3.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat op grond van het Unierecht op de Inspecteur de bewijslast rust om te waarborgen dat niet meer bpm wordt geheven dan op soortgelijke binnenlandse voertuigen.

4.4.

De Inspecteur is van mening dat volgens vaste jurisprudentie de bewijslast voor ‘waardeverminderende factoren’ op belanghebbende rust.

4.5.

Het betoog van belanghebbende dat op basis van het Unierecht – artikel 110 van het VWEU – het aan de Inspecteur is om aannemelijk te maken dat de verschuldigde bpm niet te hoog is vastgesteld en dat hij daarom gehouden is om alle relevante informatie aan het dossier toe te voegen, is onjuist. Uit de arresten van de Hoge Raad van 12 mei 2017, nr. 15/03459, ECLI:NL:HR:2017:847 en van 21 september 2018, nr. 17/02947, ECLI:NL:HR:2018:1695 volgt dat op een belastingplichtige die zich beroept op een vermindering van de door hem op aangifte betaalde bpm, de plicht rust om feiten te stellen en, bij betwisting door de inspecteur, aannemelijk te maken die kunnen leiden tot een vermindering van de verschuldigde belasting. Artikel 110 van het VWEU verzet zich niet tegen deze bewijslastverdeling. De belastingplichtige moet wel voldoende gelegenheid worden geboden het van hem verlangde bewijs te leveren (vgl. HR 17 januari 2020, nr. 18/03802, ECLI:NL:HR:2020:63).

Hoogte bpm - ‘Ex-rental’

4.6.

Belanghebbende stelt zich ter zake van auto 2 op het standpunt dat op grond van artikel 110 VWEU voor de bepaling van de afschrijving dient te worden uitgegaan van de waarde van een personenauto die een verhuurverleden heeft ('ex-rental'), ook als de betreffende auto niet als huurauto is gebruikt, omdat dit de laagst mogelijke waarde is. Volgens belanghebbende is niet uit te sluiten dat de betreffende auto is gebruikt als huurauto. De waarde van de auto, dus ook de verschuldigde belasting dient daarom te worden verminderd, aldus belanghebbende. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende deze grief voor wat betreft auto 1 ingetrokken, omdat bij de berekening van de handelsinkoopwaarde van deze auto in de koerslijst ervan is uitgegaan dat het een ex-rental betreft.

4.7.

De Inspecteur stelt dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat de onderhavige auto 2 een 'ex-rental' of een 'soortgelijk gebruikt voertuig' is, zodat de door belanghebbende voorgestane vergelijking niet opgaat.

4.8.

Het betoog van belanghebbende faalt op de gronden als vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 28 februari 2020, nr. 19/00619, ECLI:NL:HR:2020:331. In dit arrest heeft de Hoge Raad - kort gezegd - geoordeeld dat de vermindering van de waarde in verband met 'ex-rental' alleen kan worden toegepast indien er ook daadwerkelijk sprake is van een 'ex-rental' voertuig. Belanghebbende, op wie te dezen de stelplicht en de bewijslast rust, heeft niet (voldoende) gemotiveerd gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat de betreffende auto een 'ex-rental' en/of daarmee vergelijkbaar voertuig is.

Hoogte bpm - Extra leeftijdskorting

4.9.

Belanghebbende heeft aanspraak gemaakt op toepassing van een ‘extra leeftijdskorting’.

4.10.

Als gevolg van het verstrijken van de termijn tussen de datum van aangifte en de datum waarop de tenaamstelling van de auto’s heeft plaatsgevonden, bestaat in beginsel recht op een extra leeftijdskorting voor belanghebbende. De berekeningen van die extra leeftijdskortingen zijn als volgt:

Auto 1:

Ten tijde van de aangifte (30 oktober 2017) was de auto 10 maanden en 14 dagen oud. De afschrijving op grond van de tabel van artikel 8, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (2017) was op dat moment 30,888%. Dit betekent dat de herrekende BPM kan worden vastgesteld op € 1.532: (1 -/- 0,30888) = € 2.216. Op het moment van de tenaamstelling (8 maart 2018) was de auto 14 maanden en 20 dagen oud. De tabelafschrijving bedroeg op dat moment 36,664%. Dit betekent dat de verschuldigde bpm met inachtneming van het opgetreden tijdsverloop sinds het moment van aangifte, op het moment van registratie nog (1 -/- 0,36664) x € 2.216 = € 1.403 bedraagt. Belanghebbende heeft derhalve een bedrag van € 1.532 -/- € 1.403 = € 129 te veel op aangifte voldaan.

Auto 2:

Ten tijde van de aangifte (30 oktober 2017) was de auto 3 jaar, 7 maanden en 13 dagen oud. De afschrijving op grond van de tabel van artikel 8, vijfde lid, van genoemde Uitvoeringsregeling (2017) was op dat moment 63,5%. Dit betekent dat de herrekende BPM kan worden vastgesteld op € 2.638: (1 -/- 0,635) = € 7.227. Op het moment van de tenaamstelling (17 december 2017) was de auto 3 jaar en 9 maanden. De tabelafschrijving bedroeg op dat moment 64,25%. Dit betekent dat de verschuldigde BPM met inachtneming van het opgetreden tijdsverloop sinds het moment van aangifte, op het moment van registratie nog (1 -/- 0,6425) x € 7.227 = € 2.583 bedraagt. Belanghebbende heeft derhalve een bedrag van € 2.638 -/- € 2.583 = € 55 te veel op aangifte voldaan.

Interne compensatie

4.11.

De Inspecteur heeft zich ter zitting met betrekking tot auto 2 erop beroepen dat dit echter niet ertoe leidt dat belanghebbende in het gelijk moet worden gesteld. Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende namelijk ten onrechte 100% van de geraamde herstelkosten als waardevermindering in aanmerking genomen. Dat moet volgens de Inspecteur conform artikel 3.5 van de bijlage 1 bij de hiervoor genoemde uitvoeringsregeling 72% zijn. Alsdan heeft belanghebbende volgens de Inspecteur voor auto 2 eerder te weinig dan teveel bpm op aangifte voldaan. In dat verband heeft de Inspecteur zich uitdrukkelijk en ondubbelzinnig beroepen op toepassing van ‘interne compensatie’.

4.12.

Het Hof is van oordeel dat ‘interne compensatie’ in het kader van de voldoening op aangifte van bpm per auto – dus niet tussen de auto’s onderling – is toegestaan. Het Hof verwijst voor de gronden daartoe naar zijn uitspraak van 16 maart 2021, nr. 19/00394, ECLI:NL:GHARL:2021:2545, overwegingen 4.16 en 4.17.

4.13.

Op grond van artikel 3.5 van bijlage 1 bij de genoemde uitvoeringsregeling geldt als uitgangspunt dat de waardevermindering als gevolg van schade wordt vastgesteld op 72% van het schadebedrag. Op belanghebbende rust de last aannemelijk te maken dat de waardevermindering als gevolg van schade aan een auto (niet zijnde normale gebruiksschade) meer bedraagt dan 72% van het schadebedrag (vgl. HR 12 juli 2019, nr. 18/02955, ECLI:NL:HR:2019:1084). In zoverre belanghebbende betoogt dat deze bepaling in strijd komt met het Unierecht en daarom onverbindend is, faalt dit betoog. Het Hof verwijst daarvoor naar de conclusie van A-G Wattel van 22 maart 2019, nrs. 18/02951 t/m 18/02956, ECLI:NL:PHR:2019:276, onderdeel 7, waarmee het Hof zich verenigt.

4.14.

Het Hof acht niet aannemelijk dat de waardevermindering als gevolg van de schade meer dan 72% van de geraamde herstelkosten bedraagt. Belanghebbende heeft daartoe geen bewijs bijgebracht. Een nadere toelichting waarom de taxateur 100% in plaats van 72% van de begrote herstelkosten heeft genomen, ontbreekt. Dit betekent dat belanghebbende voor auto 2 € 1.837 teveel aan schade in aanmerking heeft genomen. Dat bedrag is ruimschoots toereikend om het in overweging 4.10 genoemde bedrag van € 55 intern te compenseren, zoals door de Inspecteur is bepleit.

Hoogte bpm - Tussentijds tarief

4.15.

In de uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur aangevoerd dat met betrekking tot beide auto’s het meest voordelige tarief is toegepast. Daartegen zijn door belanghebbende geen (voldoende onderbouwde) klachten aangevoerd.

Heffings- en betalingsmodaliteiten

4.16.

Belanghebbende stelt dat voor te importeren voertuigen eerder betaling van bpm moet plaatsvinden dan voor reeds in het binnenland geregistreerde voertuigen, terwijl artikel 110 van het VWEU zich verzet tegen verschillende heffings- en betalingsmodaliteiten.

4.17.

De Inspecteur stelt dat de heffing in Nederland niet aansluit bij de invoer van een buitenlands voertuig, maar bij de registratie ervan, net zoals het geval is bij binnenlandse voertuigen. Van enige discriminatie is naar zijn mening geen sprake. Het wettelijke systeem van de bpm is niet in strijd met het Unierecht, aldus de Inspecteur.

4.18.

Het Hof is van oordeel dat het niet in strijd is met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten een registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt (vgl. HR 26 maart 2021, nr. 20/00706, ECLI:NL:HR:2021:415, r.o. 3.6.4.). Het betoog van belanghebbende dat hij te vroeg heeft betaald, faalt.

Gelijkheidsbeginsel

4.19.

Belanghebbende heeft gesteld dat aan vergunninghouders als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet bpm), tot twee maanden uitstel van betaling wordt verleend van de op aangifte verschuldigde bpm. Dit moet naar de mening van belanghebbende inhouden dat aan hem, als niet-vergunninghouder, een passende rentevergoeding toekomt nu hij de belasting heeft moeten betalen voordat de auto op naam is gesteld in het kentekenregister. De Inspecteur heeft dit bestreden.

4.20.

Artikel 8 van de Wet bpm bepaalt – voor zover van belang – dat de inspecteur, onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden en beperkingen, een ondernemer die in het kader van zijn bedrijfsuitoefening regelmatig om opgave van een kenteken verzoekt voor personenauto's of motorrijwielen waarvan het kenteken op naam van een ander wordt gesteld, op aanvraag bij voor bezwaar vatbare beschikking kan toestaan de belasting per tijdvak te voldoen.

4.21.

Voor zover belanghebbende heeft beoogd te stellen dat door de wettelijke regeling het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijke wetgeving is geschonden, deelt het Hof dit standpunt niet. Het Hof ziet in de omstandigheid dat aan ondernemers onder voorwaarden vergunning wordt verleend (vergunninghouders) om de belasting per tijdvak te voldoen, terwijl dit niet is toegestaan aan niet-vergunninghouders, niet een schending van het gelijkheidsbeginsel, nu geen sprake is van feitelijk en rechtens gelijke gevallen.

4.22.

In zoverre belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de Inspecteur het gelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden, faalt dit evenzeer aangezien belanghebbende daartoe geen feitelijke onderbouwing heeft gegeven.

Passende rentevergoeding

4.23.

Belanghebbende maakt aanspraak op een passende rentevergoeding over de op grond van het Unierecht onverschuldigd betaalde bpm. Volgens belanghebbende vloeit het recht op vergoeding van rente – over de gehele termijn waarover zij niet over de onverschuldigd betaalde belasting heeft kunnen beschikken – rechtstreeks uit het Unierecht voort, zonder dat daaraan een verzoek ten grondslag behoeft te worden gelegd. Dit betoog slaagt niet op de gronden als vermeld in de rechtsoverwegingen 66 tot en met 69 van het arrest Sole-Mizo (HvJ EU 23 april 2020, ECLI:EU:C:2020:292). Het vereiste dat belanghebbende voor de vergoeding van ‘Irimie-rente’ op grond van artikel 28c van de Invorderingswet 1990 een afzonderlijk verzoek moet indienen bij de Ontvanger levert derhalve geen strijd op met de Unierechtelijke vereisten van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid.

4.24.

Indien het Hof moet verstaan dat in het betoog van belanghebbende de aanspraak op vergoeding van belastingrente ligt besloten, faalt dit betoog eveneens. Artikel 30ha, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) regelt dat er ook belastingrente wordt vergoed als er recht ontstaat op een teruggaaf die verband houdt met een eerder door de inspecteur ingenomen standpunt over de hoogte van de verschuldigde belasting. Het betreft hier uitsluitend situaties waarin de belanghebbende het niet eens is met de hoogte van de aangifte- en afdrachtverplichting die het gevolg is van het standpunt van de inspecteur en daarom bezwaar maakt tegen de eigen aangifte (zie Kamerstukken II, 2011-2012, 33 003, nr. 3, p. 128). Ter zake van auto 2 bestaat geen rechtop een teruggaaf, zodat reeds daarom geen recht op belastingrente bestaat. De ter zake van auto 1 te verlenen teruggave van bpm houdt geen verband met een door de Inspecteur voorafgaand aan de aangifte ingenomen standpunt. Er bestaat daarom geen recht op belastingrente op grond van artikel 30ha van de AWR.

Tijdstip betaling en hoogte griffierecht

4.25.

Belanghebbende klaagt erover dat hij ten onrechte het griffierecht voor het (hoger) beroep eerst volledig moet betalen om het onderhavige belastinggeschil door de Rechtbank en het Hof te laten beoordelen en dat zowel de Rechtbank als het Hof te veel griffierecht heeft geheven door geen rekening te houden met de omvang van het financiële belang dat belanghebbende heeft bij onderhavige geschillen. Dit Nederlandse systeem is volgens belanghebbende in strijd met het Unierecht. Volgens belanghebbende kan de toegang tot de nationale rechter alleen worden gewaarborgd indien niet meer griffierechten worden geheven dan 4 percent van de vordering die voorwerp is van geschil.

4.26.

De Inspecteur volstaat met een verwijzing naar de wettelijke regeling.

4.27.

Deze klachten treffen naar het oordeel van het Hof, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2019, nr. 18/04973, ECLI:NL:HR:2019:1579, geen doel.

4.28.

Voorts acht het Hof de van belanghebbende geheven bedragen – door de Rechtbank een griffierecht van tweemaal € 170 en door het Hof een griffierecht van € 259 – in het onderhavige geval geen onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende de verschuldigde griffierechten heeft voldaan en geen beroep heeft gedaan op betalingsonmacht.

Rentevergoeding over het griffierecht

4.29.

Belanghebbende maakt aanspraak op vergoeding van rente over het door haar betaalde griffierecht over de periode, beginnend op de dag waarop zij het griffierecht heeft voldaan. Voor een dergelijke rentevergoeding over het griffierecht bestaat geen aanleiding op grond van het nationale recht. Ook het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente (vgl. HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623).

Samenstelling zetel Rechtbank

4.30.

Belanghebbende stelt met een beroep op artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dat een andere rechter dan degene die de hoofdzaak behandelde, had moeten oordelen over het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van die hoofdzaak. Dit betoog kan reeds niet slagen omdat de Rechtbank - terecht - niet op een dergelijk verzoek heeft beslist.

Stellen van prejudiciële vragen

4.31.

Het betoog van belanghebbende houdt in de kern in dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is het Unierecht zelf uit te leggen en toe te passen. Dit is onjuist. Het Hof verwijst daarvoor naar onderdeel 7.2. van de conclusie van A-G Wattel van 28 februari 2020, nr. 19/02693, ECLI:NL:PHR:2020:184, waarmee het Hof zich verenigt. Tegen beslissingen van het Hof staat cassatieberoep open. Op basis van artikel 267, onderdeel b, van het VWEU is het Hof daarom wel bevoegd maar niet verplicht om prejudiciële vragen voor te leggen aan het HvJ. Het Hof ziet dan ook voor geen van de geschilpunten aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep met betrekking tot auto 1 gegrond. De Inspecteur dient aan belanghebbende een bedrag van € 129 terug te betalen. Hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd, doet aan het hiervoor overwogene, niet af.

5 Griffierecht en proceskosten.

Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te gelasten de door belanghebbende betaalde griffierechten te vergoeden, te weten € 170 voor het beroep voor auto 1 en € 259 voor het hoger beroep. Het bedrag aan griffierecht dat door belanghebbende in beroep voor auto 2 is betaald komt niet voor vergoeding in aanmerking, aangezien dat beroep terecht door de Rechtbank ongegrond is verklaard.

Het standpunt van belanghebbende dat de Inspecteur moet worden veroordeeld tot een hogere kostenvergoeding dan voortvloeit uit de forfaitaire bedragen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) voor de fasen van bezwaar en (hoger) beroep, volgt het Hof niet. Op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb kan in bijzondere omstandigheden worden afgeweken van de forfaitaire bedragen van het Bpb. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is naar het oordeel van het Hof in geen fase van het geding sprake. Het enkele feit dat het (hoger) beroep Unierechtelijk is ingekleed noopt hiertoe niet. Het Hof volgt belanghebbende ook niet in zijn standpunt dat aan artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie een hogere vergoeding kan worden ontleend, omdat een forfaitaire vergoeding volgens het Bpb niet passend zou zijn. Van een vergaande mate van onzorgvuldigheid of handelen tegen beter weten in aan de zijde van de Inspecteur, is ten slotte evenmin sprake.

Belanghebbende maakt voorts aanspraak op forfaitaire vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken. Ook hiervoor bestaat naar het oordeel van het Hof geen grond. Gelet op het hiervoor overwogene is het Hof namelijk van oordeel dat de vermindering van de verschuldigde bpm ingevolge de toepassing van een extra leeftijdskorting voor auto 1, niet het gevolg is van een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid.

Het Hof ziet, nu het hoger beroep gegrond is, wel aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Bpb vast op € 2.136 (4 punten (beroepschrift, hogerberoepschrift en twee keer bijwonen zitting  wegingsfactor 1  € 534).

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het beroep bij de Rechtbank inzake auto 2 ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep bij de Rechtbank inzake auto 1 gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar inzake auto 1;

  • -

    stelt het verschuldigde bedrag aan bpm voor auto 1 nader vast op € 1.403;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2.136;

  • -

    draagt de Inspecteur op tot vergoeding van wettelijke rente over de vergoeding van de proceskosten vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak van het Hof tot aan de dag van algehele voldoening.

  • -

    gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht van in totaal € 429 vergoedt;

  • -

    draagt de Inspecteur op tot vergoeding van wettelijke rente over de vergoeding van de griffierechten vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak van het Hof tot aan de dag van algehele voldoening.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, lid van de tiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2021

De griffier is verhinderd de uitspraak De raadsheer,

te ondertekenen.

(R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 11 augustus 2021

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.