Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:7672

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-08-2021
Datum publicatie
12-08-2021
Zaaknummer
200.296.551
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging ondertoezichtstelling 1:255 lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.296.551

(zaaknummer rechtbank Gelderland 385434)

beschikking van 10 augustus 2021

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats1] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.J. Verwers te Wageningen,

en

de raad voor de kinderbescherming,

gevestigd te Arnhem,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

de gecertificeerde instelling

Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Arnhem,

verder te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, (hierna: de kinderrechter) van 14 januari 2021, 26 januari 2021 en 29 maart 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 29 maart 2021 wordt hierna ‘de bestreden beschikking’ genoemd.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met productie, ingekomen op 28 juni 2021, en

  • -

    het verweerschrift.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 26 juli 2021 plaatsgevonden. Aanwezig waren:

  • -

    de moeder en haar advocaat;

  • -

    [naam1 ] namens de raad, en

  • -

    [naam2] en [naam3] namens de GI.

2.3

Met instemming van de moeder en de GI heeft de raad de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland van 23 juni 2021 (zaaknummer 388894) aan het hof per email nagezonden.

3 De feiten

3.1

[de minderjarige] , geboren [in] 2016 te [plaats1] , is de zoon van de moeder. De moeder oefent alleen het gezag uit over [de minderjarige] .

3.2

Bij beschikking van 11 januari 2019 heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Coöperatie Jeugd Veilig Verder tot 11 januari 2020. Deze ondertoezichtstelling is niet verlengd.

3.3

Bij beschikking van 14 januari 2021 heeft de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI tot 14 april 2021. Bij beschikking van 19 januari 2021 heeft de kinderrechter de GI vervangen door de gecertificeerde instelling Coöperatie Jeugd Veilig Verder.

3.4

Bij beschikking van 14 januari 2021 heeft de kinderrechter de GI gemachtigd tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (netwerk) voor de duur van vier weken, tot uiterlijk 11 februari 2021. Bij beschikking van 26 januari 2021 heeft de kinderrechter deze machtiging verlengd tot uiterlijk 14 april 2021.

3.5

[de minderjarige] is na de beschikking van 14 januari 2021 bij zijn grootouders gaan wonen. In april is [de minderjarige] weer – eerst gedeeltelijk en vervolgens volledig – bij de moeder gaan wonen.

3.6

Op 31 mei 2021 heeft de GI opnieuw verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg. De kinderrechter heeft de beslissing op dat verzoek bij beschikking van 23 juni 2021 aangehouden voor de duur van vier maanden, zodat in die periode kan worden gekeken of er verbetering in de

thuissituatie bij de moeder mogelijk is.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – bestreden beschikking heeft de kinderrechter [de minderjarige] op verzoek van de raad onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 29 maart 2021 tot 29 maart 2022.

4.2

De moeder is met een grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Met deze grief beoogt zij het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen.

De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige] alsnog af te wijzen, dan wel de ondertoezichtstelling te beperken tot drie maanden.

4.3

De raad voert verweer en vraagt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

  1. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

  2. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

5.2

Het hof is net als de kinderrechter van oordeel dat sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [de minderjarige] . Er zijn veel zorgen over [de minderjarige] en over de situatie bij de moeder, bijvoorbeeld over de taal- en spraakontwikkeling van [de minderjarige] , over zijn zelfstandigheid en zijn eetpatroon, en daarnaast over het drugsgebruik van de moeder. Ook na de bestreden beschikking zijn nog zorgmeldingen gedaan. Het gaat dus om meer dan alleen de psychische problemen van de moeder, die volgens de moeder nu weer met medicijnen verholpen zouden zijn.

Vanwege de zorgen is het nodig dat er hulpverlening wordt ingezet. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de moeder via de huisarts is verwezen naar Iriszorg en dat een kennismaking heeft plaatsgevonden met [naam4] , dat opvoedondersteuning en buitenschoolse opvang zal gaan verzorgen. Dat de moeder deze hulpverlening, die de GI nodig vindt en die met behulp van de GI is opgestart, nu accepteert is positief. Dat betekent echter niet dat een ondertoezichtstelling niet – langer – nodig is. Het hof verwacht niet dat de moeder zelf inziet en kan overzien welke hulp nodig is en die hulp zelf kan (blijven) inzetten als de GI haar daarbij niet ondersteunt. Ook is het nog de vraag wat de moeder zal doen met de adviezen die zij van de hulpverleners zal krijgen. Tijdens de eerdere ambulante spoedhulp heeft de hulpverlener vastgesteld dat de moeder adviezen in de wind slaat en dingen toch doet zoals zij zelf denkt dat goed is.

5.3

Het hof zal om de hiervoor genoemde redenen de beslissing van de kinderrechter in stand laten. Dat betekent dat [de minderjarige] tot (in ieder geval) 29 maart 2022 onder toezicht van de GI blijft. De moeder vindt dat te lang, maar het hof verwacht, ook gehoord de GI die tijdens de mondelinge behandeling hierop een toelichting heeft gegeven, dat die tijd nodig is omdat de hulpverlening nog moet beginnen en tijd nodig heeft om verbeteringen te kunnen doorvoeren.
De kinderrechter is er in de beschikking van 23 juni 2021 (waarbij de beslissing op het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing is aangehouden om de moeder de gelegenheid geven te laten zien dat zij meewerkt aan de hulpverlening en dat zij goede beslissingen kan nemen voor [de minderjarige] ) ook van uitgegaan dat de ondertoezichtstelling tot 29 maart 2022 doorloopt.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 29 maart 2021.

Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, J.B. de Groot en E. de Boer, bijgestaan door mr. H. Bouhuys als griffier, en is op 10 augustus 2021 uitgesproken in het openbaar door mr. E. de Boer in tegenwoordigheid van de griffier.