Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:7666

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-08-2021
Datum publicatie
12-08-2021
Zaaknummer
200.291.136
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging afwijzing verzoek wijziging overeengekomen partneralimentatie en verklaring voor recht. Voldaan aan inspanningsplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2021/119 met annotatie van Derks, A.M.E.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.291.136

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 493329 en 493331)

beschikking van 10 augustus 2021

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats1] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. R. Mulder te Lichtenvoorde,

en

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats2] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.J. Boekhout te Zeist.

1 De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 11 december 2020, uitgesproken onder voormelde zaaknummers (hierna: de bestreden beschikking).

2 De procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift, ingekomen op 26 februari 2021;

  • -

    het verweerschrift met producties;

  • -

    een journaalbericht van mr. Boekhout van 17 juni 2021 met producties.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 30 juni 2021 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is [in] 2013 ontbonden door echtscheiding.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van:

  • -

    [de jong-meerderjarige] , geboren [in] 2002 in [plaats1] , en

  • -

    [de minderjarige] , geboren [in] 2004 in [plaats1] .

3.3

Bij echtscheidingsconvenant van 18 oktober 2013 zijn de man en de vrouw overeengekomen dat de man aan de vrouw met ingang van 1 november 2013 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie) € 550,- per kind per maand betaalt, vanaf 1 januari 2015 jaarlijks verhoogd met de wettelijke indexering, en dat de man met ingang van 1 november 2013 als uitkering tot levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) € 1.900,- bruto per maand zal betalen, gelijk aan de door partijen tot uitgangspunt genomen behoefte van de vrouw. De behoefte van de vrouw en de partneralimentatie zullen met ingang van 1 januari 2019 jaarlijks per 1 januari worden verhoogd met de wettelijke indexering. Over de inkomsten van de vrouw zijn partijen overeengekomen:

Eigen inkomsten alimentatiegerechtigde

2.6

Bij de vaststelling van de alimentatie voor de vrouw is er vanuit gegaan dat de vrouw ten tijde van het ondertekenen van het convenant geen inkomsten uit arbeid heeft. De vrouw zal zich inspannen een eigen inkomen te verwerven teneinde in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

Kortingsregeling (…)

2.8

Indien de vrouw inkomsten uit arbeid gaat verwerven, zullen deze inkomsten, zolang zij een bedrag van € 3.600,00 bruto per jaar niet te boven gaan, geen invloed hebben op de hoogte van de alimentatie. Indien de eigen inkomsten uit arbeid dit bedrag van € 3.600,00 te boven gaan, zal de alimentatie verminderd worden met 75% van het meerdere. De in dit artikel genoemde bedragen worden jaarlijks per 1 januari, voor het eerst op 1 januari 2019, verhoogd met hetzelfde percentage als waarmee de alimentatie ingevolge de in artikel 2.7 vastgelegde indexeringsregeling zal stijgen.

2.9

Na het verstrijken van ieder kalenderjaar gaan partijen over tot afrekening op basis van de regeling zoals neergelegd in artikel 2.8. (…)

2.10

Indien de vrouw in de loop van enig kalenderjaar inkomsten gaat verwerven, zal zij dit onverwijld aan de man mededelen, zodat de te betalen bijdrage schattenderwijd kan worden aangepast. De definitieve afrekening over het betreffende jaar zal plaatsvinden zoals vermeld in artikel 2.9.’

Het echtscheidingsconvenant maakt deel uit van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 4 december 2013.

3.4

Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de partneralimentatie met ingang van 1 januari 2021 afgerond € 2.046,- per maand.

3.5

Bij beschikking van 30 juni 2016 heeft de rechtbank de verzoeken van de man tot wijziging van de kinder- en partneralimentatie afgewezen.

4 Het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de verzoeken van de man tot wijziging van de kinder- en partneralimentatie en tot een verklaring voor recht met betrekking tot de partneralimentatie afgewezen.

4.2

De man is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien op de partneralimentatie.

De man verzoekt het hof, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende (naar het hof begrijpt):

  • -

    de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 22 april 2019 dan wel 1 december 2019 te bepalen op nihil, althans met ingang van de datum die en op het bedrag dat het hof (gelet op een verdiencapaciteit van de vrouw van € 36.000,- per 1 januari 2020) juist acht, met veroordeling van de vrouw om eventueel te veel ontvangen partneralimentatie aan de man terug te betalen binnen 14 dagen na betekening van deze beschikking;

  • -

    subsidiair te verklaren voor recht dan wel te verstaan dat de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie in 2019 verminderd dient te worden met de door de vrouw ontvangen inkomsten over de periode 22 april 2019 tot en met 31 december 2019, verminderd met € 2.535,19 (252/365 x € 3.672,00) en vermenigvuldigd met 75%;

met compensatie van de proceskosten.

4.3

De vrouw voert verweer en verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken in hoger beroep, althans deze verzoeken af te wijzen, kosten rechtens.

5 De overwegingen voor de beslissing

Wijziging partneralimentatie

5.1

Op grond van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (onder meer 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3635) kan de rechter, indien komt vast te staan dat partijen bij het maken van een echtscheidingsconvenant bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, de overeenkomst slechts wijzigen indien de ene partij stelt en het hof aannemelijk oordeelt, dat na het tot stand komen van het echtscheidingsconvenant een wijziging van omstandigheden is ingetreden die meebrengt dat de andere partij, in het licht van alle dan bestaande omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Gezien de aan echtgenoten toekomende vrijheid de financiële gevolgen van hun echtscheiding zelf te regelen, zal het hof zowel bij zijn oordeel of aan deze voorwaarde is voldaan als, zo dit het geval is, bij de uitoefening van zijn bevoegdheid tot wijziging van de omtrent het levensonderhoud getroffen regeling, terughoudendheid moeten betrachten. Dit brengt mee dat het hof bij een wijziging van de uitkering tot levensonderhoud zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij wat partijen bij hun overeenkomst voor ogen stond, waarbij hij mede zal dienen te letten op het verband dat kan zijn beoogd tussen de regeling betreffende het levensonderhoud en door partijen getroffen regelingen van andere aard.

5.2

De man voert aan dat sprake is van gewijzigde omstandigheden omdat de vrouw niet heeft voldaan aan haar inspanningsverplichting inkomen te verwerven of haar verdiencapaciteit niet heeft benut.

5.3

Partijen zijn overeengekomen dat de vrouw zich zal inspannen een eigen inkomen te verwerven teneinde in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Een dergelijke inspanningsplicht ligt ook besloten in artikel 1:157 lid 1 BW oud, nu een aanspraak op partneralimentatie gelet op dat artikellid slechts bestaat als de alimentatiegerechtigde niet voldoende inkomsten heeft om volledig in haar eigen behoefte te voorzien, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven. Wat een alimentatiegerechtigde in redelijkheid aan inkomen kan verwerven, wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat partijen op dit punt hebben beoogd af te wijken van de wettelijke maatstaven en een verdergaande inspanningsverplichting hebben beoogd.

5.4

Het hof is van oordeel dat de vrouw aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan. In de periode waarop het wijzigingsverzoek ziet heeft de vrouw alleen in de maanden april en mei 2021 geen eigen inkomsten gehad. Uit de door de vrouw overgelegde stukken volgt dat zij zich voorafgaand aan april 2019 en ook daarna voldoende heeft ingespannen om inkomsten uit arbeid te verwerven. Zij heeft veelvuldig gesolliciteerd en heeft andere activiteiten ondernomen om haar kansen op de arbeidsmarkt te vergroten.

Dat de vrouw naar deeltijdfuncties heeft gesolliciteerd, maakt niet dat zij niet heeft voldaan aan haar inspanningsverplichting.

De inspanningen van de vrouw hebben ertoe geleid dat zij inkomsten heeft verworven, die met toepassing van de door partijen overeengekomen kortingsregeling in mindering zijn gebracht op de door de man verschuldigde partneralimentatie. De vrouw had in de maanden april t/m december 2019 een inkomen van € 13.132,- en in 2020 een inkomen van € 20.964,-. In de maanden januari tot en met maart 2021 ontving de vrouw een WW-uitkering. Met ingang van 8 juni 2021 heeft de vrouw opnieuw werk gevonden voor 24 tot 32 uur per week en zij verwacht een jaarinkomen van bruto € 19.292,- te gaan genereren. Gezien de werkervaring van de vrouw en de arbeidsmarkt in de sector waarin de vrouw is opgeleid, acht het hof deze inkomsten passend bij haar verdiencapaciteit. Naar het oordeel van het hof kon in redelijkheid niet van de vrouw worden gevergd dat zij gedurende haar dienstverband bleef solliciteren naar een functie voor meer uren of zich liet omscholen, zoals de man heeft aangevoerd. Het gegeven dat de vrouw een dienstverband voor bepaalde tijd had, maakt dat niet anders. De vrouw heeft voldoende onderbouwd dat zij mocht verwachten dat haar dienstverband met ingang van 1 januari 2021 zou worden omgezet in een dienstverband voor onbepaalde tijd.

5.5

Nu de vrouw zich voldoende heeft ingespannen om in haar eigen levensonderhoud te voorzien, bestaat op die grond geen aanleiding voor wijziging van de door partijen overeengekomen partneralimentatie. Wat betreft de wijze waarop inkomsten van de vrouw in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de hoogte van de door de man te betalen partneralimentatie, zijn partijen kennelijk bewust afgeweken van de wettelijke maatstaven. Wijziging is op dat punt dus slechts mogelijk als is voldaan aan de hiervoor onder 5.1 genoemde maatstaf, waarbij de rechter vanwege de contractsvrijheid van partijen terughoudendheid moet betrachten. Van een wijziging van omstandigheden die meebrengt dat de vrouw naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten, is niet gebleken. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank het verzoek van de man tot wijziging van de partneralimentatie daarom terecht afgewezen.

Verklaring voor recht

5.6

De man verzoekt om een verklaring voor recht met betrekking tot de wijze waarop de tussen partijen overeengekomen kortingsregeling in 2019 dient te worden toegepast. Hij stelt zich op het standpunt dat het geïndexeerde drempelbedrag van € 3.672,- niet in zijn geheel moet worden toegepast, nu de vrouw slechts gedurende een gedeelte van het jaar werkzaam is geweest. Volgens de man moet daarom rekening worden gehouden met een drempelbedrag passend bij dat gedeelte van het jaar, te weten (252/365 x € 3.672,00 =) € 2.535,19.

5.7

Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat uit het convenant niet kan worden afgeleid dat de hoogte van het drempelbedrag moet worden aangepast aan de periode van het jaar waarin de vrouw werkzaam is. Partijen zijn overeengekomen dat inkomsten tot een bedrag van € 3.600,- bruto per jaar (verhoogd met de wettelijke indexering) geen invloed hebben op de hoogte van de alimentatie en dat na het verstrijken van ieder kalenderjaar (definitief) zal worden afgerekend. De door de man aangevoerde uitleg sluit niet aan op de tekst van het convenant en ook niet bij de bedoeling van die bepaling. De rechtbank heeft het verzoek van de man om een verklaring voor recht daarom terecht afgewezen. De grieven van de man falen.

6 De slotsom

6.1

Op grond van wat hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen met elkaar gehuwd zijn geweest en de procedure de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 11 december 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, J.B. de Groot en R. Krijger, bijgestaan door mr. H. Bouhuys als griffier, en is op 10 augustus 2021 uitgesproken in het openbaar door mr. J.B. de Groot in tegenwoordigheid van de griffier.