Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:7657

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-08-2021
Datum publicatie
16-08-2021
Zaaknummer
21-000440-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor mishandeling en bedreiging. Het noodweer-verweer wordt verworpen, omdat aangever zijn partner, nadat zij werd geduwd door verdachte, heeft verdedigd. Vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk, omdat het causaal verband tussen het bewezenverklaarde feit en de schade niet voldoende vaststaat. Tevens zijn de immateriële schadeposten onvoldoende onderbouwd. Voorwaardelijke veroordeling van verdachte tot het betalen van een geldboete van € 500,- subsidiair 10 dagen hechtenis met een proeftijd van een jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000440-20

Uitspraak d.d.: 5 augustus 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 16 januari 2020 met het parketnummer 16-082409-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 juli 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de politierechter.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. P.J.W. de Water, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft de verdachte bij voornoemd vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, ter zake van de feiten zoals tenlastegelegd veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 500,- met een proeftijd van één jaar. Tevens is het verzoek tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] toegewezen tot een bedrag van € 229,- te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het op onderdelen tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 7 oktober 2018 te [plaats] [benadeelde partij] heeft mishandeld door hem een of meermalen in gezicht en/of tegen lichaam te slaan en/of te stompen en/of in zijn arm te bijten;

2.
hij op of omstreeks 7 oktober 2018 te [plaats] [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde partij] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak je kapot" en/of "Ik maak je dood" en/of tegen zijn hond geroepen: "Bijt hem, bijt hem dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het hof stelt op basis van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast.1

Op 7 oktober 2018 fietste aangever [benadeelde partij] samen met zijn vriendin [naam] in [plaats] . In een uitlaatgebied voor honden werden zij achtervolgd door de hond van verdachte. [naam] werd ter hoogte van haar rechter kuit of enkel gebeten door de hond. Zij probeerde de hond van zich weg te schoppen. Verdachte zei tegen haar dat ze dit niet moest doen en gaf haar daarna een duw. Zij kwam hierdoor ten val. Verdachte stond met een dreigende houding voorover gebogen over [naam] heen en schreeuwde tegen haar dat zij daar niet mocht fietsen en dat hij haar verrot zou slaan.2

Aangever is in de richting van verdachte gefietst. Hij remde en belandde hierdoor samen met verdachte op de grond.3 Op de grond hield aangever verdachte in een klem. Er is vervolgens over en weer geslagen en verdachte heeft aangever in de arm gebeten.4

Ten aanzien van feit 1, mishandeling

Verdachte wordt onder 1 verweten dat hij zich op 7 oktober 2018 schuldig heeft gemaakt aan het mishandelen van [benadeelde partij] .

De verdediging heeft op de zitting van het hof primair het verweer gevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Volgens de raadsman heeft verdachte gehandeld uit noodweer. Door getuige [getuige1] is gezien dat verdachte mevrouw [naam] een duw gaf en dat vervolgens aangever op verdachte is ingereden. Aangever remde hard en vloog voorover op verdachte. Dit is een wederrechtelijke aanranding van verdachte door de aangever. Aangever heeft verdachte in een wurggreep gehouden, waardoor verdachte geen lucht meer kreeg. De getuigenverklaringen van [getuige1] en [getuige2] ondersteunen de situatie zoals verdachte die omschrijft. De wurggreep van aangever was disproportioneel, omdat verdachte hierdoor geen adem meer kreeg. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat er met betrekking tot het slaan, schoppen en bijten onvoldoende bewijs in het dossier om te kunnen spreken van wettig en overtuigend bewijs.

Het hof overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is niet strafbaar hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een “ogenblikkelijke” aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. In het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is “geboden door de noodzakelijke verdediging” worden zowel de zogenoemde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond. De proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal.

Er zijn in deze zaak meerdere verklaringen afgelegd die beschrijven wat er op 7 oktober 2018 is gebeurd. Zoals hierboven reeds is bij de vaststelling van de feiten is overwogen heeft verdachte een duw gegeven aan [naam] waardoor zij op de grond viel. Vervolgens stond verdachte met een dreigende houding voorover gebogen over [naam] heen en schreeuwde naar haar, onder meer dat hij haar verrot zou slaan. Het hof is van oordeel dat door deze gedragingen van verdachte sprake was van een wederrechtelijke aanranding van [naam] en van een dreigende verdere wederrechtelijke aanranding waardoor het ingrijpen van aangever [benadeelde partij] gerechtvaardigd was. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het voorval zich in een kort tijdsbestek heeft afgespeeld en dat de verschillende gebeurtenissen elkaar zo snel hebben opgevolgd dat niet gezegd kan worden dat de wederrechtelijke aanranding van [naam] beëindigd was op het moment dat verdachte ingreep en dat toen in ieder geval nog sprake was van een dreigende verdere wederrechtelijke aanranding. Aangever heeft op dit punt verklaard dat hij verdachte in een klem heeft gehouden omdat hij zijn vriendin wilde beschermen en verdachte tot rust wilde brengen.

Terwijl verdachte op de grond lag en in bedwang werd gehouden door aangever riep verdachte ook nog ‘jij trapt naar mijn hond ik maak je dood’. Het optreden van aangever was in de gegeven omstandigheden dan ook gerechtvaardigd. Hierbij ziet het hof geen aanleiding om aan te nemen dat de gedraging van aangever disproportioneel was, omdat uit de verklaringen in het dossier niet volgt dat de klem zodanig was dat verdachte geen lucht meer kreeg. Onder deze omstandigheden komt verdachte naar het oordeel van het hof geen beroep op noodweer toe. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.

Het subsidiaire verweer vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen. De verklaring van aangever over het schoppen, slaan en bijten door verdachte vindt voldoende ondersteuning in de overige bewijsmiddelen.

Uit het voorgaande volgt dat de verweren van de verdediging strekkende tot vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde feit worden verworpen. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 7 oktober 2018 [benadeelde partij] heeft mishandeld.

Ten aanzien van feit 2, bedreiging

De verdediging heeft ter terechtzitting van het hof het verweer gevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is tenlastegelegd. Ter onderbouwing heeft de raadsman – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de bedreiging die verdachte jegens aangever [benadeelde partij] zou hebben gedaan niet direct wordt ondersteund in het dossier, want de getuige [naam] verklaart juist dat verdachte de bedreigingen richting haar heeft gedaan.

Het hof overweegt als volgt.

In zijn aangifte met betrekking tot bedreiging5 heeft [benadeelde partij] onder meer verklaard dat verdachte schreeuwde “ik maak je kapot” en dat hij “bijt hem dood” naar zijn hond riep. Nadat ze uit elkaar waren gehaald en omstanders verdachte vasthielden hoorde aangever verdachte schreeuwen: “Kankermongool krijg de tering, ik maak je dood, ik krijg je nog wel, ik zoek je op”.6 Getuige [naam] hoorde dat verdachte, toen aangever op de grond op hem lag, het volgende riep: “Jij trapt naar mijn hond ik maak je dood”. Daarnaast hoorde zij dat verdachte riep: “Bijt hem, bijt hem dood”.7

Het hof ziet geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen te twijfelen en stelt op basis hiervan vast dat verdachte alle bedreigende bewoordingen zoals opgenomen in de tenlastelegging heeft geuit. Gelet op de bewoordingen en de context waarin de uitlatingen zijn gedaan stelt het hof ook vast dat die uitlatingen door verdachte zijn gedaan in de richting van aangever. Dat ligt enkel anders voor de woorden “jij trapt mijn hond ik maak je dood” dat gericht lijkt te zijn geweest op [naam] . Voor het overige ziet het hof in de verklaring van [naam] geen aanwijzingen dat de uitlatingen van verdachte op haar gericht waren in plaats van op aangever.

Gelet op het voorgaande, is het hof van oordeel dat gezien de aard van de door verdachte gedane uitlatingen, alsmede de omstandigheden waaronder die zijn gedaan, te weten toen aangever [benadeelde partij] zijn vriendin [naam] probeerde te beschermen, sprake is van een bedreiging die van dien aard is dat bij de aangever in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij zijn leven zou kunnen verliezen en/of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.

Het hof verwerpt derhalve het door de raadsman gevoerde verweer.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
Hij op 7 oktober 2018 te [plaats] [benadeelde partij] heeft mishandeld door hem in het gezicht en tegen het lichaam te slaan en in zijn arm te bijten;

2.
Hij op 7 oktober 2018 te [plaats] [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [benadeelde partij] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak je kapot" en ''Ik maak je dood" en tegen zijn hond geroepen: "Bijt hem, bijt hem dood".

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

en

bedreiging met zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 7 oktober 2018 schuldig gemaakt aan mishandeling en bedreiging van [benadeelde partij] . Aanleiding hiervoor was een bijtincident van de (loslopende) hond van verdachte, wat volgens een proces-verbaal bevindingen in het dossier een paar keer eerder (in augustus 2017 en mei 2018) is voorgekomen. In plaats van zich te bekommeren om degene die door zijn hond is gebeten heeft verdachte zich agressief naar haar en haar partner gedragen. Door zo te handelen heeft verdachte geen respect getoond voor de lichamelijke integriteit van aangever. Tevens heeft verdachte met de bedreigingen gevoelens van angst en onveiligheid bij aangever teweeg gebracht. Dit rekent het hof de verdachte aan.

Het hof heeft gelet op het de verdachte betreffende uittreksel van de Justitiële Documentatie

van 15 juni 2021 waaruit volgt dat verdachte in 2004 onherroepelijk is veroordeeld voor mishandeling en in 2017 voor een overtreding een geldboete heeft gekregen. In zoverre zijn geen justitiële antecedenten aanwezig die van substantieel belang kunnen zijn bij de strafoplegging.

Het hof heeft voorts rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het incident van 7 oktober 2018 heeft ook op verdachte een grote impact gehad. Naar eigen zeggen heeft verdachte thans - na een moeilijke periode - zijn leven goed op orde.

Alles afwegend acht het hof evenals de politierechter en de advocaat-generaal een waarschuwing, in de zin van een voorwaardelijke geldboete van € 500,- met een proeftijd van één jaar, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 729,90. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 229,90. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is onvoldoende gebleken dat de gestelde schade door het onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte is veroorzaakt. De gevorderde immateriële schadeposten zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd. Met betrekking tot de (materiele) schade aan de jas is gemotiveerd verweer gevoerd. Het hof is van oordeel dat de wijze waarop de schade aan de jas is ontstaan niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld. De benadeelde partij daarom in de vordering niet worden ontvangen.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Aldus gewezen door

mr. M.C. van Linde, voorzitter,

mr. A.J. Rietveld en mr. M.B. de Wit, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A. Abdulkarim, griffier,

en op 5 augustus 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar doorgenummerde paginanummers betreffen dit de paginanummers van het proces-verbaal van politie Eenheid Midden-Nederland, district Gooi en Vechtstreek, flexteam Gooi en Vechtstreek, met dossiernummer PL0900-2018288897 en doorgenummerd van pagina 1 tot en met 34.

2 Het proces-verbaal van aangifte, pagina 3-4; het proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 23.

3 Het proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 18.

4 Het proces-verbaal van aangifte, pagina 4 en het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 29-30.

5 Het proces-verbaal aanvullend verhoor, pagina 11.

6 Het proces-verbaal van aangifte, pagina 4.

7 Het proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 24.