Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:7654

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-08-2021
Datum publicatie
16-08-2021
Zaaknummer
21-003847-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Integrale vrijspraak van opzet- en schuldheling. Vorderingen tot tenuitvoerlegging afgewezen en vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003847-19

Uitspraak d.d.: 5 augustus 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 1 juli 2019 met het parketnummer 16-081646-19 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging, parketnummers 96-218961-18 en 13-741143-16, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 juli 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vrijspraak van de verdachte.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. S.J.M. Jaasma, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het onder 2 aan de verdachte ten laste gelegde, kan de verdachte daarin niet worden ontvangen. Het hof zal de verdachte in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft de verdachte bij voornoemd vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis en met aftrek van het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand met een proeftijd van twee jaren. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf heeft de politierechter een aantal bijzondere voorwaarden verbonden. Daarnaast heeft de politierechter beslist op de vorderingen tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straffen en op het verzoek tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] .

Het hof zal het vonnis waarvan beroep, voor zover dat vatbaar is voor hoger beroep, vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - voor zover in hoger beroep aan de orde - tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 19 maart 2019 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen in vereniging, althans alleen, een goed te weten een playstation 4 en/of een nintendo switch heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Oordeel van het hof

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Uit het dossier is niet op te maken welke rol verdachte bij de tenlastegelegde heling heeft gehad. In het dossier ontbreekt een verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] , die samen met verdachte [benadeelde partij] is binnengelopen om daar de van diefstal afkomstige goederen te verkopen. Ook op een andere wijze is niet vast te stellen of verdachte (als pleger of als medepleger) de goederen voorhanden heeft gekregen/heeft verworven en of hij in dat geval wist of moest vermoeden dat het om gestolen goederen ging. Uit het dossier blijkt slechts dat verdachte aanwezig was bij de verkoop van de goederen door [medeverdachte] aan [benadeelde partij] . Nu het hof niet kan komen tot vaststelling van de relevante feiten en niet zonder redelijke twijfel kan vaststellen dat verdachte aan de opzetheling dan wel schuldheling heeft deelgenomen dient verdachte te worden vrijgesproken.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 300,00, vermeerderd met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding voort in de strafzaak in hoger beroep.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het onder 1 tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Vorderingen tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft een vordering na voorwaardelijke veroordeling ingediend, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 18 februari 2019 opgelegde voorwaardelijke hechtenis van drie weken.

De officier van justitie heeft tevens een vordering na voorwaardelijke veroordeling ingediend, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 mei 2017 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie van twee maanden.

Beide vorderingen zijn in hoger beroep weer aan de orde.

Nu het hof de verdachte zal vrijspreken ter zake van het aan hem ten laste gelegde feit en de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling gegrond zijn op de omstandigheid dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het aan hem ten laste gelegde feit, zullen de beide vorderingen tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Midden-Nederland van 7 april 2019, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Lelystad van 18 februari 2019, parketnummer 96-218961-18, voorwaardelijk opgelegde straf.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Midden-Nederland van 7 april 2019, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 24 mei 2017, parketnummer 13-741143-16, voorwaardelijk opgelegde straf.

Aldus gewezen door

mr. A.J. Rietveld, voorzitter,

mr. M.B. de Wit en mr. M.C. van Linde, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A. Abdulkarim, griffier,

en op 5 augustus 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.