Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:7650

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-08-2021
Datum publicatie
12-08-2021
Zaaknummer
21-004416-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan vier diefstallen in vereniging met een ander door middel van braak en/of een valse sleutel en één poging daartoe. Het hof is van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, met aftrek van voorarrest passend en geboden is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004416-18

Uitspraak d.d.: 4 augustus 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 20 juli 2018 met parketnummer 18-830152-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 21 juli 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van de verdachte ter zake van hetgeen hem onder 1, 2, 3, 4 en 5 is tenlastegelegd tot een gevangenisstraf voor de duur van 23 maanden, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1] (feit 3) vordert de advocaat-generaal gehele toewijzing tot een bedrag van € 200,- materiële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij2] (feit 4) vordert de advocaat-generaal niet-ontvankelijkverklaring van de vordering. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij3] (feit 5) vordert de advocaat-generaal gedeeltelijke toewijzing tot een bedrag van € 286,89 materiële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, de rest niet-ontvankelijk. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. V. Poelmeijer, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Noord-Nederland heeft bij vonnis van 20 juli 2018, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van hetgeen hem in de zaak met parketnummer 18-830152-16 onder 1, 2, 3, 4 en 5 is tenlastegelegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1] (feit 3) heeft de rechtbank de vordering geheel hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 200,- materiële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 maart 2016, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, bij niet betaling 4 dagen hechtenis en de verdachte veroordeeld in de proces- en tenuitvoerleggingskosten aan de zijde van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij2] (feit 4) heeft de rechtbank de vordering geheel hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 1.750,- materiële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 april 2016, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, bij niet betaling 27 dagen hechtenis en de verdachte veroordeeld in de proces- en tenuitvoerleggingskosten aan de zijde van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij3] (feit 5) heeft de rechtbank de vordering gedeeltelijk hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 226,89 materiële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 november 2016, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, bij niet betaling 5 dagen hechtenis en de verdachte veroordeeld in de proces- en tenuitvoerleggingskosten aan de zijde van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 17 maart 2016 te [plaats1] , gemeente [gemeente1] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (aan [adres1] te [plaats1] ) heeft weggenomen een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam1] en/of [naam2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen geld/goed onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;

2.
hij op of omstreeks 22 maart 2016 te [plaats2] , gemeente [gemeente2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (aan [adres2] te [plaats2] ) heeft weggenomen een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam3] en/of [naam4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen geld/goed onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;

3.
op of omstreeks 30 maart 2016 te [plaats3] , gemeente [gemeente3] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (aan [adres3] te [plaats3] ) heeft weggenomen een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen geld/goed onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;

4.
hij op of omstreeks 11 april 2016 te [plaats4] , gemeente [gemeente2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan ( [adres4] te [plaats4] ) weg te nemen geld en/of enig goed van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld/goed(eren) onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel, die woning is binnengedrongen/binnengegaan en/of heeft doorzocht en/of (vervolgens) een bureaulade en/of kluis heeft opengebroken/geforceerd, althans geopend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5.
hij op of omstreeks 14 november 2016 te [plaats5] , gemeente [gemeente4] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (aan [adres5] te [plaats5] ) heeft weggenomen een of meer geldbedragen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen geld/goed onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten onder 1, 2, 3, 4 en 5.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit van alle tenlastegelegde feiten. Daartoe heeft de raadsman overkoepelend aangevoerd dat verdachte ontkent de diefstallen te hebben gepleegd. Verdachte schetst een alternatief scenario, te weten dat hij in oud ijzer handelde samen met zijn medeverdachte.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweren strekkende tot vrijspraak van de tenlastegelegde feiten onder 1, 2, 3, 4 en 5 worden weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.

Het hof kan zich vinden in de navolgende bewijsmiddelen die de rechtbank in het vonnis heeft opgenomen en die hieronder cursief zijn weergegeven. Het hof neemt die bewijsmiddelen over en maakt die tot de zijne.

Bewijsmiddelen

1. De door verdachte bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van 21 april 2016, voor zover inhoudende:

U houdt mij de aangifte in [plaats1] voor. Ik ben daar wel eens geweest, dus dat kan wel kloppen. U zegt mij dat uit gegevens van het peilbaken blijkt dat ik daar ben geweest. Het kan kloppen dat ik daar ben geweest. Dat geldt ook voor [plaats2] en [plaats3] .

Feit 1

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 19 april 2016, opgenomen op pagina 164 e.v. van het dossier met nummer 2016199927 d.d. 12 juli 2016, inhoudende als verklaring van [verdachte] :

Ik heb een Volkswagen Caddy. Als ik op pad ga dan ga ik soms alleen en soms met mijn schoonzoon [naam5] .

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 17 maart 2016, opgenomen op pagina 115 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [naam1] mede namens [naam2] :

Ik doe aangifte van diefstal op 17 maart 1016 aan de [adres1] te [plaats1] . Op 17 maart 2016 verliet mijn man als laatste het huis om 10:45 uur. Toen ik om 12:00 uur terugkwam bij mijn woning zag ik dat er een kamerdeur in de hal open stond. Hier staat een wapenkluis. Er lag nog een knop van de munitiekluis op de grond en de wapenkluis stond open. Ik zag dat de deur opgebroken was. Ik zag dat de deur van de wapenkluis op een kier open stond en ik deed deze vervolgens verder open. Ik zag dat een witte enveloppe miste. In deze enveloppe zat een bedrag tussen de 2.500,- en 3.000, - euro.

Ik heb zelf rondom de woning gekeken, maar ik heb niets bijzonders gezien. Ik heb nergens schade gezien van een inbraak.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 17 mei 2016, opgenomen op pagina 281 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Op 17 maart 2016 is een baken geplaatst in de Volkswagen type Caddy, kenteken [kenteken1] . De Volkswagen staat op naam van verdachte [verdachte] , wonende aan de [woonadres] in [woonplaats] .

Op 17 maart 2016 vertrekt de Volkswagen vanaf [woonadres] te [woonplaats] . Even later stopt en vertrekt de auto weer vanaf het [adres6] te [plaats6] (hier woont verdachte [naam5] ). Het baken in de Volkswagen straalt op 17 maart 2016 tussen 10:44 uur en 10:57 uur de locatie [adres1] in [plaats1] aan.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 23 juni 2016, opgenomen op pagina 229 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Op 24 mei 2016 zijn de verkeersgegevens van de telefoons welke werden aangetroffen bij verdachten [verdachte] en [naam5] gevorderd. Tijdens de aanhouding van beide verdachten werden twee telefoons in het voertuig aangetroffen. De Apple telefoon, i-meinummer [nummer1] behoort aan verdachte [naam5] toe. Ik, verbalisant, zag dat het telefoontoestel van verdachte [naam5] op 17 maart 2016 om 11:01 uur twee keer verbinding maakt met de telefoonmast staande aan de Sportweg te Bellingwolde. Deze telefoonmast bevindt zich in de nabijheid van de [adres1] te [plaats1] .

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 11 mei 2016, opgenomen op pagina 264 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

In de Volkswagen Caddy, voorzien van kenteken [kenteken1] , werden een groot aantal sleutels aangetroffen. Dit betroffen met name zogenaamde baardsleutels, bedoeld om zogenaamde klaviersloten te openen.

Door ons werd een onderzoek ingesteld op het adres [adres1] te [plaats1] . Aangeefster gaf aan dat het slot van een van de garagedeuren reeds was vervangen door een cilinderslot. Het slot had zij niet meer, maar nog wel de sleutel. Dit betrof een Nemef sleutel met nummer 27. Een sleutel met nummer 27 werd ook aan 1 der sleutelringen aangetroffen. De andere garagedeur was nog afgesloten met een klavierslot van het merk Nemef. Aangeefster gaf aan dat dit slot met baardsleutel 22 kon worden geopend. Aan het sleutelbos werd ook een Nemef baardsleutel voorzien van het nummer 22 aangetroffen. Met deze sleutel kon vervolgens het slot worden geopend.

Feit 2

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 23 maart 2016, opgenomen op pagina 121 e.v. van het dossier met nummer 2016199927 d.d. 12 juli 2016, inhoudende als verklaring van [naam4] namens [naam3] :

Ik woon samen met mijn man op een boerderij aan de [adres7 ] te [plaats2] . Op maandag 21 maart 2016, omstreeks 10:30 uur, heb ik een geldkistje met inhoud die toebehoort aan de korfbalvereniging in een kamer in mijn woning gelegd. Op dinsdag 22 maart 2016 omstreeks 13:00 uur zijn mijn man en ik weggegaan. Wij hebben beiden de woning verlaten. Op diezelfde dag omstreeks 14:00 uur ben ik nog eventjes thuis geweest om wat op te halen. Het viel mij toen op dat de genoemde schuifdeur niet geheel meer dicht was. Hij stond anders dan dat ik deze had achtergelaten. Ik ben ongeveer 5 a 10 minuten thuis geweest, waarna ik de woning weer heb verlaten. Ik had het vermoeden dat er iemand in de loods was geweest. Op diezelfde dag kwam mijn man om 14:45 uur thuis. Ik kwam omstreeks 15:00 uur thuis.

Op woensdag 23 maart 2016 om 13:00 uur ben ik naar de kamer gegaan waar het

geldkistje lag. Ik zag dat er 822,- euro uit was gestolen. Ik wist namelijk precies

wat er in het geldkistje lag.

Op woensdag 23 maart 2016 sprak ik een buurtbewoner dhr. [naam6 ] . Hij woont aan de

[adres8] te [plaats2] . Hij vertelde mij dat hij op woensdag 23 maart 2016, omstreeks 14:00 uur, een witte bestelbus op de oprit stond. Deze stond ter hoogte van de schuifdeur. Hier stapte een manspersoon uit.

Ik heb geen braakschade aan de woning gezien.

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van Politie Noord-Nederland d.d. 23 maart 2016, opgenomen op pagina 126 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [naam6 ] :

Op 22 maart 2016 reed ik vanaf mijn woning richting de [adres7 ] . Ik keek naar de woning van [naam7] en zag daar een manspersoon staan. [naam7] woont aan de [adres7 ] . Ik zag daar een man staan bij de schuifdeuren van de stal. Ik zag dat twee schuifdeuren van de stal openstonden. Ik zag de auto van [naam7] niet staan. Ik zag dat de man kaal was aan de voorkant. Ik zag ter hoogte van de voordeur een voertuig staan. Het was een witte bestelbus.

9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 17 mei 2016, opgenomen op pagina 281 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Op 17 maart 2016 is een baken geplaatst in de Volkswagen type Caddy, kenteken [kenteken1] . De Volkswagen staat op naam van verdachte [verdachte] , [woonadres] in [woonplaats] .

De Volkswagen stopt op 22 maart tussen 13:24 uur en 13:36 uur en het baken geeft als locatie op [adres7 ] in [plaats2] .

10. Een schriftelijk bescheid, te weten een mutatie rapport d.d. 29 maart 2016, opgemaakt door verbalisant, opgenomen op pagina 293 van voornoemd dossier, inhoudende:

Op dinsdag 22 maart 2016 te 1 4:10 uur op de N375, Ruinen de Wolden, binnen gemeente de Wolden zag verbalisant de bestelauto, Volkswagen Caddy Tdi 77 Kw, kenteken [kenteken1] , rijden. Gekeerd en een het voertuig staande gehouden ter zake een verkeerscontrole op de N375. Beide inzittenden stapten uit de Caddy. Bestuurder was [verdachte] en de passagier was [naam5] .

Signalementen: [verdachte] : blank, tussen de 165-17 5cm groot, 49 jaar oud, gezet postuur, kort donkerblond geknipt haar met inhammen. Droeg een zwartkleurige jas, een blauwkleurige spijkerbroek en werkschoenen/ wandelschoenen.

11. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 17 mei 2016, opgenomen op pagina 266 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

In de auto, een witte VW Caddy, van verdachte [verdachte] zijn een groot aantal sleutels aangetroffen. Door ons werd een onderzoek ingesteld bij de woning aan de [adres7 ] in [plaats2] . Kon blijken dat een van de sleutels aan een bos met sleutels welke in de Caddy lagen, een sleutel van het merk Nemef, met nummer 210, past op het slot welke zit in de, destijds afgesloten deur, van deze woning en gebruikt kon worden om deze deur te openen, zonder schade. Aangever [naam4] vertelde dat hun eigen sleutel nummer 1240 heeft. Uit eerder onderzoek bij een andere woning in [plaats1] was al gebleken dat de sleutels met nummer 210 en 1240 overeenkomen met elkaar. Ik, verbalisant, heb met deze sleutel, nummer 210, het slot geprobeerd te openen en weer te sluiten en dat lukte inderdaad.

Feit 3

12. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 30 maart 2016, opgenomen op pagina 131 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [benadeelde partij1] :

Op 30 maart 2016 verliet ik rond 11:30 uur mijn woning aan de [adres3] . Rond 16:15 uur ben ik weer thuis gekomen. Ik wilde de achterdeur openen door gebruik te maken van een sleutel. Tot mijn verbazing zag ik dat ik de sleutel niet hoefde te gebruiken. Ik zag en voelde dat de deur niet was afgesloten. In de keuken ontdekte ik dat er geld uit het geldkistje was weggenomen. In het geldkistje zaten 10 biljetten van € 20.

13. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 17 mei 2016, opgenomen op pagina 281 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Het baken van de Volkswagen straalt op 30 maart gedurende 14:29 uur tot en met 14:32 uur het adres [adres3] in [plaats3] aan.

14. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 11 mei 2016, opgenomen op pagina 264 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

In de Volkswagen Caddy, voorzien van kenteken [kenteken1] , werden een groot aantal sleutels aangetroffen. Door ons werd een onderzoek ingesteld op het adres [adres3] de [plaats3] . De achterdeur was afgesloten met een Nemef klavierslot, waarbij baardsleutel 26 hoort. Aangever [naam8] verklaarde het dat het slot inmiddels was vervangen door een ander slot. Het verwijderde slot had hij nog liggen. Aan een der sleutelringen werd een baardsleutel 26 aangetroffen. Deze sleutel paste ook op het verwijderde slot.

15. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 23 juni 2016, opgenomen op pagina 229 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Op 24 mei 2016 zijn de verkeersgegevens van de telefoons welke werden aangetroffen bij verdachten [verdachte] en [naam5] gevorderd. De telefoon van verdachte [naam5] maakt op 30 maart 2016 te 14:48 uur en 14:59 uur drie keer verbinding met de telefoonmast aan de Wolters Jagerwijk te Jubbega.

Feit 4

16. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 11 april 2016, opgenomen op pagina 150 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [benadeelde partij2] :

Ik woon samen met mijn gezin op het adres [adres4] te [plaats4] . Om bij onze woning te komen moet je een vrij lange verharde oprit oprijden. De woning is een vrijstaande woning met hierachter een schuur.

Vandaag 11 april omstreeks 07:10 uur hebben wij de woning verlaten. We hebben alle deuren afgesloten en de woning in goede orde achter gelaten.

Toen mijn vrouw vanmiddag omstreeks 17:15 uur weer thuis kwam zag zij dat er was ingebroken. Zij zag verder dat een lade van het bureau vernield was. Verder zag zij dat de kluis was opengebroken. Een gedeelte van de inhoud lag op de grond. Het slot van de kluis was helemaal vernield en verwijderd. Er zat nu een gat in de voorzijde van de kluis. Voor zover nu na te gaan werd er niets weggenomen. Wij hebben zorgvuldig rondom de woning gekeken maar wij kunnen geen braakschade ontdekken.

17. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van Politie Noord-Nederland d.d. 25 april 2016, opgenomen op pagina 155 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige1] :

Wij wonen naast de woning van [adres4] . Ik heb afgelopen maandag 11 april wel een witte soortgelijk als een Volkswagen Caddy auto bij het begin van hun woning zien staan.

18. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 17 mei 2016, opgenomen op pagina 281 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Op 17 maart 2016 is een baken geplaatst in de Volkswagen type Caddy, kenteken [kenteken1] . Op 11 april 2016 van 12:52 uur tot en met 12:57 uur straalt het baken de locatie [adres4] in [plaats4] aan.

19. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 23 juni 2016, opgenomen op pagina 229 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Op 24 mei 2016 zijn de verkeersgegevens van de telefoons welke werden aangetroffen bij verdachten [verdachte] en [naam5] gevorderd. Het telefoontoestel van verdachte [verdachte] maakt op 11 april 2016 om 12:15 uur verbinding met de telefoonmast staande aan de Dopheide/Molenwijk 20 te Bovensmilde. Het telefoontoestel van verdachte [verdachte] maakt om 13:08 uur verbinding met de telefoonmast staande aan de Nozema te Hoogersmilde. Hoogersmilde ligt hemelsbreed enkele kilometers vanaf [plaats4] .

20. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 18 mei 2016, opgenomen op pagina 269 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Naar aanleiding van het onderzoek naar woninginbraken waarbij er in de auto, een witte Volkswagen Caddy van verdachte [verdachte] een groot aantal sleutels is aangetroffen. Door mij, verbalisant, werd nader onderzoek ingesteld bij de woning aan de [adres4] in [plaats4] . Kon blijken dat een van de sleutels aan een bos met sleutels welke in de Caddy lagen, een sleutel van het merk Nemef, met nummer 91, type 11, past op het slot welke destijds zat in de buitendeur van deze woning. Men heeft nu een ander slot geplaatst in deze deur. Vervolgens bleek dat een van de sleutels welke ook in de Caddy lag, met nummer 7, past op een slot, welke destijds in een binnendeur zat in de woning aan de [adres4] in [plaats4] . Ook bleek dat de kantoorruimte waar gezocht is afgesloten kan worden. Een sleutel van dit slot bleek aanwezig te zijn in de witte Volkswagen Caddy. Het ging om een sleutel van het merk Nemef, nummer 53. Ik, verbalisant, heb met de hierboven omschreven sleutel de verschillende sloten geprobeerd te openen en weer te sluiten en dat lukte inderdaad.

Feit 5

21. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 14 november 2016, opgenomen op pagina 109 e.v. van het dossier met nummer 2016324049 d.d. 9 januari 2017, inhoudende als verklaring van [benadeelde partij3] :

Ik woon samen met mijn partner aan de [adres5] te [plaats5] . Dit betreft een perceel waarin is gevestigd een café, cafetaria en onze woning. In de woning is ingebroken. Ik ben vandaag 14 november 2016 omstreeks 11.30 uur vertrokken samen met mijn partner. Toen we een paar uur later omstreeks 14:50 uur weer thuis kwamen en we de achterdeur van de woning wilden openen, bleek het slot kapot te zijn althans er was geen schade te zien in het slot, maar we kregen de deur niet open. De sleutel wilde wel in het slot, maar we konden de sleutel niet omdraaien. We zijn toen via de schuurdeur naar binnen gegaan.

Mijn partner is penningmeester van de visclub en het geldkistje van de club ligt in een kast in de keuken. We zagen dat het geld weg was. Vervolgens zijn we direct naar onze slaapkamer gegaan op de bovenverdieping. Hier hebben we twee kastenlades onderin een kast staan. We zagen dat al het papiergeld uit de lades weg was. Ook staat er onderin de kast een blik. Hierin bewaarde ik mijn gokgeld. Ook uit dit blik is het papiergeld weg. Er is een totaalbedrag van € 495 uit onze woning gestolen. Toen we van huis gingen was de voordeur afgesloten en boven en onder zaten ijzeren schuifsloten. De deur was toen wij thuis kwamen niet meer op slot en de schuifsloten waren ontgrendeld.

Weggenomen goederen:

Kassalade café: 3 bankbiljet ten van 20 Euro

10 bankbiljetten van 10 Euro

12 bankbiljetten van 5 Euro

Kassalade Cafetaria: 6 bankbiljetten van 20 Euro

11 bankbiljetten van 5 Euro

Geldkistje uit de keuken: 12 bankbiljetten van 5 Euro

Zilverkleurige blik: 1 bankbiljet van 20 Euro

1. bankbiljet van 10 Euro

2 bankbiljetten van 5 Euro

22. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 16 november 2016, opgenomen op pagina 123 van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisant:

Naar aanleiding van de aanhouding van de verdachte op 14 november 2016 omstreeks 16:09 uur heb ik verbalisant het baken uitgelezen wat onder het door verdachten gebruikte voertuig was geplaatst. Verdachten maakten op 14 november 2016 gebruik van een Peugeot Partner, kenteken, [kenteken2] . Uit de bakengegevens blijkt dat de auto op 14 november om 13: 31: 22 over de [adres3] in [plaats5] rijdt en hier vervolgens stopt tussen perceel 176 en 174. Vervolgens staat de auto hier stil totdat het baken registreert dat de auto weer rijdt om 13: 44: 41.

23. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 14 november 2016, opgenomen op pagina 128 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisanten:

Op 14 november 2016 om 16:10 uur kregen wij de opdracht de inzittenden van het voertuig Peugeot Partner voorzien van het kenteken [kenteken2] aan te houden. Wij zijn direct ter plaatse gegaan en troffen de auto in Laren aan. Daar werden aangehouden de heer [verdachte] en de heer [naam5] . Ik hoorde verdachte [verdachte] zeggen: “onder de zonneklep zit geld”. Wij verbalisanten hebben samen gekeken en zagen dat er inderdaad geld onder de zonneklep zat. Het ging om € 345.

24. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 15 december 2016, opgenomen op pagina 148 van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisant:

Ik heb de historische verkeersgegevens van de telefoontoestellen van de verdachten [naam5] en [verdachte] geanalyseerd. Verdachte [naam5] is in het bezit van een Apple IPhone 6. Op 14 november 2016 te 13:07 uur en 13:44 uur maakt deze telefoon in totaal vier keer verbinding met de telefoon aan de Kerkweg 1 te Finsterwolde.

25. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 16 november 2016, opgenomen op pagina 178 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisanten:

Door ons, verbalisanten, werd nader onderzoek verricht naar de inhoud van een bestelauto, Peugeot, type Partner, kenteken [kenteken2] . In de auto werden onder andere aangetroffen portofoons, een zaklampje, een verrekijker, een werkhandschoenen, drie bossen met diverse sleutels (in totaal 46 stuks en zeven losse sleutels), een halve schaar, een set mini schroevendraaiers, nog een halve schaar, een losse sleutel, een tang en een emmer. In deze emmer lagen ook drie sleutelbossen, twee bossen met 10 sleutels, een bos met vier sleutels en acht losse sleutels.

26. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt ongenummerd proces-verbaal van Politie Noord-Nederland d.d. 9 januari 2017, opgenomen in voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisant:

Bij beide verdachten werd een bedrag aan papiergeld aangetroffen, dit is inbeslaggenomen.

Het geld van verdachte [verdachte] werd op diens aanwijzing aangetroffen achter de zonneklep aan de bestuurderskant. Dit betrof een bedrag van 345 euro, 1 b.b. van 50, 8 b.b. van 20, 1 b.b. van 10 en 25 b.b. van 5 euro.

Verdachte [naam5] was in het bezit van een geldbedrag van 270,45, 2 b.b van 20, 18 b.b. van 10 en 9 b.b. van 5 euro, euro alsmede 5,45 euro muntgeld.

De in de auto aangetroffen Nemef baardsleutels blijken nieuwe sleutels te zijn. Op geen enkele sleutel aan de sleutelringen is roestvorming te zien. De sleutels zijn aan de sleutelringen gesorteerd op lengte en met de uitsparing/ kromming in de baard naar links dan wel naar rechts.

Het slot van de achterdeur van perceel [adres5] [plaats5] is reeds vervangen door een nieuw slot. Het oude slot is door aangever [benadeelde partij3] afgestaan voor nader onderzoek.

De sleutels aan de ringen zijn vervolgens allemaal op het slot gepast. Blijken kon dat een aantal van de korte sleutels met de uitsparing in de baard aan de rechterzijde, gezien vanaf de steel van de sleutel, op het slot pasten. Het gaat hier om de sleutels met de nummers 29 en 31 en van de sleutels met serienummer 1266, de sleutels 11 en 17.

27. Het proces-verbaal van het onderzoek in raadkamer van rechtbank Noord-Nederland d.d. 30 november 2016, in de zaak van [naam5] , opgenomen op pagina 48 van voornoemd dossier, inhoudende:

Ten aanzien van feit drie (rechtbank begrijpt: de inbraak in de woning aan de [adres5] te [plaats5] ) zeg ik gewoon eerlijk, dat heb ik gedaan.

28. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van Politie Noord-Nederland d.d. 14 november 2016, opgenomen op pagina 118 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige2] :

Vandaag 14 november 2016 omstreeks 13:30 uur reed ik door de [adres3] te [plaats5] . Toen ik uitstapte bij nummer 127 zag ik aan de overzijde op de oprit bij [naam9] een auto op de oprit staan. Dit was een lichtkleurige combo of Caddy. Ik zag dat naast de passagierszijde een manspersoon stond, van een jaar of 35/40 ongeveer.

29. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van Politie Noord-Nederland d.d. 14 november 2016, opgenomen op pagina 120 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige3] :

Ik maak wel eens schoon bij [naam10] Vandaag 14 november 2016 was ik aan het schoonmaken aan de [adres3] 129 in [plaats5] . Dit is tegenover [naam9] , nummer 176. Toen ik tegen 13:40 uur op de fiets wegging, zag ik dat er op de inrit bij [naam9] een grijze Caddy stond, zo’n klein bestelbusje. Ik heb geen personen gezien.

Bewijsoverwegingen

Naar het oordeel van het hof is, gelet op de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte (in vereniging met een ander) het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.

Met betrekking tot het hiervoor weergegeven standpunt van de verdediging sluit het hof aan bij de motivering van de rechtbank op pagina 11 en verder van het vonnis:

“Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank met betrekking tot feit 5 het volgende vast.

Op 14 november 2016 is tussen 11.30 en 14.50 uur een totaalbedrag van € 495.- uit de woning/cafetaria aan de [adres5] te [plaats5] weggenomen. Het weggenomen bedrag bestond uitsluitend uit bankbiljetten. Aan de afgesloten woning is geen braakschade geconstateerd, hetgeen het vermoeden rechtvaardigt dat de inbrekers met behulp van bijvoorbeeld een valse sleutel zijn binnengekomen.

Getuigen [getuige2] en [getuige3] hebben tussen 13.30 en 13.40 uur een bestelbusje gezien op de oprit van de bedoelde woning. Uit de bakengegevens blijkt dat het voertuig van verdachte tussen 13.31 en 13.44 uur heeft stilgestaan op de [adres3] te [plaats5] tussen perceel 174 en 176. Het voertuig van verdachte betrof een Peugeot Partner. Op basis van de foto's in het dossier is vast te stellen dat het gaat om een (licht)grijze kleine bestelwagen.

Om 16.19 uur werden verdachte en medeverdachte [naam5] aangehouden. Verdachten zaten in de bestelwagen van verdachte, waarbij verdachte de bestuurder was en [naam5] de bijrijder. Onder verdachten is in totaal € 610,- aan bankbiljetten in beslag genomen. In het voertuig van verdachte werden daarnaast onder meer drie sleutelbossen aangetroffen. Uit nader onderzoek is gebleken dat enkele van die sleutels geschikt waren om het oude slot van de achterdeur van de woning aan de [adres3] te openen.

Medeverdachte [naam5] heeft erkend onder meer geld uit de woning te hebben weggenomen. De telefoon van [naam5] heeft om 13.44 uur een mast aangestraald in de directe omgeving van de plaats delict.

Op basis van al het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de getuigen de bestelwagen van verdachte hebben waargenomen op de oprit van de bedoelde woning op een tijdstip dat de bewoners niet aanwezig waren.

Enkele uren later zijn verdachte en de medeverdachte in diezelfde bestelwagen aangetroffen. Gesteld noch gebleken is dat verdachte zijn voertuig daarvoor aan iemand heeft uitgeleend. In het voertuig werden sleutels aangetroffen die geschikt waren om de achterdeur van de bewuste woning te openen en de woning aldus zonder schade te betreden. Ook is onder verdachten een geldbedrag aangetroffen, in coupures die passen bij hetgeen aan de [adres5] is weggenomen. Mede op basis hiervan ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de juistheid van de verklaring van de [naam5] dat hij de inbraak gepleegd heeft te twijfelen. De rechtbank gaat er op grond van voornoemde bewijsmiddelen vanuit dat hij dit tezamen en in vereniging met verdachte heeft gedaan.

Bij de politie heeft verdachte zich namelijk op zijn zwijgrecht beroepen, terwijl voornoemde omstandigheden vragen om een uitleg van de kant van verdachte.

Ten aanzien van het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende. Bij al deze ten laste gelegde feiten ging het - evenals bij feit 5 - om inbraken die overdag gepleegd werden in vrijstaande woningen. De deuren die toegang gaven tot de respectievelijke woningen waren - evenals de woning bij feit 5 - voorzien van een klavierslot dan wel een slot dat met een baardsleutel van het merk Nemef kon worden geopend. In de auto van verdachte zijn verschillende sleutelbossen aangetroffen, met daaraan dergelijke sleutels, die de deursloten van alle woningen konden openen. Bovendien werd uit de woningen uitsluitend papiergeld weggenomen, terwijl in enkele gevallen ook muntgeld en/of andere waardevolle spullen voorhanden waren. Dit rechtvaardigt het vermoeden dat de feiten 1 tot en met 5 door de zelfde dader(s) zijn gepleegd.

Ten tijde van de eerste vier ten laste gelegde feiten was verdachte in het bezit van een witte bestelwagen, namelijk een VW Caddy. Onder deze auto was een baken geplaatst. Uit de bakengegevens blijkt dat ten tijde van al de ten laste gelegde feiten voornoemde auto stond bij de woningen waaruit geld is weggenomen.

Ten aanzien van feiten 1, 2 en 3 blijkt nog dat de telefoon die onder [naam5] in beslag is genomen ten tijde van de feiten een mast heeft aangestraald in de (directe) nabijheid van de woningen waaruit geld is vervreemd. Ook is gebleken dat de telefoon van verdachte verbinding heeft gemaakt met een mast in de omgeving van de woning opgenomen in het onder 4 ten laste gelegde . Bovendien heeft een getuige verklaard dat hij een witte VW Caddy bij deze woning heeft zien staan op de dag van de diefstal.

Ten aanzien van feit 2 hebben twee getuigen een witte bestelbus bij de bedoelde woning zien staan. Een van de getuigen zag een man die volgens hem kaal is aan de voorkant. Uit de signalement van verdachte blijkt dat hij kort haar heeft en inhammen heeft aan de voorkant.

Ook de uiterlijke kenmerken van de sleutelbossen die verdachte tijdens zijn laatste aanhouding in zijn voertuig had, dragen niet bij aan de geloofwaardigheid van de lezing van verdachte dat deze sleutelbossen als oud ijzer aan hem waren gegeven. De sleutels waren aan de sleutelringen gesorteerd op lengte en met de kromming in baard naar links dan wel naar rechts, hetgeen handig is als men de juiste sleutel snel wil vinden voor het gebruik. Voorts waren de sleutels niet door enige vorm van oxidatie aangetast.

De sleutelbossen die bij de eerste aanhouding van verdachte in zijn bestelwagen zijn aangetroffen, bevonden zich in het dashboardkastje. Dit is niet een gebruikelijke plek waar men oud ijzer bewaart, terwijl verdachte heeft verklaard dat hij oud ijzer in zijn laadruimte vervoerde.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte in oud ijzer handelde. Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte de bedoelde sleutels in zijn bezit om zich de toegang te verschaffen tot de bedoelde woningen.”

Het hof neemt de bovenstaande overwegingen van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne.

Verweren in hoger beroep

Met betrekking tot het hiervoor weergegeven standpunt van de verdediging dat de verdachte een alternatief scenario heeft geschetst, te weten dat hij in oud ijzer handelde, overweegt het hof het navolgende.

Het hof acht het alternatieve scenario ongeloofwaardig en niet aannemelijk geworden. Het feit dat verdachte in oud ijzer handelde sluit niet uit dat hij zich bij gelegenheid tevens schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde feiten. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt het tegendeel. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan vier diefstallen in vereniging met een ander door middel van braak en/of een valse sleutel en één poging daartoe.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 17 maart 2016 te [plaats1] , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan [adres1] te [plaats1] heeft weggenomen een geldbedrag, geheel toebehorende aan [naam1] en [naam2] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak en valse sleutel;

2.
hij op 22 maart 2016 te [plaats2] , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan [adres2] te [plaats2] heeft weggenomen een geldbedrag, geheel toebehorende aan [naam3] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van een valse sleutel;

3.
hij op 30 maart 2016 te [plaats3] , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan [adres3] te [plaats3] heeft weggenomen een geldbedrag, geheel toebehorende aan [benadeelde partij1] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van een valse sleutel;

4.
hij op 11 april 2016 te [plaats4] , tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan [adres4] te [plaats4] weg te nemen geld, geheel toebehorende aan [benadeelde partij2] en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en dat weg te nemen geld onder hun bereik te brengen door middel van braak en een valse sleutel, die woning is binnengedrongen/binnengegaan en heeft doorzocht en een bureaulade en kluis heeft opengebroken/geforceerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5.
hij op 14 november 2016 te [plaats5] , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan [adres5] te [plaats5] heeft weggenomen geldbedragen, geheel toebehorende aan [benadeelde partij3] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van een valse sleutel.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en valse sleutels.

Het onder 2, 3 en 5 bewezenverklaarde levert op:

telkens: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels.

Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en valse sleutels.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 23 maanden, met aftrek van voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een schending van de redelijke termijn. De raadsman verzoekt het hof geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die langer is dan het reeds ondergane voorarrest van de verdachte. Deze straf zou gecombineerd kunnen worden met een geheel voorwaardelijke strafgedeelte al dan niet in combinatie met een taakstraf.

Oordeel van het hof

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier diefstallen in vereniging met een ander door middel van braak en/of met een valse sleutel, en één keer poging daartoe. Door aldus te handelen heeft de verdachte grote materiële schade voor de betrokkenen veroorzaakt. In strafverzwarende zin weegt het hof mee dat de verdachte planmatig, geraffineerd en professioneel te werk is gegaan en zich uitsluitend heeft laten leiden door eigen financieel gewin.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 juni 2021, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Het hof houdt voorts rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die blijken uit het dossier en zoals die tijdens het onderzoek ter terechtzitting van het hof zijn besproken.

Het hof heeft gelet op straffen die ter zake van inbraak/insluiping plegen te worden opgelegd hetgeen zijn weerslag heeft gevonden in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarbij is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden in beginsel het vertrekpunt, indien sprake is van recidive.

Het hof acht toepassing van onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest (75 dagen) gecombineerd met een groot deel voorwaardelijk dan wel in combinatie met een taakstraf, zoals door de raadsman verzocht, onvoldoende rechtdoen aan de aard en ernst en het aantal bewezenverklaarde feiten.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 25 maanden in beginsel een passende en geboden reactie vormt.

Het hof stelt echter vast dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.

Het hoger beroep is door verdachte ingesteld op 3 augustus 2018 en het hof wijst arrest op 4 augustus 2021. Het hof stelt een overschrijding vast van 12 maanden die niet aan verdachte is toe te rekenen. Voorts heeft het hof acht geslagen op de afdoeningstermijn in eerste aanleg, waarbij voor meerdere feiten de redelijke termijn met enkele maanden is overschreden.

Gelet op deze overschrijdingen – alsmede in verband met het algehele tijdsverloop na het plegen van de feiten – is het hof van oordeel dat, in plaats van de hiervoor overwogen gevangenisstraf, thans een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, met aftrek van voorarrest passend en geboden is.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1]

Standpunt van het openbaar ministerie

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1] (feit 3) vordert de advocaat-generaal gehele toewijzing tot een bedrag van € 200,- materiële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

Oordeel van het hof

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 200,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij2]

Standpunt van het openbaar ministerie

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij2] (feit 4) vordert de advocaat-generaal niet-ontvankelijk verklaring van de vordering.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. De vordering ziet naar de mening van de raadsman op een eerdere inbraak, die niet is tenlastegelegd.

Oordeel van het hof

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.750,01. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.750,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof niet gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

Het hof is van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij3]

Standpunt van het openbaar ministerie

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij3] (feit 5) vordert de advocaat-generaal gedeeltelijke toewijzing tot een bedrag van € 286,89 materiële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, de rest niet-ontvankelijk te verklaren.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

Oordeel van het hof

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 636,89. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 226,89. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 5 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 (eenentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij2]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij1] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 200,00 (tweehonderd euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij1] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 200,00 (tweehonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 4 (vier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 30 maart 2016.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij3] ter zake van het onder 5 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 226,89 (tweehonderdzesentwintig euro en negenentachtig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij3] , ter zake van het onder 5 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 226,89 (tweehonderdzesentwintig euro en negenentachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 4 (vier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 14 november 2016.

Aldus gewezen door

mr. H.J. Deuring, voorzitter,

mr. J. Hielkema en mr. G. Souer, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.G. Veenstra, griffier,

en op 4 augustus 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.