Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:7649

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-08-2021
Datum publicatie
12-08-2021
Zaaknummer
21-000888-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor feiten 1, 2 en 3 tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. De vordering benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 534,75 materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, bij niet betaling 10 dagen gijzeling. Wijst het overige af. Met veroordeling van de verdachte in de proceskosten tot op heden begroot op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000888-20

Uitspraak d.d.: 4 augustus 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 6 februari 2020 met parketnummer 18-820159-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 21 juli 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van de verdachte ter zake van hetgeen hem onder 1, 2 en 3 is tenlastegelegd tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de vordering benadeelde partij [benadeelde partij] heeft de advocaat-generaal gedeeltelijke toewijzing gevorderd tot een bedrag van € 518,85 materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met veroordeling van de verdachte in de proces- en tenuitvoerleggingskosten aan de zijde van de benadeelde partij, tot een bedrag van € 15,90. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.M. Wolfert, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Noord-Nederland heeft bij vonnis van 6 februari 2020, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van hetgeen hem in de zaak met parketnummer 18-820159-19 onder 1, 2 en 3 is tenlastegelegd, veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] heeft de rechtbank de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 518,85 materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2019, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, bij niet betaling 10 dagen gijzeling, en de verdachte veroordeeld in de proces- en tenuitvoerleggingskosten aan de zijde van de benadeelde partij, tot op heden begroot op € 15,90 en het overige afgewezen.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij in of omstreeks de periode van 1 december 2018 tot en met 2 mei 2019, in de gemeente [plaats1] en/of [plaats2] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde partij] , door in bovengenoemde periode

- meermalen door de straat te rijden waar die [benadeelde partij] woont, en/of

- meermalen, althans eenmaal, in de tuin, behorende bij de woning van die [benadeelde partij] te zitten en/of te verblijven, en/of

- meermalen per dag naar die [benadeelde partij] te bellen en/of te appen, en/of

- berichten te sturen aan collega's van die [benadeelde partij] , en/of

- zich op te houden bij de werkplek van die [benadeelde partij] , en/of

- die [benadeelde partij] bij haar werkplek op te wachten, en/of

- te achterhalen waar die [benadeelde partij] zich op enig moment bevindt, (telkens) met het oogmerk die [benadeelde partij] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

2.
hij in of omstreeks de periode van 9 april 2019 tot en met 16 april 2019, in de gemeente [plaats1] en/of [plaats3] , althans in het arrondissement Noord-Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon, een lamp, een televisie, een (deur van een) auto, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

3.
hij op of omstreeks 23 april 2019 te [plaats4] , gemeente [gemeente] , (een) wapen(s) van categorie III, te weten een gaspistool (merk Ekol, type GSG Compact), kaliber 9mm en/of een schietbeker, en/of munitie van categorie III, te weten 41 knalpatronen (merk Geco), kaliber 9mm en/of 10 pepperpatronen (merk Wadie), kaliber 9mm, voorhanden heeft gehad.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten onder 1, 2 en 3.

Ten aanzien van feit 1

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde feit. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de in de tenlastelegging opgenomen periode (1 december 2018 tot en met 2 mei 2019) onjuist is. Het kan uitsluitend gaan om de periode van 4 april tot 23 april 2019, nu in een groot deel van die periode verdachte nog een relatie had met mevrouw [benadeelde partij] , althans dat het contact van twee kanten kwam, zodat naar de mening van de verdediging geen sprake kan zijn van belaging.

Voorts stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat het voor de verdachte in die periode niet duidelijk was dat de relatie met mevrouw [benadeelde partij] voorbij was. Mevrouw [benadeelde partij] heeft dit nooit aan verdachte kenbaar gemaakt.

De raadsvrouw is van mening dat verdachte niet wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van mevrouw [benadeelde partij] , nu in de voornoemde periode slechts vijf incidenten hebben plaatsgehad.

Ten aanzien van de tenlastegelegde feitelijk gedragingen blijkt enkel uit de aangifte dat verdachte meermalen per dag telefonisch en via berichten contact met mevrouw [benadeelde partij] zou hebben gezocht. In het dossier bevindt zich geen uitdraai van de belcontacten en geen uitdraai van de verzonden berichten. Evenmin volgt uit het dossier dat verdachte meermalen contact heeft opgenomen met collega’s van mevrouw [benadeelde partij] .

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

Het hof stelt op grond van de tot het bewijs gebruikte bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.

Feiten

Verdachte en aangeefster verklaren beiden dat zij in juni 2018 een relatie hebben gekregen.

Uit de aangiftes van [benadeelde partij] op 16 april 2019 en 25 april 2019 blijkt dat aangeefster in december 2018 na een ruzie de relatie heeft beëindigd met verdachte.

Verdachte heeft ter zitting van de rechtbank op 23 januari 2020 als volgt verklaard.

"In januari 2019 hadden [benadeelde partij] en ik een soort van time-out van onze relatie. Ze woonde toen niet meer bij me. Ik heb in die periode meerdere keren op een dag contact met haar gezocht door haar te bellen en app-berichten te sturen. Zij antwoordde dan niet. Ik had dat beter niet kunnen doen, maar ik wilde haar terug. Ik ben toen ook wel naar haar woning in [plaats1] gereden. Ik reed dan bij haar door de straat. Dat deed ik wel een paar keer per week. Ik ben ook in de buurt van haar werk geweest. Ik wilde met haar praten. Ik heb ook een mail naar haar collega gestuurd. Op 22 april 2019 heb ik in haar tuin gezeten."

Op 16 april 2019 doet aangeefster aangifte van bedreiging en vernieling, gepleegd door haar ex [verdachte] . Zij verklaart -zakelijk weergegeven- als volgt:

"Omdat ik bang ben in mijn eigen woning logeer ik al ongeveer zes dagen bij [naam1] . Ik werk bij het [naam2] in [plaats2] . Ik werk hier als baliemedewerker. Afgelopen woensdag (10 april 2019) verscheen [verdachte] wederom op mijn werk. Hij stuurde mij berichtjes via WhatsApp waarin stond of ik naar buiten wou komen om te praten. Hij stond dus op dat moment voor mijn werk. Ik denk dat hij wou bespreken of ik bij hem terug wou komen. Ik heb niet op het berichtje gereageerd en ben niet naar buiten gegaan.

[verdachte] belt ook wel eens een van mijn collega’s op. [verdachte] stelt zich wel eens voor met een valse naam zodat hij mij alsnog aan de telefoon kan krijgen.

Afgelopen dinsdag (9 april 2019) zat ik in mijn huis. [verdachte] kwam langs bij mijn woning. Hij ging voor mijn raam staan en dit kwam voor mij dreigend over. Hij kwam binnen en deed direct agressief. Hij zei ‘waarom heb je mij niet geapt?’. (…) Omdat ik bang was, ben ik weggedoken op de bank.

Afgelopen zondag (14 april 2019) ben ik bij mijn tante op bezoek geweest. Ik was weer in de woning van [naam1] omstreeks 15:45 uur. Ik keek via het raam van deze woning naar buiten. Op dat moment zag ik dat de auto van [verdachte] langzaam voor de woning langs reed. Ik voelde mij erg bang op dit moment. Ik ben daarom direct naar mijn auto gerend die aan de andere kant van de woning stond. Omdat [verdachte] zag dat ik naar mijn auto rende en hij waarschijnlijk wou voorkomen dat ik in mijn auto ging zitten gaf [verdachte] een flinke teug gas.

Ik ben in mijn auto gaan zitten en heb de deur op slot gedaan. Op het moment dat ik de auto op slot had gedaan had [verdachte] mij gezien en blokkeerde hij mijn auto zodat ik niet weg kon. Ik heb op de claxon van mijn auto gedrukt omdat ik bang was en ik wou dat andere mensen naar buiten zouden komen. Toen stapte [verdachte] uit zijn voertuig en ging naast de mijne staan. Na enige scheldwoorden van [verdachte] trapte hij een deuk in mijn auto deur aan de bestuurderskant. (…) Ik heb de politie gebeld en toen was [verdachte] weer vertrokken. (…) Ongeveer vijftien minuten later toen de politie weg was reed [verdachte] weer langs. Hij is wel doorgereden dit keer.

Ik heb [verdachte] meerder keren verteld dat hij geen contact meer met mij moet opnemen. Ik heb hem dit mondeling verteld.

Ik voel mij emotioneel uitgeput en wil ontzettend graag van [verdachte] af. Ik ben in staat om [verdachte] wat aan te doen als hij niet snel stopt met contact zoeken met mij. Ik wil heel graag een contact- of straatverbod. Ik ben doodsbang. [verdachte] heeft de sleutel van mijn woning en wil deze niet teruggeven. Hij komt soms ongevraagd mijn woning binnen zonder dat ik het weet. Hij deed dit bijvoorbeeld gisteravond nog en liet expres de voordeur openstaan om te laten zien dat hij er was geweest."

Getuige [getuige1] verklaart over het voorval op 14 april 2019 als volgt:

"Ik hoorde buiten op straat geschreeuw. Ik hoorde een mannenstem schreeuwen. Ik zag midden op straat de witte Renault staan en naast die auto stond een man. Hij stond aan de bestuurderszijde van die auto. In de auto zag ik een blond persoon zitten. De man naast de auto hoorde ik schelden. Ik zag dat de man opeens een karatetrap naar de witte Renault maakte. Ik ben met mijn schoonvader naar buiten gelopen. Ik zag dat een blonde vrouw in de auto aan het bellen was. Op een gegeven moment deed de vrouw het raam van haar auto open en kon ik met haar praten. Zij was erg overstuur, zij zat te trillen. Ik begreep van haar dat zij al langere tijd problemen met de man had die zojuist was weggereden."

Op 24 april 2019 verklaart verdachte bij de politie - zakelijk weergegeven - als volgt:

"Ik ben veel in [plaats3] en omstreken voor [benadeelde partij] (het hof begrijpt: [benadeelde partij] ). De laatste twee weken wil ik [benadeelde partij] gewoon spreken. We hebben wat ruzie gehad. Ik wil de ruzie gewoon goedmaken met [benadeelde partij] . Toen ik haar wilde spreken heb ik haar nog gezien samen met haar ex in de auto. Dat doe je toch niet? Eerst heb je een relatie met mij en dan slaap je bij je ex?"

Op 25 april 2019 verklaart verdachte bij de politie als volgt:

"Onze relatie ging minder omdat ik een jaloers type ben. Wij zijn in december 2018 en januari 2019 een poosje uit elkaar gegaan. Dit heeft te maken met het feit dat ik een huis wilde kopen waar wij beiden zouden wonen. Toen het puntje bij paaltje kwam wilde [benadeelde partij] niet meer en vertelde mij dat ik alleen in de woning kwam te wonen omdat zij niet meer met mij samen in een huis wilde. We hebben beide de relatie verbroken. We hebben het erover gehad en omdat zij niet met mij verder wilde hebben we de relatie verbroken. Het ging eigenlijk van [benadeelde partij] uit. Dat vond ik niet fijn. Ik vind het nog steeds jammer. Op een gegeven moment kwam er weer iets van gevoelens bij haar terug. Zij bleef wel vaker gewoon bij haar eigen huis. Dat was in februari 2019. Tot ongeveer een maand geleden. Toen kwam weer ter sprake dat ik een ander huis zou kopen en vertelde [benadeelde partij] dat zij weer de hakken in het zand stak en de keutel introk. Met andere woorden zij wilde niet met mij mee naar die woning.

V: Ik heb uit het verhaal van [benadeelde partij] begrepen dat jij meerdere keren naar haar werk hebt gebeld. Wat kun je hierover vertellen?

A: Ja, dat klopt wel. Ik belde haar dan wel op haar mobiele nummer. Ik heb ook wel eens naar haar werk gebeld maar dan nam ze zelf op.

V: Je scheldt de collega’s van [benadeelde partij] dan uit en bedreigt hen. Waarom doe je dit?

A: Alleen een keer in een mailtje. Daarin had ik iets gezegd [over] haar collega [naam3] . Ik had tegen haar gezegd dat zij een kontenkruiper was naar haar baas.

V: Waarom stuur je zo’n mail? Wat is [naam3] voor jou dat je daar mee hebt bemoeid?

A: Die [naam3] bemoeide zich met ons daarom heb ik dat gedaan.

Ik ben wel eens in de parkeergarage van [benadeelde partij] ’s werk geweest. Ik wilde weten waarom [benadeelde partij] niet met mij wilde praten. Zij reageerde nergens meer op en ik ben toen naar haar werk gegaan.

O: Ik wil het nu even hebben over dinsdag 9 april 2019.

V: Jij bent toen bij [benadeelde partij] langsgegaan. Waarom was je daar?

A: Wij hadden op dat moment gewoon een relatie met elkaar. We hadden een afspraak om samen te eten. [benadeelde partij] wilde niet meer in [plaats4] wonen en ik verbleef al een paar weken bij haar. Ik kwam bij de woning aangelopen en keek naar binnen (…). Ik tikte een poos op het raam.

V: Had je geen sleutel van de woning?

A: Jawel maar de voordeur zat vast met klippen.

V: Waarom deed je dat?

A: Ik wilde weten wat [benadeelde partij] zou doen. (…) Ik heb zelf nog een berichtje gestuurd en hoorde de telefoon gaan maar ik zag dat [benadeelde partij] daar totaal niet op reageerde. Ik heb ongeveer 10 minuten voor het raam gestaan en een keer geklopt. Ik kon zien dat [benadeelde partij] opkeek en naar mij keek alsof ze dacht: Daar heb je die zeiker ook weer.

V: Wat heb je toen gedaan?

A: Ik ben toen via de achterdeur naar binnen gegaan en ben ook op de bank gaan zitten. Ik heb toen aan haar gevraagd waarom zij geen antwoord gaf op mijn bericht (…). De volgende dag ging [benadeelde partij] naar haar werk. Daarna heb ik geen contact meer met haar gehad. Ik ben aan het einde van de dag weer teruggegaan naar de woning maar [benadeelde partij] heb ik daar niet meer gezien.

V:Wat is er zondag 15 april 2019 gebeurd?

(…)

A: Ik ging op zoek naar [benadeelde partij] en via een overbuurvrouw, [naam4] , kwam ik erachter dat [benadeelde partij] mogelijk bij haar ex in [plaats3] woonde. Ze vertelde mij dat ik geen adres van haar zou krijgen. Ik was wanhopig en eigenwijs en wilde niet dat onze relatie op zo’n manier kapot ging. Ik besloot toen op goed geluk door [plaats3] te rijden. Uiteindelijk ergens in het centrum van [plaats3] , zag ik de auto van [benadeelde partij] staan. Ik ben toen achteruit gereden en ik zag ineens [benadeelde partij] vluchten naar haar auto. Ik zag dat zij uit een woning kwam rennen.

Ik stond met mijn auto schuin voor de auto van [benadeelde partij] en zodoende kon zij niet wegrijden. Ik zag dat zij heel snel naar haar auto liep en toen instapte. Ik stond met mijn auto en ben uitgestapt en ben naar haar portier gelopen en ik heb haar fatsoenlijk gevraagd om even uit te stappen en met mij te praten. Ik kreeg van haar een middelvinger en hoorde haar zeggen: “Opdonderen klootzak”. Ik vroeg haar om het raam een stukje open te doen om te kunnen praten. Ik tikte hierbij ook [op] het raam maar [benadeelde partij] wilde het raam niet openen. Zij wilde ook niet praten. Ik hoorde haar zeggen dat ze wilde gaan. Ik heb toen gezegd dat ik bleef staan en dat ik wilde praten. Ik heb geprobeerd om het portier te openen maar deze waren op slot. Toen ik daar stond zag ik dat [benadeelde partij] toch opreed en mij bijna over de tenen reed. Ik werd daar boos [om] en heb toen een trap tegen de deurklink gegeven. Ik hoorde dat [benadeelde partij] een hele tijd op haar claxon drukte. Dat zal ze gedaan hebben zodat ik haar erlangs zou laten. Uiteindelijk ben ik ingestapt, wat moest ik anders. Ik ben weggegaan naar huis in [plaats4] .

V: Afgelopen maandag ben je door de politie aangetroffen in de achtertuin van de woning waar [benadeelde partij] was. Wat kun je daar over vertellen. Waarom was je daar?

A: Ik wilde nog voor een laatste keer met [benadeelde partij] praten. Een laatste poging."

Op 25 april 2019 doet aangeefster aangifte van stalking door haar ex-partner [verdachte] . Zij verklaart – zakelijk weergegeven - als volgt:

" [verdachte] bleef mij bellen en appen. (…) Ik reageerde bijna nergens meer op en ik heb twee weken geslapen, ik was helemaal uitgeput. Hij heeft in de periode, nadat ik bij hem weg was gegaan alles kunnen volgen wat ik deed. Want daar kwam ik later achter. Hij volgde waar ik was, wat ik deed, met wie ik was. Hij was vaak in mijn buurt, ik heb hem ook wel eens zien staan, en dan uren later stond hij er nog. Hij heeft mij nadien verteld, dat hij soms 3x per dag naar [plaats1] reed om te kijken of ik er was en wat ik deed. Ik zag [verdachte] ook regelmatig bij mij in de straat rijden met zijn auto (…). Soms reed ie langs, soms ging hij gewoon posten in de straat of in de bocht, om het hoekje. (…)

[verdachte] bleef eerst heel veel contact zoeken, via de app en bellen. Soms wel 22x op een dag, achter elkaar.

Ongeveer in maart 2019 begon ik plannen te maken om weer van hem af te komen. Ik wist dat het moeilijk zou zijn om van hem af te komen. [verdachte] zei op een bepaald moment tegen mij: “Ook al geef ik je honderdduizend euro, dan wil je me nog niet”. Dat zei hij letterlijk dus hij begreep best wel dat ik van hem af wilde, maar hij ging niet weg. Hij accepteerde niet wat ik zei en wat ik vond. Ik kon het niet in zijn gezicht zeggen. Als hij voor mij stond, dan kon hij heel agressief zijn en dan vroeg hij mij of ik hem wilde of niet. Dan was de dreiging te groot dat ik niet durfde uit te spreken, dat ik hem niet meer wilde."

Getuige [getuige2] heeft op 1 mei 2019 verklaard dat hij meerdere keren heeft gezien dat de man (het hof leest: verdachte) in de tuin van [benadeelde partij] zat.

Getuige [getuige3] heeft op 7 mei 2019 verklaard dat hij achteraf hoorde dat verdachte [benadeelde partij] regelmatig lastig viel. Getuige heeft dit zelf ook meerder malen gezien. Hij zag dan dat hij (het hof leest: verdachte) op een stoeltje van de buurvrouw achter in de tuin bij [benadeelde partij] zat. Getuige heeft dit zeker drie keer gezien. Getuige herkent deze man als zijnde de ex van [benadeelde partij] , [verdachte] .

Conclusie

Het hof is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer - naar objectieve maatstaven bezien - zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer sprake is geweest. Uit de voornoemde bewijsmiddelen komt naar voren dat de verdachte op indringende, intensieve en obsessieve wijze heeft geprobeerd met het slachtoffer in contact te komen terwijl het slachtoffer herhaaldelijk, al dan niet door tussenkomst van haar broer, aan de verdachte te kennen heeft gegeven van zijn toenaderingen niet gediend te zijn. De gevolgen die de gedragingen van de verdachte in het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer teweeg hebben gebracht blijken ook duidelijk haar verklaring.

Periode

Het hof acht de belaging in de periode van 1 januari 2019 tot en met 23 april 2019 wettig en overtuigend bewezen nu zowel verdachte als aangeefster hebben aangegeven dat de relatie in december 2018 was verbroken en er in januari 2019 een time-out was.

Relatie

Het feit dat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat hij (nog), of weer een relatie met aangeefster had doet niet af aan het feit dat sprake is van belaging. (Zie Hoge Raad 2 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1447.) Het verweer wordt verworpen.

Feitelijke gedragingen

Ten aanzien van de tenlastegelegde feitelijk gedragingen blijkt naast de aangifte van [benadeelde partij] dat verdachte bekent dat hij meermalen per dag telefonisch en via appberichten contact heeft gezocht met aangeefster. Dat in het dossier geen uitdraai van de belcontacten van de verzonden berichten zijn gevoegd maakt dat niet anders.

Het hof volgt de raadsvrouw niet in haar stelling dat niet uit het dossier blijkt dat verdachte meermalen contact heeft opgenomen met collega’s van mevrouw [benadeelde partij] . Integendeel. Uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt het tegenovergestelde. Het verweer wordt verworpen.

Het hof acht daarmee bewezen dat de verdachte zich aan de ten laste gelegde belaging schuldig heeft gemaakt.

Ten aanzien van feit 2

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat hooguit sprake is van beschadiging van de telefoon en de deur van de auto. De raadsvrouw verzoekt verdachte vrij te spreken van het bestanddeel: “een lamp”, nu uit de aangifte niet blijkt dat de lamp kapot is gegaan. Voorts verzoekt de raadsvrouw verdachte vrij te spreken van het bestanddeel: “een televisie” nu verdachte stelt dat de televisie al kapot was.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het onder 2 tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof zal verdachte vrijspreken van het bestanddeel “een lamp”, nu uit de aangifte niet is gebleken dat de lamp kapot is gegaan. Voor het overige is het hof van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het beschadigen van verschillende goederen, te weten de telefoon, de televisie en de deur van de auto.

Ten aanzien van feit 3

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweren gevoerd ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit.

Oordeel van het hof

Het hof acht het tenlastegelegde onder feit 3 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Verdachte heeft het tenlastegelegde ter terechtzitting van het hof bekend te hebben gepleegd en door of namens hem is geen vrijspraak bepleit. Daarom volstaat het hof, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opgave van bewijsmiddelen.

Deze opgave luidt als volgt:

  1. Het proces-verbaal ter terechtzitting van het hof, d.d. 21 juli 2021, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte;

  2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek wapen, d.d. 20 mei 2019, met bijlagen, opgenomen op pagina 222 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met registratienummer PL0100-2019101364, gesloten en getekend op 10 oktober 2019 door [verbalisant1] , inhoudende de relatering van verbalisant [verbalisant2] .

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij in de periode van 1 januari 2019 tot 23 april 2019, in de gemeente [plaats1] en [plaats2] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde partij] , door in bovengenoemde periode

- meermalen door de straat te rijden waar die [benadeelde partij] woont, en

- meermalen in de tuin, behorende bij de woning van die [benadeelde partij] , te zitten en te verblijven, en

- meermalen per dag naar die [benadeelde partij] te bellen en te appen, en

- berichten te sturen aan collega's van die [benadeelde partij] , en

- zich op te houden bij de werkplek van die [benadeelde partij] , en

- die [benadeelde partij] bij haar werkplek op te wachten,

telkens met het oogmerk die [benadeelde partij] te dwingen iets te dulden;

2.
hij in de periode van 9 april 2019 tot en met 16 april 2019, in de gemeente [plaats1] en/of [plaats3] , opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon, een televisie, een deur van een auto, geheel toebehorende aan [benadeelde partij] , heeft beschadigd;

3.
hij op 23 april 2019 te [plaats4] , een wapen van categorie III, te weten een gaspistool (merk Ekol, type GSG Compact), kaliber 9mm en een schietbeker, en munitie van categorie III, te weten 41 knalpatronen (merk Geco), kaliber 9mm en 10 pepperpatronen (merk Wadie), kaliber 9mm, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

belaging.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot oplegging van een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld een taakstraf op te leggen van een kortere duur, gelet op het tijdsverloop van de zaak ofwel een geldboete op te leggen.

Oordeel van het hof

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft in de periode van 1 januari 2019 tot 23 april 2019 wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van zijn voormalige vriendin, kortweg stalking, door meermalen door de straat te rijden waar aangeefster woont, meermalen in de tuin van aangeefster te zitten en te verblijven, meermalen per dag naar aangeefster te bellen en te appen, berichten te sturen aan collega’s van aangeefster en zich op te houden bij de werkplek van aangeefster, en aldaar te haar op te wachten. Daarmee heeft verdachte de geestelijke integriteit van aangeefster geschaad, zoals onder meer blijkt uit haar aangiftes. Uit die stukken wordt de impact van het gedrag op aangeefster duidelijk. Het hof houdt verdachte verantwoordelijk voor de impact op aangeefster van zijn strafbare gedrag en rekent dat verdachte aan.

Het hof neemt daarbij tevens in aanmerking dat verdachte na de bewezenverklaarde periode opnieuw contact heeft gezocht met aangeefster.

Voorts heeft verdachte verschillende goederen van aangeefster beschadigd en een wapen met munitie voorhanden gehad.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 juni 2021. Hieruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, maar niet voor soortgelijke feiten.

Het hof houdt voorts rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die blijken uit het dossier en zoals die tijdens het onderzoek ter terechtzitting van het hof zijn besproken.

Alles afwegend is het hof van oordeel dat – gelet op de aard en de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan – in beginsel een voorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke taakstraf passend en geboden zouden zijn.

Het hof heeft ter zitting kennisgenomen van het feit dat verdachte een nieuwe vriendin heeft en vastgesteld dat het sindsdien rustig is gebleven wat betreft het contact tussen verdachte en aangeefster. Het hof acht dat laatste een belangrijk gegeven, omdat aangeefster verschoond dient te blijven van ongewenst contact met verdachte. Om die reden volstaat het hof met oplegging van een onvoorwaardelijke taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Het hof acht een geldboete niet aan de orde, gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Standpunt van het openbaar ministerie

Ten aanzien van de vordering benadeelde partij [benadeelde partij] vordert de advocaat-generaal gedeeltelijke toewijzing tot een bedrag van € 518,85 materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met veroordeling van de verdachte in de proceskosten ad. € 15,90.

Standpunt van de verdediging

Voor wat betreft de door de benadeelde partij ingediende vordering tot schadevergoeding heeft de verdediging -zakelijk weergeven- primair bepleit de vordering af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk verklaren.

Het feit dat aangeefster haar sloten heeft moeten vervangen is naar de mening van de verdediging niet aan verdachte toe te rekenen, nu verdachte in de veronderstelling verkeerde dat zij nog een relatie hadden.

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de vordering tot immateriële schadevergoeding in al haar onderdelen wordt betwist nu deze onduidelijk of onvoldoende onderbouwd is.

Oordeel van het hof

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.784,75. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 518,85, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met veroordeling van de verdachte in de proceskosten ad. € 15,90. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

De verdediging heeft weliswaar opmerkingen gemaakt bij de materiële schadepost vervangen van sloten, maar heeft onvoldoende onderbouwd waarom verdachte niet aansprakelijk is voor deze schade. Het verweer wordt verworpen.

Aan reiskosten is gevorderd een bedrag van € 15,90. Het hof constateert dat de rechtbank deze kosten als proceskosten heeft aangemerkt. Het hof heeft gekeken naar het reisdoel, te weten hulp bij het voegen door Slachtofferhulp Nederland, hetgeen materiële kosten zijn.

Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 55, 57, 63, 285b en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 534,75 (vijfhonderdvierendertig euro en vijfenzeventig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 534,75 (vijfhonderdvierendertig euro en vijfenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 10 (tien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 1 januari 2019.

Aldus gewezen door

mr. H.J. Deuring, voorzitter,

mr. J. Hielkema en mr. G. Souer, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.G. Veenstra, griffier,

en op 4 augustus 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.