Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:760

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-01-2021
Datum publicatie
05-02-2021
Zaaknummer
20/00295 t/m 20/00297
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:6023, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet Woz. Waardevaststelling hotel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 05-02-2021
V-N Vandaag 2021/280
FutD 2021-0438
NTFR 2021/646
Belastingblad 2021/125
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers: 20/00295 tot en met 20/00297

uitspraakdatum: 26 januari 2021

Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 23 december 2019, nummers AWB 18/2134 tot en met AWB 18/2136, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking Rivierenland (BSR)

(hierna: de heffingsambtenaar).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij drie afzonderlijke beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [a-straat] 10 te [Z] , per de waardepeildatum van respectievelijk 1 januari 2014, 1 januari 2015 en 1 januari 2016 voor de belastingjaren 2015, 2016 en 2017 vastgesteld op respectievelijk € 6.113.000, € 19.072.000 en € 24.112.000. Tegelijk met elke beschikking is de aanslag onroerende zaakbelasting 2015 tot en met 2017 (gebruiker) vastgesteld.

1.2.

Op de bezwaarschriften van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar de voor de belastingjaren 2015 tot en met 2017 vastgestelde waarden en de daarop gebaseerde aanslagen OZB voor die jaren gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de WOZ-waarde met waardepeildatum 1 januari 2014 verminderd tot € 5.000.000 en de betreffende aanslag onroerende zaakbelasting 2015 dienovereenkomstig, en de WOZ-waarden met waardepeildata 1 januari 2015 en 1 januari 2016 gehandhaafd.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Belanghebbende heeft vóór de zitting, bij het Hof binnengekomen op 11 november 2020 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd aan de heffingsambtenaar. Ter zitting hebben partijen ermee ingestemd dat die nadere stukken worden aangemerkt als pleitnota, die geacht wordt ter zitting te zijn voorgedragen. Daarbij is overeengekomen dat het in die pleitnota vermelde geschilpunt inzake de grondwaarde buiten beschouwing blijft.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft via beeldbellen plaatsgevonden op 19 november 2020.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is gebruiker van de onder 1.1 vermelde onroerende zaak en exploiteert daarin een [A] hotel (hierna: het hotel). Haar aandeelhouder, [B] B.V., is eigenaar van die onroerende zaak.

2.2.

Het hotel is gebouwd in 1982 en gelegen aan de snelweg [000] . In 2015 is het hotel gerenoveerd en uitgebreid van 4 naar 17 verdiepingen. Het hotel heeft een vloeroppervlakte van 19.620 m², waarvan 6.138 m² oudbouw en 13.482 m² nieuwbouw. De grondoppervlakte bedraagt 28.678 m². Na de nieuwbouw zijn bij het hotel 450 parkeerplaatsen gerealiseerd. Daarnaast zijn bij de nieuwbouw een tankstation, een autowasstraat, een fitnessgelegenheid en een casino gerealiseerd. Deze zijn voor de WOZ afzonderlijk gewaardeerd.

2.3.

Ter onderbouwing van de vastgestelde WOZ-waarden voor de belastingjaren 2015 tot en met 2017 heeft de heffingsambtenaar voor elk jaar taxatierapporten overgelegd, opgemaakt op 1 juni 2018 door [C] , WOZ-taxateur (hierna: het taxatierapport, en tezamen; de taxatierapporten). Bij de taxaties is gebruikgemaakt van de richtlijnen uit de Taxatiewijzer van de Vereniging Nederlandse Gemeenten voor hotels (hierna: Taxatiewijzer hotels).

2.4.

Ter onderbouwing van de WOZ-waarde voor het belastingjaar 2015 verwijst de heffingsambtenaar naar het taxatierapport voor 2015 met het rekenblad WOZ-berekening en het voor 2015 aangepaste rekenblad WOZ-berekening. Hierin is volgens de systematiek van de Taxatiewijzer hotels en rekening houdend met de door de Rechtbank bevonden gegevens de waarde van het hotel op € 5.334.553 berekend. Bij de waarderingen voor 2015 is de huurwaarde-kapitalisatiemethode (hierna: HWK) gehanteerd en uitgegaan van tachtig kamers, een kamerprijs van € 75 en een bezetting van 75%.

2.5.

Voor de vastgestelde WOZ-waarden voor de belastingjaren 2016 en 2017 verwijst de heffingsambtenaar naar de taxatierapporten. Hierin is de waarde van het hotel voor 2016 en 2017 bepaald op basis van de gecorrigeerde vervangingswaarde (hierna: GVW).

2.6.1.

In de taxatierapporten voor de belastingjaren 2016 en 2017 is opgenomen:

een taxatieopbouw van de verschillende onderdelen van het hotel met het bouwjaar, het bruto vloeroppervlak, de bouwkosten p/m², de daarmee berekende vervangingswaarde per onderdeel, de diverse daarop toegepaste afschrijvingen en verminderingen ter bepaling van de gecorrigeerde vervangingswaarde per onderdeel en in totaal. De totale waarde van het hotel is aldus berekend op € 19.506.324 voor 2016 en € 25.313.250 voor 2017.

2.6.2.

In de taxatierapporten is toegelicht dat de vervangingswaarde voor de nieuwbouw is gebaseerd op de gemiddelde bouwkosten van twee hotelpanden, zijnde een studentenhotel in [D] en Hotel [A] in [E] . Van deze hotelpanden zijn vermeld de totale bouwkosten, het bruto vloeroppervlak en de bouwkosten p/m² van elk hotelpand. Daaruit zijn de gemiddelde bouwkosten van € 1.462 p/m² afgeleid. Bij de waardering van de nieuwbouw is voor 2016 rekening gehouden met 75% als zijnde gereed en voor 2017 met 100% gereed. Voor beide jaren is voor de oudbouw uitgegaan van 75% van de vervangingswaarde per eenheid van de nieuwbouw, te weten 75% x € 1.462 p/m², is € 1.096 p/m². Voor de oudbouw is de renovatie gebaseerd op een percentage van 50%. Verder is een functionele veroudering toegepast van 5% voor economische veroudering, 5% excessieve gebruikerskosten en 5% verandering bouwwijze. Verder is nog eens 25% afgeschreven voor leegstand en renovatie.

Voor de grond van de parkeerplaatsen geldt dat de grondwaarde van € 1.300.000 gebaseerd is op de geldende uitgifteprijzen en gerealiseerde verkoopcijfers van bedrijfsmatige kavels.

2.6.3.

Voor 2016 en 2017 is in de taxatierapporten vermeld dat in de Taxatiewijzer Vastgoed exploitatiekosten 2017 de herbouwkosten van dit type object zijn vastgesteld op € 1.706 p/m² bruto vloeroppervlakte. Rekening houdende met de marktindexcijfers 2017 en de hier van belang zijnde waardepeildata bedragen de herbouwkosten per 1 januari 2015 € 1.495 p/m² bruto vloeroppervlakte en per 1 januari 2016 € 1.570 p/m² bruto vloeroppervlakte.

2.7.

Belanghebbende wijst op vier afzonderlijke transacties van drie verschillende hotels gelegen te [F] en te [G] en de daarbij door haar gegeven toelichting. Uitgaande van het aantal kamers van het hotel (97 kamers) berekent belanghebbende de waarde van het hotel in relatie tot die transacties op een bedrag van, voor verbouwing: 97 kamers x € 24.683 = € 2.394.251 en, na verbouwing: 185 kamers x € 72.671 = € 13.444.135.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is de vastgestelde waarde van het hotel op de waardepeildata. Het geschil spitst zich voor de belastingjaren 2016 en 2017 toe op de vraag of voor de waardering terecht de gecorrigeerde vervangingswaardemethode (hierna: GVW-methode) is toegepast.

3.2.

Ter zitting is komen vast te staan dat de waardering van de extra grond op € 1.300.000 (13.000 m2 × € 100) tussen partijen niet in geschil is.

3.3.

Belanghebbende baseert haar waardering van het hotel op de vergelijkingsmethode. Zij betwist dat voor 2016 en 2017 de GVW-methode moet worden gehanteerd. Daarnaast stelt belanghebbende dat het rekenmodel van de Taxatiewijzer hotels de mogelijkheid biedt de WOZ-waarde te bepalen op basis van de exploitatie van het hotel. Naar haar mening kan de waardebepaling dan meer worden toegespitst op verschillende hoteltypen en locaties. Op basis van (door haar verstrekte transactiecijfers, de WOZ-berekening volgens het rekenblad en) de gegevens van de heffingsambtenaar concludeert belanghebbende dat het hotel op de waardepeildata 1 januari 2014, 1 januari 2015 en 1 januari 2016 moet worden gewaardeerd op achtereenvolgens € 3.300.000, € 7.250.000 en € 12.500.000, dan wel € 13.444.135.

3.4.

De heffingsambtenaar bepleit handhaving van de WOZ-waarden op achtereenvolgens € 5.000.000, € 19.072.000 en € 24.112.000. Ter onderbouwing van zijn standpunt voor het belastingjaar 2015 verwijst hij naar het aangepaste rekenblad WOZ-berekening (2.4). Voor de WOZ-waarden van de belastingjaren 2016 en 2017 verwijst de heffingsambtenaar naar de taxatierapporten. In dat verband betoogt de heffingsambtenaar dat de in de taxatierapporten gehanteerde GVW-methode de enige correcte waarderingsmethode voor 2016 en 2017 is.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Artikel 17, lid 1, Wet WOZ, bepaalt dat aan een onroerende zaak een waarde wordt toegekend. Op grond van artikel 17, lid 2, Wet WOZ, wordt de waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer, ofwel de prijs, die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.

4.2.

Bij de bepaling van de waarde in het economische verkeer van niet-woningen zijn op grond van artikel 4, lid 1, onderdeel b, Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ (hierna: URIW) de volgende methoden te gebruiken: huurwaarde-kapitalisatiemethode (HKW), vergelijkingsmethode op basis van systematische vergelijking met onroerende zaken waarvan marktgegevens beschikbaar zijn en discounted-cash-flow methode (DCF).

4.3.

In afwijking in zoverre van artikel 17, lid 2, Wet WOZ wordt op grond van artikel 17, lid 3, Wet WOZ, de waarde van een onroerende zaak, voor zover die niet tot woning dient en, kort gezegd, geen beschermd monumentenpand is, bepaald op de vervangingswaarde indien dit leidt tot een hogere waarde dan die ingevolge artikel 17, lid 2, Wet WOZ is bepaald. Bij de berekening van de vervangingswaarde wordt rekening gehouden met:

a. de aard en de bestemming van de zaak;

b. de sedert de stichting van de zaak opgetreden technische en functionele veroudering, waarbij de invloed van latere wijzigingen in aanmerking wordt genomen.

4.4.

Op grond van artikel 4, lid 2, URIW wordt de vervangingswaarde, als bedoeld in artikel 17, lid 3, Wet WOZ, berekend door bij de waarde van de grond van de onroerende zaak op te tellen de waarde van de opstal van de onroerende zaak. De waarde van de grond wordt bepaald door middel van de vergelijkingsmethode als hiervoor in punt 4.2 omschreven rekening houdend met de bestemming van de zaak. De waarde van de opstal wordt gesteld op de kosten die herbouw van een vervangend identiek object zouden vergen, gecorrigeerd met een factor wegens technische veroudering gebaseerd op de verstreken en de resterende gebruiksduur en met in achtneming van de restwaarde, en gecorrigeerd met een factor wegens functionele veroudering gebaseerd op economische veroudering, verouderde bouwwijze, ondoelmatigheid en excessieve gebruikskosten.

4.5.

In artikel 17, lid 4, Wet WOZ wordt eveneens in afwijking in zoverre van artikel 17, lid 2, Wet WOZ de waarde van een gebouwd eigendom in aanbouw bepaald volgens de GVW-methode bedoeld in artikel 17, lid 3, Wet WOZ. Onder een gebouwd eigendom in aanbouw wordt, kort gezegd, verstaan een onroerende zaak of een gedeelte daarvan waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is verleend en dat door bouw nog niet geschikt is voor gebruik overeenkomstig zijn beoogde bestemming.

4.6.

Voorop gesteld wordt dat de heffingsambtenaar de bewijslast heeft voor de juistheid van de in geschil zijnde WOZ-waarden van het hotel. Dit betekent dat de heffingsambtenaar aannemelijk dient te maken, rekening houdend met hetgeen belanghebbende daartegenover heeft aangevoerd en aan bewijs heeft ingebracht, dat die waarden niet te hoog zijn bepaald.

4.7.

Bij de waardebepaling in de taxatierapporten en in het aangepaste rekenblad WOZ-berekening voor 2015 heeft de heffingsambtenaar gebruik gemaakt van de richtlijnen uit de Taxatiewijzer hotels. Ook belanghebbende baseert zich daarop. Het Hof zal in deze uitspraak eveneens de richtlijnen uit de Taxatiewijzer hotels in de beoordeling betrekken.

Waardepeildatum 1 januari 2014 (belastingjaar 2015)

4.8.

De heffingsambtenaar heeft een aangepast rekenblad WOZ-berekening voor het jaar 2015 ingebracht, waarin de waarde van het hotel op € 5.334.553 is bepaald. Die waarde heeft hij berekend op basis van de HWK-methode uit de Taxatiewijzer hotels. Die methode heeft de heffingsambtenaar gehanteerd, omdat sprake was van een bestaand hotel. Bij de HWK-methode wordt middels een rekenmodel de huurwaarde bepaald aan de hand van een eveneens modelmatig berekende omzet. Die huurwaarde wordt vervolgens gekapitaliseerd.

4.9.

De enige variabelen die volgens de heffingsambtenaar zijn ingevoerd in het rekenmodel, zijn 80 kamers met een kamerprijs van € 75 per nacht en een bezettingsgraad van 75%. Het model heeft op basis van die gegevens een totale omzet berekend, bestaande uit omzet ter zake van overnachtingen, restaurantomzet, verhuur van zalen en overige omzet, van € 2.881.579. De bijbehorende modelmatig berekende huurwaarde bedraagt € 403.421 (14% van de totale omzet). Deze huurwaarde is gekapitaliseerd met een factor 10,5. Na een aantal eveneens modelmatige verminderingen resulteert een waarde van € 4.236.264. Die waarde is vermeerderd met de waarde voor extra grond van € 1.300.000 en, na een modelmatige vaste correctie, leidt dat tot een totale getaxeerde waarde voor het hotel van € 5.334.553 (afgerond € 5.000.000). Die extra grond is later gebruikt voor de nieuwbouw en de parkeerplaatsen.

4.10.

Ter zitting heeft de heffingsambtenaar desgevraagd toegelicht dat hij in het aangepaste rekenblad WOZ-berekening voor 2015 een ‘eenvoudigere’ berekening voor de WOZ-waarde heeft gemaakt dan in het taxatierapport 2015 is opgenomen en dat daarin enige modelmatige verminderingen niet door hem zijn verwerkt. Daarbij heeft hij wel de gegevens inzake de kamerprijs van € 75 per nacht en kamerbezetting van 75% aangehouden. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar verklaard dat de vestigingsdirecteur van het hotel hem die gegevens heeft meegedeeld bij de inpandige opname van het hotel en dat daarbij die gegevens nadrukkelijk en uitgebreid zijn besproken. In al zijn WOZ-berekeningen heeft de heffingsambtenaar die gegevens als de variabelen van het rekenmodel gehanteerd. De heffingsambtenaar heeft verder toegelicht dat het rekenmodel van de Taxatiewijzer hotels een normatieve omzet en normatieve kosten berekent, maar dat alleen de genormaliseerde omzet relevant is voor de berekening van de huurwaarde bij de waardering volgens de HWK-methode.

4.11.

Belanghebbende staat een waarde van € 3.300.000 voor. Zij voert aan dat de waardebepaling van het aangepaste rekenblad WOZ-berekening voor 2015 niet te herleiden is. Daarbij bestrijdt belanghebbende de gehanteerde kamerprijs van € 75 per nacht en de bezettingsgraad van 75%. Zij vermeldt een lagere feitelijke kamerprijs en kamerbezetting en verwijst daarbij naar de inventarisatieformulieren WOZ voor de exploitatiejaren 2013 tot en met 2015, die zij in reactie op het verweerschrift bij de Rechtbank op 8 november 2018 heeft ingebracht. Belanghebbende stelt dat bij de waardering voor 2015 moet worden uitgegaan van de gerealiseerde omzet van € 2.989.673 in plaats van een modelmatig berekende omzet van € 2.881.579 en dat de daarbij berekende operationele lasten aanzienlijk lager zijn dan de feitelijk gemaakte kosten. Voorts wijst belanghebbende op een aantal transacties van volgens haar vergelijkbare hotelpanden. Hieruit volgt volgens belanghebbende een gemiddelde transactieprijs van € 29.000 per kamer, terwijl de transactieprijs per kamer op basis van de door de heffingsambtenaar beschikte waarde op meer dan het dubbele uitkomt.

4.12.

Het Hof overweegt dat voor de waardering van een bestaand hotel de HKW-methode kan worden toegepast. Daarbij dient bij de waardebepaling van het hotel te worden uitgegaan van een kamerprijs van € 75 per nacht en een kamerbezetting van 75%. Die gegevens zijn door de vestigingsdirecteur van het hotel verstrekt en grondig besproken bij de inpandige opname van het hotel. Vervolgens zijn die gegevens van aanvang aan in de taxatierapporten gehanteerd. De door belanghebbende genoemde gegevens van de inventarisatieformulieren heeft de heffingsambtenaar betwist en zijn door belanghebbende niet onderbouwd met nader bewijs. Het Hof overweegt dat de door de heffingsambtenaar vermelde gegevens als variabelen in het rekenmodel kunnen worden gebruikt.

4.13.

Belanghebbende bepleit dat uitgegaan moet worden van de gerealiseerde omzet in plaats van de modelmatig berekende omzet. Aangezien het door haar genoemde omzetcijfer hoger is dan de door de heffingsambtenaar modelmatig berekende omzet helpt deze stelling belanghebbende niet. Evenmin helpt haar de stelling dat rekening moet worden gehouden met de feitelijk gemaakte kosten, aangezien de heffingsambtenaar onweersproken heeft gesteld dat alleen de normatieve omzet wordt gebruikt in het rekenmodel. Belanghebbende verwijst verder naar vier ingebrachte verkooptransacties van volgens haar vergelijkbare hotelpanden met een veel lagere transactieprijs per kamer dan die op basis van de beschikte waarde. De heffingsambtenaar bestrijdt dat die ingebrachte transacties vergelijkbaar zijn en wijst erop dat deze hotelpanden in slechte dan wel verhuurde staat zijn. Tegenover deze betwisting heeft belanghebbende de vergelijkbaarheid van de hotelpanden niet nader onderbouwd.

4.14.

Voor de waardebepaling is wel van belang dat de systematiek van het rekenmodel van de Taxatiewijzer hotels wordt aangehouden. Het Hof wijst de door de heffingsambtenaar zogenoemde ‘eenvoudigere’ WOZ-berekening af, voor zover daarin met enige modelmatige verminderingen geen rekening is gehouden.

4.15.

Dit leidt het Hof tot het oordeel dat de waardering van het hotel op € 5.000.000 niet te hoog is. Het Hof baseert dat oordeel op de toelichtende tekst in de Taxatiewijzer hotels (onderdeel 1.5 Methodiek). Een huurwaarde van 14% van de (genormaliseerde) totale omzet is voor het hotel met meerdere omzetcategorieën dan niet te hoog. Uit diezelfde toelichtende tekst leidt het Hof af dat een kapitalisatiefactor van 10,5 voor het hotel evenmin te hoog is, aangezien het hotel buiten de grote steden ligt. Volgens de methode in het rekenblad in het taxatierapport is de waarde van het hotel te berekenen op: € 403.421 (huurwaarde) x HWK-factor 10,5% – € 296.172 (vermindering verwervingskosten) + € 1.098.289 (grondwaarde na vaste correctie) = € 5.038.038.

Waardepeildata 1 januari 2015 en 2016 (belastingjaren 2016 en 2017)

4.16.

Het Hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar de door hem vastgestelde WOZ-waarden voor de belastingjaren 2016 en 2017 aannemelijk heeft gemaakt. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat de Wet WOZ de door de heffingsambtenaar gehanteerde GVW-methode voorschrijft bij objecten in aanbouw waarvan in de onderhavige situatie sprake is. Ook als het hotel niet meer in aanbouw zou zijn is de GVW-methode van toepassing bij de waardering als de vervangingswaarde tot een hoger waarde leidt dan de waarde volgens de door belanghebbende voorgestane vergelijkings- of HWK-methode (zie 4.2 en 4.3).

4.17.

Belanghebbende heeft de bij de waardebepaling volgens de GVW-methode door de heffingsambtenaar gehanteerde uitgangspunten en gegevens omtrent de bouwkosten, de afschrijvingen vanwege economische veroudering, excessieve gebruikskosten en verandering bouwwijze of mate van gereedkomen niet betwist. Die waarderingen voor 2016 en 2017 betreffen de gecorrigeerde vervangingswaarde van het hotel.

4.18.

Gelet op voorgaande is het Hof van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde WOZ-waarde van het hotel van € 19.072.000 per de waardepeildatum 1 januari 2015 en van € 24.112.000 per de waardepeildatum 1 januari 2016 niet te hoog is vastgesteld. Het gelijk is aan de zijde van de heffingsambtenaar.

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door P. Fortuin, voorzitter, T.A. Gladpootjes en V.M. van Daalen-Mannaerts leden, in tegenwoordigheid van M.J.G. Letschert, als griffier.

De beslissing is in het openbaar zitting uitgesproken op 26 januari 2021.

De griffier, De voorzitter,

Drs. M.J.G. Letschert Mr. drs. P. Fortuin

Afschriften van de uitspraak zijn aangetekend per post verzonden op 26 januari 2021.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.