Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:7426

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-08-2021
Datum publicatie
05-08-2021
Zaaknummer
200.286.244
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nederlandse rechter bevoegd, gewone verblijfplaats was in Nederland en sprake van ongeoorloofd niet doen terugkeren van het kind. Art. 8 en 10 Brussel II-bis.

Dat het kind in Duitsland woont, staat niet in de weg aan het uitspreken van een ondertoezichtstelling omdat het kind in Nederland naar school gaat en wordt opgevangen en haar sociale leven zich voornamelijk in Nederland afspeelt. Artikel 1.3 lid 1 van de Jeugdwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.286.244

(zaaknummer rechtbank Overijssel 249548)

beschikking van 3 augustus 2021

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. I. Mercanoğlu te Almelo,

en

raad voor de kinderbescherming,

gevestigd te Almelo,

verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de raad,


en

[verweerster] ,

wonende [woonplaats2] ,

verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 2 juli 2020 en 26 oktober 2020 (de laatste verder te noemen: de bestreden beschikking), uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 20 november 2020;

- een journaalbericht van mr. Mercanoğlu van 27 mei 2021 met producties.

2.2

De eerste mondelinge behandeling bij het hof heeft op 13 april 2021 plaatsgevonden. De moeder is niet ter zitting verschenen en het hof heeft geconstateerd dat de oproep aan de moeder niet naar het juiste adres is verzonden. Het hof heeft de behandeling daarom toen aangehouden.

2.3

Op 27 mei 2021 heeft opnieuw een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De vader is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder te noemen: de raad) is met schriftelijke kennisgeving vooraf, niemand verschenen. De gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Overijssel (verder te noemen: de GI) heeft het hof bericht dat zij niet ter mondelinge behandeling in hoger beroep zal verschijnen.

3 De feiten

3.1

De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] (verder te noemen: [de minderjarige] ), geboren [in] 2009 te [plaats1] .

De vader heeft [de minderjarige] erkend.

Bij beslissing van het Amtsgericht Nordhorn van 14 juli 2015 is bepaald dat de vader en de moeder gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] uitoefenen.

[de minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.

3.2

De moeder en [de minderjarige] zijn op 9 juni 2020 uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente Enschede. Zij zijn verhuisd naar Duitsland.

3.3

Bij beschikking van 26 oktober 2020 (verder te noemen: de bestreden beschikking) heeft de kinderrechter het verzoek van de vader tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige] afgewezen.

3.4

De vader, de moeder en [de minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit.

4 De omvang van het geschil

4.1

De vader is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vader verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en het inleidend verzoek van de vader om [de minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI alsnog toe te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

Rechtsmacht Nederlandse rechter en toe te passen recht

5.1

Het hof dient ambtshalve te beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek van de vader.

In deze zaak gaat het om een kinderbeschermingsmaatregel. Op grond van artikel 8 lid 1 van de Verordening (EG) Nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (Brussel II-bis), zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt.

Op grond van het tweede lid van dit artikel geldt het bepaalde in het eerste lid onder voorbehoud van, onder meer, artikel 10 Brussel II-bis.

Artikel 10 Brussel II-bis bepaalt dat in geval van ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van een kind de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd blijven totdat het kind in een andere lidstaat een gewone verblijfplaats heeft verkregen

en (a) degene die gezagsrecht bezit, in de overbrenging of het niet doen terugkeren heeft berust

of (b) het kind gedurende ten minste een jaar nadat degene met gezagsrecht kennis heeft gekregen of had moeten krijgen van de verblijfplaats van het kind, in die andere lidstaat heeft verbleven en in zijn nieuwe omgeving geworteld is, en aan één van de voorwaarden onder i tot en met iv van dit artikel is voldaan.

5.2

Voor zover het hof kan afleiden uit de inhoud van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, zijn de moeder en [de minderjarige] sinds december 2019 meermaals verhuisd. Eind december 2019 is de moeder met [de minderjarige] , zonder daarover met de vader te overleggen, vanuit [woonplaats1] naar Duitsland vertrokken waar zij heeft gewoond of verbleven in [plaats2] , in [plaats3] , in [plaats4] en, sinds kort, in [woonplaats2] . De zorgregeling tussen vader en [de minderjarige] is eind 2019 gestopt. Op 20 april 2020 heeft de vader voor het eerst sinds het vertrek van [de minderjarige] naar Duitsland weer contact met [de minderjarige] gehad en daarbij is hem gebleken dat [de minderjarige] al enkele weken weer in [woonplaats1] woonde bij de broer van de moeder en naar basisschool “ [naam1] ” in [woonplaats1] ging. Daarna is de moeder wederom en zonder overleg en toestemming van de vader met [de minderjarige] naar een voor de vader onbekend adres in Duitsland vertrokken, waarschijnlijk op 10 mei 2020. Op 8 juni 2020 heeft de moeder [de minderjarige] eveneens zonder toestemming van de vader uit doen schrijven uit de BRP. Nu de ouders gezamenlijk met het gezag zijn belast en voor een verhuizing van [de minderjarige] de toestemming van de vader vereist is, is het hof van oordeel dat sprake is van een ongeoorloofd overbrenging en niet doen terugkeren van een kind als bedoeld in artikel 10 jo artikel 2 onder 11 Brussel II-bis.

Het hof is van oordeel dat [de minderjarige] op 10 juni 2020, toen de vader zijn verzoek tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige] bij de kinderrechter heeft ingediend, ook als zij toen feitelijk in Duitsland verbleef, haar gewone verblijfplaats in Nederland had, zodat de Nederlandse rechter op grond van artikel 8 Brussel-II bis bevoegd is. Voorafgaand aan de verhuizing in mei/juni 2020 woonden [de minderjarige] en haar moeder na een kort verblijf in Duitsland alweer enkele maanden in Nederland en [de minderjarige] ging toen in Nederland naar school. Daarbij komt dat [de minderjarige] het grootste deel van haar leven in [woonplaats1] heeft gewoond en Nederlands onderwijs heeft gevolgd. Ook nu zij in [woonplaats2] woont, gaat zij in [woonplaats1] naar school. [de minderjarige] en haar moeder spreken Nederlands met elkaar. Hieruit leidt het hof af dat het centrum van de belangen van [de minderjarige] in Nederland was gelegen.

Ook als de Nederlandse rechter zijn bevoegdheid niet aan artikel 8 Brussel II bis zou kunnen ontlenen, is deze bevoegd. Krachtens artikel 10 Brussel II-bis blijft de Nederlandse rechter in geval van een ongeoorloofd niet doen terugkeren van [de minderjarige] immers bevoegd te beslissen op het verzoek van de vader, totdat [de minderjarige] haar gewone verblijfplaats in een andere lidstaat heeft verkregen en voldaan is aan de voorwaarden vermeld onder a of b van dat artikel. Niet is gebleken dat aan een van deze voorwaarden was voldaan op het moment van indiening van het verzoek.

5.4

Nu de Nederlands rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.

5.5

De vader stelt in zijn grief dat dat de kinderrechter zich ten onrechte onbevoegd heeft geacht om [de minderjarige] onder toezicht te stellen omdat zij in Duitsland woont. Het hof stelt echter vast dat de kinderrechter het verzoek van de vader heeft afgewezen omdat hij geen mogelijkheid zag om een kinderbeschermingsmaatregel op te leggen. Dit omdat een in het buitenland wonende jeugdige geen aanspraak kan maken op jeugdhulp onder de Jeugdwet, nu die wet ingevolge artikel 1.3 lid 1 volgens de kinderrechter enkel van toepassing is op in Nederland verblijvende jeugdigen.

Ondertoezichtstelling

5.6

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

5.7

In de bestreden beschikking heeft de kinderrechter zich de vraag gesteld of een ondertoezichtstelling kan worden uitgesproken over [de minderjarige] , nu zij met haar moeder in [woonplaats2] in Duitsland woont. De kinderrechter ziet daartoe geen mogelijkheid. Hij baseert zijn oordeel op artikel 1.3 lid 1 van de Jeugdwet dat bepaalt dat deze wet uitsluitend van toepassing is op in Nederland verblijvende jeugdigen en op het antwoord van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op Kamervragen over jeugdzorg voor gezinnen die in het buitenland wonen, waaruit blijkt dat een in het buitenland wonende jeugdige - behoudens andersluidende afspraken in internationale regelingen, waarvan hier niet is gebleken - geen aanspraak kan maken op jeugdhulp onder de Jeugdwet.

Het hof ziet dit anders. [de minderjarige] woont in de grensstreek, gaat nog steeds in Nederland naar basisschool “ [naam1] ”. Zij wordt buiten schooltijd wel opgevangen in Nederland en haar sociale leven speelt zich voornamelijk in Nederland af. Dan dient het feit dat zij in Duitsland woont en in het bevolkingsregister staat ingeschreven, niet in de weg staan aan het uitspreken van een ondertoezichtstelling, indien wordt voldaan aan de daarvoor in de wet gestelde eisen. Het hof zal daarom beoordelen of een ondertoezichtstelling van [de minderjarige] noodzakelijk is.

5.8

Een medewerker van het Jugendamt in Duitsland heeft de moeder en [de minderjarige] in opdracht van de raad bezocht. De raad concludeert in zijn rapport van 8 oktober 2020 dat geen advies kan worden uitgebracht omdat er geen onderzoek is gedaan, maar de raad heeft wel zorgen over de gevolgen van de vele wisselingen in de leefsituatie van [de minderjarige] . Voor de raad is niet helder in hoeverre de wens van [de minderjarige] dat zij geen contact met haar vader wil, is ingegeven door haar persoonlijke beleving met haar vader of dat zij mogelijk klem zit tussen haar ouders, omdat zij meerdere keren is geconfronteerd met volwassenenproblematiek (slechte ouderrelatie en -communicatie). De raad deelt de zorgen van de vader en kan zich voorstellen dat hij een verzoek tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige] heeft ingediend.

5.9

Het hof heeft evenals de kinderrechter grote zorgen over de ontwikkeling van [de minderjarige] . Hierop is op dit moment weinig zicht, terwijl een aantal punten aanleiding geven te vermoeden dat de omstandigheden waarin [de minderjarige] moet opgroeien verre van optimaal zijn. [de minderjarige] is erg vaak verhuisd en is vaak van school gewisseld. Gebrek aan continuïteit in de woonomgeving en de schoolgang kan de ontwikkeling van een kind negatief beïnvloeden. Inmiddels gaat [de minderjarige] al een langere periode naar basisschool “ [naam1] ” in [woonplaats1] . De vader heeft een gesprek op school gehad en daaruit is gebleken dat [de minderjarige] redelijk goed presteert op school, maar volgens de vader is het middelbare-schooladvies dat [de minderjarige] onlangs heeft gekregen toch lager dan hij op basis van de capaciteiten van [de minderjarige] had verwacht.

De vader heeft de afgelopen jaren steeds erg onregelmatig contact gehad met [de minderjarige] . Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft hij verklaard dat hij [de minderjarige] voor het laatst heeft gezien in februari van dit jaar. De moeder was boos over een gebeurtenis tijdens dat contact en heeft de contacten en daarmee de zorgregeling eenzijdig beëindigd. Uit de stukken leidt het hof af dat de moeder de zorgregeling de afgelopen jaren steeds naar eigen goeddunken aanpast en er steeds lange periodes geen contact is tussen de vader en [de minderjarige] . Voor een evenwichtige ontwikkeling van een kind is het belangrijk dat het contact kan hebben met beide ouders en met iedere ouder een band kan opbouwen en onderhouden. Het komt het hof voor dat de moeder [de minderjarige] onvoldoende gelegenheid geeft om een band met haar vader te kunnen opbouwen.

5.10

Op grond van het hiervoor overwogene heeft het hof de indruk dat de moeder de belangen van [de minderjarige] niet altijd voldoende vooropstelt en dat [de minderjarige] zodanig opgroeit dat zij in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. Door steeds te verhuizen ontwijkt de moeder de zorg die voor het wegnemen van deze ernstige bedreiging noodzakelijk is voor [de minderjarige] en de ouders.

5.11

De moeder is niet tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verschenen maar heeft wel op 16 mei 2021 een brief met bijlagen naar de advocaat van de vader en naar het hof gestuurd. Hetgeen de moeder schrijft in haar brief met bijlagen brengt het hof niet tot een andere conclusie over wat in in 5.8-5.10 is overwogen. Uit de brief leidt het hof af dat de moeder en vader onvoldoende in staat zijn tot samenwerking.

5.12

Al met al is het hof van oordeel dat in dit geval aan de gronden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en de moeder aanvaardt geen zorg die voor het wegnemen daarvan noodzakelijk is. Daarom acht het hof hulpverlening in een gedwongen kader noodzakelijk. Het hof gaat ervan uit dat verwacht mag worden dat de ouders binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] weer zelf kunnen dragen.

Het doel van deze ondertoezichtstelling is zicht te krijgen op algehele ontwikkeling van [de minderjarige] en de opvoedingsvaardigheden van de moeder. Ook moet onderzocht worden of, en zo ja, op welke wijze invulling moet worden gegeven aan een bestendig contact tussen de vader en [de minderjarige] en een goede naleving van de zorgregeling.

5.13

Het hof zal [de minderjarige] onder toezicht stellen van de Stichting Jeugdbescherming Overijssel die zo nodig het Jugendamt in [woonplaats2] of in enige andere woonplaats van [de minderjarige] in Duitsland bij de uitvoering kan betrekken.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en het verzoek van de vader tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige] toewijzen voor de duur van een jaar als na te melden.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 26 oktober 2020 en opnieuw beschikkende:

stelt [de minderjarige] , geboren [in] 2009 te [plaats1] , onder toezicht van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Overijssel, gevestigd te Hengelo (O), met ingang van heden tot 24 juni 2022;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.G.M.Th. Weijers-van der Marck, J.H. Lieber en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door de griffier, en is op 3 augustus 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.