Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:7421

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-08-2021
Datum publicatie
09-09-2021
Zaaknummer
200.294.579
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

artikel 351 Rv. Geen schorsing tenuitvoerlegging vonnis door hof na gemotiveerde beslissing rechtbank over tenuitvoerlegging in geschil tussen gewezen levensgezellen over wie in gezamenlijke woning mag verblijven

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, familie

zaaknummer gerechtshof 200.294.579

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 385720)

arrest in kort geding van 3 augustus 2021

in het incident in de zaak van

Stichting Eswee Inkomensbeheer te Zaltbommel, namens deze [appellante] , q.q., provisioneel bewindvoerder over
[naam1] ,

gevestigd te Zaltbommel,

appellante,

eiseres in het incident,

[naam1] hierna: de man,

advocaat: mr. A. van Eijkeren,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats1] ,

geïntimeerde,

verweerster in het incident,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. J.W.C. Giebels.

1 De procedure bij de rechtbank

Wat er in deze zaak bij de rechtbank is gebeurd, staat in het vonnis in kort geding van
12 april 2021 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland.

2 De procedure bij het gerechtshof

2.1

Wat er in deze zaak bij het gerechtshof is gebeurd, blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 10 mei 2021 met de eis in het incident,

- het H16-formulier van 21 juni 2021 van de advocaat van de man,

- de conclusie van antwoord in het incident.

2.2

Daarna hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest in het incident aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest in het incident bepaald.

3 De motivering van de beslissing in het incident

3.1

Deze zaak gaat - voor zover van belang voor de beoordeling in het incident - over het volgende.

3.1.1

De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad en hebben een samenlevingsovereenkomst gesloten. Zij zijn ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van een woning. De vrouw heeft drie kinderen uit een eerdere relatie: [kind1] (21 jaar), [kind2] (18 jaar) en [kind3] (16 jaar). De man heeft drie kinderen uit een eerdere relatie: [kind4] (21 jaar), [kind5] (19 jaar) en [kind6] (18 jaar). De man en de vrouw hebben met de kinderen, op [kind1] na, in de woning gewoond.

3.1.2

De man is gerechtsdeurwaarder en heeft een eenmanszaak genaamd [naam1] Gerechtsdeurwaarders. De vrouw werkte voor de eenmanszaak en ontving daarvoor loon. De man is op dit moment geschorst als deurwaarder. Voor hem is een waarnemer benoemd.

3.1.3

Nadat tussen de man en de vrouw onenigheid was ontstaan, zijn de vrouw en de kinderen uit de woning vertrokken en liet de man haar niet meer in de woning.

3.1.4

De vrouw heeft daarna in kort geding bij de voorzieningenrechter een vordering tegen de man ingesteld. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis onder meer:

- (5.1) de man veroordeeld om de woning te ontruimen en de sleutels af te geven aan de vrouw, waarna hij de woning niet meer mag betreden,

- (5.2) de vrouw en de kinderen van partijen toestemming gegeven om de woning weer te betrekken en de sloten van de woning te veranderen;

- (5.3) de vrouw gemachtigd om met behulp van de sterke arm van justitie en politie de tenuitvoerlegging van het vonnis te bewerkstelligen, als de man in gebreke blijft aan het onder 5.1 genoemde te voldoen;

- (5.4) de man veroordeeld om maandelijks aan de vrouw een bedrag te betalen (als bijdrage in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding).

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De voorzieningenrechter heeft deze beslissing nader gemotiveerd.

3.1.5

De man heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. Hij vordert in het incident dat het hof de tenuitvoerlegging van het bepaalde onder 5.1 tot en met 5.4 van dat vonnis zal schorsen op grond van artikel 351 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot het hof in de hoofdzaak heeft beslist, met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure in beide instanties, te vermeerderen met rente en kosten. De vrouw heeft die vordering bestreden.

3.2

Het hof is van oordeel dat de vordering in het incident moet worden afgewezen.
Het hof legt hierna uit waarom.

3.3

Bij de beoordeling van de vordering houdt het hof rekening met het volgende.

Wanneer een veroordeling uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, is deze uitvoerbaar, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Als de voorzieningenrechter, zoals hier in het vonnis van 12 april 2021, een gemotiveerde beslissing heeft gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad geldt het volgende. Het hof kan alleen een andere beslissing daarover nemen als die is gebaseerd op een kennelijke misslag of als de eiser aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag legt die bij het nemen van die beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich pas na het vonnis hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken. Als dat het geval is, kan het hof de uitvoerbaarheid schorsen als het belang van de veroordeelde partij bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij. Het hof gaat daarbij uit van de overige overwegingen en beslissingen van het vonnis van de voorzieningenrechter. De kans van slagen van het hoger beroep mag niet worden meegewogen.1

3.4

Aan zijn vordering heeft de man feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd die volgens hem bij het nemen van de beslissing bij de voorzieningenrechter niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich pas na het vonnis hebben voorgedaan. De man stelt:

a- op 4 mei 2021 heeft de kantonrechter een provisioneel bewindvoerder over de man benoemd (Stichting Eswee Inkomensbeheer te Zaltbommel);

b- de man kan niet meer bij zijn post en hij mag deze ook niet komen ophalen in de woning, waardoor hij niet weet wat er gebeurt en belangrijke stukken (waaronder beslagstukken en stukken rondom het provisionele bewind) niet ontvangt of heeft;

c- de man kan op dit moment nergens heen en slaapt noodgedwongen in het deurwaarderskantoor;

d- nu de man niet meer in de woning mag komen, kan hij de zorg voor zijn ernstig zieke dochter [kind5] - zij is onder behandeling van het oncologisch centrum prinses Maxima te Utrecht - niet meer verlenen;

e- door beslagleggingen door de vrouw op grond van het vonnis op alle bankrekeningen van de man (zakelijk en privé) komt de continuïteit van de onderneming van de man in gevaar en (daardoor) kunnen vaste lasten van partijen niet worden betaald.

3.5

Het hof gaat aan de omstandigheden die de man onder b-e noemt voorbij. De vrouw betwist de juistheid daarvan en licht dat als volgt toe. Zij stuurt alle post voor de man door naar zijn provisioneel bewindvoerder en degene die de onderneming van de man waarneemt nu de man zijn werkzaamheden als deurwaarder voorlopig heeft neergelegd en vanwege het instellen van het provisioneel bewind ook is geschorst. Zij ziet geen aanleiding beslag te leggen zolang zij met de provisioneel bewindvoerder kan overleggen over een regeling voor de huishoudelijke kosten. [kind5] heeft op dit moment geen verzorging van een volwassene meer nodig heeft en woont zelfstandig op kamers in een studentenhuis in [plaats1] .

Momenteel verblijft de man in een kliniek. Mocht de man de kliniek kunnen verlaten dan kan hij tijdelijk onderdak vinden bij de abdij [naam2] in [plaats2] of bij vrienden. Mocht dit allemaal niet lukken dan verwacht de vrouw dat er vanuit de kliniek waar de man thans verblijft hulp kan worden geboden bij het vinden van onderdak, al dan niet in de vorm van een zorgmachtiging.

3.6

Blijft over de onder a genoemde omstandigheid (instelling provisioneel bewind). De voorzieningenrechter heeft met deze omstandigheid geen rekening kunnen houden. Dat de belangen van de man op dit moment worden behartigd door de provisioneel bewindvoerder kan echter op zich niet rechtvaardigen dat het hof afwijkt van de beslissing van de voorzieningenrechter over de uitvoerbaarheid bij voorraad.

3.7

Al met al is niet aannemelijk geworden dat er omstandigheden zijn die de voorzieningenrechter bij het nemen van zijn beslissing niet in aanmerking kon nemen doordat zij zich pas na het vonnis hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken. Het hof komt dan ook niet toe aan een nadere belangenafweging.

3.8

Gelet op de omstandigheid dat partijen (gewezen) levensgezellen zijn en het geschil hieruit voortvloeit, zal het hof bepalen dat iedere partij haar eigen kosten van het incident draagt.

3.9

Het hof zal bepalen dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in kort geding:

in het incident:

wijst de vordering af;

bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

in de hoofdzaak in hoger beroep:

bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, C.M.E. Lagarde en J.U.M. van der Werff en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2021.

1 HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.