Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:7395

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-08-2021
Datum publicatie
05-08-2021
Zaaknummer
200.267.479/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Lennoc is niet toerekenbaar tekortgeschoten in nakoming van tussen partijen Samenwerkings-overeenkomst. Beoogde samenwerking was gebaseerd op verplichtingen van beide partijen. Lennoc heeft zich voldoende ingespannen om tot de beoogde samenwerking te komen terwijl Sevilla het op enig moment heeft laten afweten door niet meer te reageren, ondanks toezegging dat wel te doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.267.479

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 18.17533)

arrest van 3 augustus 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Sevilla Beheer B.V.,

gevestigd te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Sevilla,

advocaat: mr. M.W.E. Evers,

tegen

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Lennoc B.V.,

gevestigd te Arnhem,

hierna: Lennoc,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Lennoc Development B.V.,

gevestigd te Arnhem,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
EUClaim B.V.,

gevestigd te Arnhem,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Miss Casey B.V.,

gevestigd te Arnhem,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk: Lennoc c.s.,

advocaat: mr. C. van der Most.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het arrest van 22 december 2020 waarin een meervoudige mondelinge behandeling van partijen is bepaald;

- het proces-verbaal van de op 12 mei 2021 gehouden meervoudige mondelinge behandeling van partijen;

- de door mr. Evers alsnog in het geding gebrachte producties 74 tot en met 90 uit de procedure bij de rechtbank.

1.2

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op de door Sevilla overgelegde stukken.

2 De feiten

2.1

Het hof gaat uit van de feiten die de rechtbank in het vonnis van 8 juli 2019 (hierna: het vonnis) onder 2.1 tot en met 2.30 heeft vastgesteld, met uitzondering van 2.21. Met grief 1 richt Sevilla zich op de onvolledigheid van de opgenomen feiten, maar niet tegen de feitenvaststelling zelf. Voor zover grief 1 zich richt tegen de onjuiste waardering door de rechtbank van de vastgestelde feiten zal het hof, voor zover nodig, hierop bij de beoordeling ingaan. Voorts zal het hof, voor zover van belang, hierna bij zijn beoordeling nog op de niet door de rechtbank vastgestelde feiten ingaan.

2.2

Anders dan onder 2.21 van het vonnis is opgenomen hebben partijen inzake het geschil over geldlening D inmiddels een schikking getroffen en de daarmee in verband staande beslagen opgeheven.

3 De verdere beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1

Deze zaak gaat, kort gezegd, over het volgende.

3.1.1

Lennoc c.s. beschikt over IT-systemen waarbij gegevens worden verzameld en beoordeeld of luchtvaartpassagiers in aanmerking komen voor een vergoeding bij vertraging of annulering van hun vluchten. Onder meer op basis van volmachten incasseert Lennoc c.s., al dan niet na een gerechtelijke procedure, de door de luchtvaartmaatschappijen te betalen vergoeding en keert deze vergoeding onder inhouding van een fee uit aan de passagiers. Door het beschikbaar stellen van de handelsnaam, website en data van Lennoc c.s. kunnen andere ondernemingen ook het claimproces uitvoeren.

3.1.2

De heer [naam1] (hierna: [naam1] ) is indirect, via Noorrink B.V., bestuurder van Lennoc. Lennoc is enig bestuurder en aandeelhouder van geïntimeerden 2 tot en met 4 (hierna: de dochtermaatschappijen). De heer [naam2] (hierna: [naam2] ) is indirect aandeelhouder van Sevilla. Sevilla is een investeringsmaatschappij.

3.1.3

De aandelen van Lennoc worden sinds begin 2006 gehouden door de Stichting Administratiekantoor Lennoc (hierna: Stak). De door de Stak uitgegeven certificaten worden gehouden door Sevilla (39,46%), Noorrink (30,96%) en de groep Molenaar (29,58%). Het bestuur van de Stak wordt gevormd door [naam1] , [naam2] en de heer [naam3] (hierna: [naam3] ).

3.1.4

Op verzoek van Sevilla is een Raad van Commissarissen (RvC) ingesteld. De heer [naam4] (hierna: [naam4] ) is door Sevilla voorgedragen als commissaris van Lennoc. [naam4] was commissaris vanaf 22 september 2009 tot 21 januari 2016. Tot 2014 was [naam4] enig commissaris, daarna zijn ook [naam3] en de heer [naam5] (hierna: [naam5] ) in de RvC benoemd. [naam4] was vanaf 30 december 2005 tot 2 mei 2014, samen met Sevilla, bestuurder van Z-Venture B.V. Vanaf de oprichting werden de aandelen in Z-Venture een periode gezamenlijk door Sevilla en [naam4] ieder voor de helft gehouden, thans zijn de aandelen volledig in handen van Sevilla.

3.1.5

Nadat Lennoc eind 2010/begin 2011 met liquiditeitsproblemen werd geconfronteerd, is een e-mailwisseling tussen [naam2] en [naam1] gestart. Hierin heeft, sterk samengevat, Sevilla zich bereid getoond om tegen nader af te spreken condities de financiering van Lennoc door de Deutsche Bank over te nemen en extra leningen te verschaffen, teneinde Lennoc in een structureel gezonde financiële situatie te brengen. Dit heeft geresulteerd in een door Lennoc, Noorrink en Sevilla op 5 januari 2012 ondertekende “Samenwerkingsovereenkomst en geldleningsovereenkomst” (hierna: de Overeenkomst).

3.1.6

Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of Lennoc toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van artikel 6 van de Overeenkomst (“Samenwerking Territorium”) dan wel of de dochtermaatschappijen onrechtmatig jegens Sevilla hebben gehandeld door Sevilla niet in staat te stellen het claimproces in het Territorium uit te voeren. Onder Territorium verstaan partijen Spanje, de Verenigde Staten en Trans-Atlantische routes. Ook zijn partijen verdeeld of Lennoc inbreuk heeft gemaakt op een door Lennoc aan Sevilla vergeven exclusief recht door met een derde partij, namelijk Van Ameyde International BV (hierna: Van Ameyde) een samenwerkingsovereenkomst aan te gaan.

3.2

De rechtbank heeft de vorderingen van Sevilla afgewezen en haar veroordeeld in de proceskosten. Sevilla heeft in hoger beroep zes grieven tegen het vonnis opgeworpen en haar eis gewijzigd. Sevilla vordert thans dat het hof:

i) Lennoc c.s. hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van alle door Sevilla geleden en nog te lijden schade als gevolg van (a) het toerekenbaar tekortschieten door Lennoc in de nakoming van artikel 6 van de Overeenkomst en (b) het onrechtmatig handelen van de dochtermaatschappijen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

ii) voor recht verklaart dat Lennoc c.s. inbreuk hebben gemaakt op het (alleen) recht van Sevilla om het claimproces in het Territorium te (doen) uitvoeren en hen veroordeelt tot

alle geleden en nog te lijden schade als gevolg van deze inbreuk, nader op te

maken bij staat en te vereffen volgens de wet;

iii) Lennoc c.s. hoofdelijk veroordeelt tot terugbetaling van al hetgeen Sevilla

uit hoofde van het vonnis aan geïntimeerden heeft voldaan, een en ander te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag der voldoening door Sevilla tot aan de dag der

algehele terugbetaling;

iv) Lennoc c.s. hoofdelijk veroordeelt in de kosten van beide instanties, te

vermeerderen met de nakosten en wettelijke rente over de (na)kosten.

3.3

De grieven 1 tot en met 4 en 6 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Samengevat stelt Sevilla het volgende. Volgens Sevilla heeft de rechtbank ten onrechte geen rekening gehouden met hetgeen zich tussen partijen heeft afgespeeld vanaf oktober 2011 tot het moment dat op 5 januari 2012 de Overeenkomst is ondertekend, alsook dat Sevilla toen niet meer alleen certificaathouder van Lennoc was maar ook een

samenwerkingspartner van Lennoc was geworden. Daarnaast heeft de rechtbank een verkeerde uitleg aan de Overeenkomst gegeven en is daardoor tot de volgens Sevilla onjuiste conclusie gekomen dat Lennoc niet is tekortgeschoten in de nakoming van artikel 6 van de Overeenkomst. Sevilla heeft in de toelichting op de grieven nauwgezet uiteengezet op grond van welke feiten en omstandigheden volgens haar blijkt dat artikel 6 meer inhoudt dan globale afspraken over een mogelijke samenwerking en dat het gaat om concrete verplichtingen van Lennoc die zij niet is nagekomen. Hierbij wijst Sevilla erop dat daarbij ook van belang is wat zij redelijkerwijs van Lennoc mocht verwachten. Onjuist is volgens Sevilla het oordeel van de rechtbank dat Lennoc gaandeweg mocht aannemen dat er voor Lennoc geen verplichtingen meer uit artikel 6 van de Overeenkomst voortvloeiden, waardoor het haar vrij zou staan om een samenwerking met Van Ameyde aan te gaan. Van rechtsverwerking is geen sprake, aldus Sevilla. Sevilla stelt voorts dat nakoming blijvend onmogelijk was geworden op het moment dat Lennoc in 2014 de rechten van Sevilla op Spanje exclusief aan Van Ameyde had gegeven. Sevilla stelt verder dat een onderscheid moet worden gemaakt in de toerekenbare tekortkoming van Lennoc in de nakoming van artikel 6 en de toerekenbare tekortkoming door Lennoc aangaande de inbreuk op het alleenrecht van Sevilla op het claimproces in het Territorium. Sevilla vordert in hoger beroep, anders dan bij de rechtbank, dat alle door haar geleden schade nader wordt bepaald en opgemaakt in een schadestaatprocedure. Lennoc c.s. heeft de stellingen van Sevilla gemotiveerd betwist.

Aard van de Overeenkomst

3.4

Lennoc bestrijdt het standpunt dat de Overeenkomst een perfecte overeenkomst is waaruit voor Lennoc nakomingsverplichtingen voortvloeien. Volgens Lennoc bestaat de Overeenkomst uit een geldleningsovereenkomst en een intentieovereenkomst (artikel 6). De intentie in artikel 6 ziet volgens Lennoc op een voorgenomen samenwerking, waarbij het duidelijk was dat Sevilla degene zou zijn die activiteiten zou opzetten in het Territorium en waarbij Lennoc haar handels- en domeinnaam en vluchtdata aan Sevilla ter beschikking zou stellen. Lennoc voert aan dat zij haar medewerking heeft verleend om de voorgenomen samenwerking op gang te brengen door onder meer contact te leggen met een Spaanse en een Amerikaanse advocaat, maar dat door (hierna nog nader te bespreken) ontwikkelingen in 2012, Lennoc geen respons meer kreeg op haar e-mail van 3 november 2012 (productie 49 Sevilla, eerste aanleg), waarin zij onder meer schrijft:

“Spanje staat als eigen operatie niet op ons lijstje. We hebben afgesproken dat wij Sevilla zullen ondersteunen om een eigen organisatie in Spanje op te zetten. Hoe daar inhoud aan gegeven wordt ligt voorlopig bij Sevilla. Ik hoor graag.”

Aangezien Sevilla vervolgens geen stappen meer heeft ondernomen heeft Sevilla volgens Lennoc de onderhandelingen over de totstandkoming van de samenwerking toen definitief afgebroken.

3.5

Het hof stelt voorop dat een overeenkomst moet worden uitgelegd met toepassing van de Haviltex-maatstaf, waarbij uitgangspunt is dat een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van een contract alleen niet bepalend is, maar dat het bij de uitleg van een contractsbepaling aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs daaraan mochten toekennen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij moet rekening worden gehouden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval.

3.6

Het hof volgt Lennoc niet in haar verweer dat artikel 6 van de Overeenkomst louter als een intentieovereenkomst kwalificeert en niet als een volkomen (exclusieve) samenwerkingsovereenkomst. Dit oordeel ontleent het hof met name aan de ontstaansgeschiedenis van de Overeenkomst. Niet in geschil is dat Lennoc eind 2010/begin 2011 kampte met ernstige liquiditeitsproblemen waardoor haar bestaan in gevaar dreigde te komen. Uit de e-mail van 27 oktober 2011 van [naam4] aan [naam1] met cc aan [naam2] (productie 13 Sevilla, eerste aanleg) volgt dat over alternatieven voor de bestaande bankfinanciering met Deutsche Bank is gesproken. Op 28 oktober 2011 (productie 15 Sevilla, eerste aanleg) geeft [naam1] een toelichting op de financieringsbehoefte en doet voorstellen aan [naam2] , waarop [naam2] reageert. In deze reactie van [naam2] is onder meer het volgende opgenomen:

“Diverse landen zijn rijp om te ontwikkelen maar door haar financiële positie kan Lennoc deze ontwikkeling niet zelf doen. Als er gewacht wordt zal de concurrentie zeker in dit gat in de markt springen en mogelijk op langere termijn een bedreiging gaan vormen voor Lennoc zelf. In je schrijven noem je Spanje en de USA (Trans-Atlantische routes).

Sevilla Beheer BV is van mening dat de toekomst van Lennoc niet goed gewaarborgd is onder de huidige omstandigheden en het is daarom dat ik het volgende voorstel met de directie wil bespreken. (…)

Overige markten

Zoals eerder aangegeven lukt het Lennoc niet om financiering te krijgen voor de bestaande activiteiten, laat staan voor nog op te starten activiteiten in andere markten. Sevilla spreekt de wens uit om Spanje en de US markt te ontwikkelen voor eigen kosten en zal Lennoc inschakelen om mogelijke werkzaamheden hiertoe verrichten. (…)

Exclusiviteit.

Sevilla steekt tijd en moeite in dit voorstel en neemt substantiële risico's. Daarom doet Sevilla dit voorstel op basis van exclusiviteit.(…)”

[naam1] schrijft in zijn reactie hierop op 29 oktober 2011 onder meer:

“De komende week zal ik met mijn team gaan werken aan de details. Wij gaan uit van exclusiviteit en vinden dat dit ook de beste manier is om door te gaan.”

Op 7 november 2011 stuurt Sevilla (in briefvorm) een eerste financieringsvoorstel aan Lennoc. [naam1] parafeert en ondertekent op 10 november 2011 het financieringsvoorstel van die datum (productie 22 Sevilla, eerste aanleg) en stuurt dat terug aan [naam2] . Op 16 november 2011 (productie 3 Sevilla, eerste aanleg) stuurt [naam1] een e-mail aan onder meer [naam3] , [naam2] en [naam4] . Hierin is onder meer opgenomen:

“1 Sevilla neemt de bestaande bankfinanciering over van DB tegen de geldende

voorwaarden. (…)

5 Sevilla is geïnteresseerd om de Spanje en US markten te ontwikkelen. Sevilla wil

hierbij van de backoffice en marketing tools van EUclaim gebruik maken tegen nader overeen te komen condities. De business modellen die wij hebben ontwikkeld voor verzekering maatschappijen zijn hierbij een goed uitgangspunt.”

Vervolgens is op 5 januari 2012 de Overeenkomst getekend, waarin de door Sevilla te verstrekken geldleningen zijn uitgewerkt alsook artikel 6 is opgenomen. In de considerans van de Overeenkomst is het onder meer het volgende opgenomen:

“(iii) Lennoc een aanvullende financiering nodig heeft voor het voortzetten en uitbreiden

van de Onderneming;

(iv) Sevilla bereid en in staat is deze aanvullende financiering te verschaffen;

(v) Sevilla vóór het verstrekken van de financiering de afspraken over een nadere

samenwerking in het buitenland wenst vast te leggen;

(…)

(viii) Sevilla en Lennoc in deze overeenkomst de nadere bepalingen en bedingen voor de

hiervoor bedoelde geldleningen en samenwerking wensen vast te leggen.”

Artikel 6 (Samenwerking Territorium) luidt:

“6.1 Lennoc en Sevilla zijn van mening dat diverse landen en/of routes rijp zijn om verder

ontwikkeld te worden. Lennoc is niet in staat deze ontwikkeling op eigen kracht te doen en zoekt daarom samenwerkingspartners om deze ontwikkeling op korte termijn vorm en inhoud te geven. Sevilla wenst hiervoor wat betreft Spanje, De Verenigde Staten van Amerika en Trans-Atlantische routes (hierna: "het Territorium") partner te zijn van Lennoc. Om dit te realiseren wenst Sevilla met Lennoc Groep voor het Territorium een exclusief contract aan te gaan, waarbij gebruik gemaakt kan worden van de naam EU Claim, de website www.euclaim.com en de data van Lennoc Groep en waarbij de claims voor wat betreft genoemde landen en routes het juridische eigendom worden van Sevilla. Uitgangspunt is dat de bestaande claims inzake de Trans-Atlantische routes binnen Lennoc Groep blijven en na het aangaan van de samenwerking de toekomstige claims inzake de Trans-Atlantische routes via www.euclaim.com behandeld zullen worden.

6.2

Lennoc en Sevilla komen hierbij overeen dat Sevilla, tegen een nader te bepalen set van

vergoedingen, het claimproces tot en met de rechtsgang mag uitvoeren in het Territorium. De door Sevilla te betalen vergoeding zal marktconform zijn. Marktconformiteit kan onder andere getoetst worden aan de hand van door de Lennoc Groep reeds met derden afgesloten

contracten. Deze vergoedingenstructuur per claim is als bijlage 3 toegevoegd.

6.3

Lennoc zal binnen drie maanden na ondertekening van deze overeenkomst concepten

opstellen van de overeenkomsten die noodzakelijk zijn om een dergelijke samenwerking te

effectueren. Sevilla zal in overleg met Lennoc een werkbare (financierings)structuur ontwikkelen voor deze Samenwerking.”

3.7

Het hof is van oordeel dat gelet op de ontstaansgeschiedenis en de inhoud van de Overeenkomst in voldoende mate is vast komen te staan dat de uitleg van Sevilla, dat sprake is van een Overeenkomst waaruit voor beide partijen verplichtingen zijn ontstaan, niet anders dan door Lennoc ook zo kan zijn begrepen. Van belang acht het hof hierbij dat het voor Lennoc volstrekt duidelijk was, hetgeen ook uit haar eigen e-mails volgt, dat de bereidheid van Sevilla om tot financiering over te gaan gekoppeld was aan een aantal voorwaarden over de rol van Sevilla in nog op te starten activiteiten/markten. Ook uit de considerans van de Overeenkomst, met name onder v) en viii), volgt dat het verstrekken van financiering in samenhang stond met de beoogde samenwerking tussen Sevilla en Lennoc. Voor het standpunt van Lennoc dat artikel 6 louter een intentieovereenkomst inhield die los stond van de financieringsafspraken en die, anders dan de overige bepalingen uit de Overeenkomst, niet verbintenis scheppend zou zijn, heeft het hof onvoldoende aanknopingspunten gevonden. Het hof zal thans onderzoeken welke verplichtingen artikel 6 voor partijen inhield.

Artikel 6 van de Overeenkomst nader bezien

3.8

In artikel 6 lid 1 is vastgelegd dat Lennoc niet in staat is om op eigen kracht nieuwe landen en/of routes tot ontwikkeling te brengen, dat Sevilla voor wat betreft het Territorium exclusieve partner zal zijn van Lennoc en om dat te bereiken dat Sevilla de aan Lennoc toebehorende handelsnaam EU Claim, de door Lennoc geregistreerde en beschikbare website www.euclaim.com en de bij Lennoc c.s. beschikbare data om tot claimafhandeling over te gaan, zal kunnen gebruiken. Partijen hebben in hun processtukken over hetgeen Lennoc ten behoeve van Sevilla ter beschikking zal stellen verschillende definities gebruikt, maar die zijn niet in lid 1 opgenomen en bovendien hebben partijen in onvoldoende mate onderbouwd waarom het hanteren van die definities voor de uitleg van lid 1 van belang zou kunnen zijn. Ook is niet in geschil dat de tekst “waarbij de claims voor wat betreft genoemde landen en routes het juridische eigendom van Sevilla (worden)” niet tot een verschillende betekenis bij partijen heeft geleid ondanks dat deze tekst nog juridische verduidelijking behoeft. Het hof begrijpt lid 1 van artikel 6 als een vastlegging van de voorgenomen wensen van partijen en de daarmee beoogde verplichtingen, zoals de exclusiviteitsverlening aan Sevilla ten aanzien van het Territorium.

3.9

Artikel 6.2 bevat de wederzijdse verplichtingen van beide partijen voor de samenwerking. Lennoc staat tegen een nader te bepalen set van vergoedingen toe dat Sevilla het claimproces tot en met de rechtsgang mag uitvoeren in het Territorium tegen een door Sevilla te betalen marktconforme vergoeding die vergelijkbaar is met eerder door Lennoc c.s. afgesloten contracten. Ook is opgenomen dat “(d)eze vergoedingenstructuur per claim (…) als bijlage 3 (is) toegevoegd.” Het hof stelt vast dat partijen in hun omvangrijke processtukken met geen woord hebben gerept over deze verwijzing en ook niet genoemde bijlage hebben overgelegd. Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van Lennoc verklaard dat zij zich recent heeft gerealiseerd dat a) abusievelijk naar bijlage 3 wordt verwezen omdat het om bijlage 2 gaat en dat b) de bedoelde bijlage niet in het geding is gebracht. Wat hier ook verder van zij, deze bijlage maakt geen onderdeel uit van de processtukken en evenmin hebben partijen in hun processtukken ter onderbouwing van hun standpunten naar deze bijlage verwezen.

Naar het oordeel van het hof laten de wederzijdse verplichtingen uit artikel 6.2 zich als volgt samenvatten, namelijk dat Lennoc tegen vergoeding de handelsnaam, website en data ter beschikking stelt aan Sevilla opdat Sevilla in het Territorium de claimafhandeling kan gaan uitvoeren.

3.10

Partijen hebben veel aandacht besteed aan de betekenis van artikel 6.3. Lennoc zal, in beginsel, binnen drie maanden concepten opstellen van de overeenkomsten die noodzakelijk zijn om de beoogde samenwerking te effectueren. Sevilla zal in overleg met Lennoc een werkbare financieringsstructuur ontwikkelen voor die samenwerking. Naar het oordeel van het hof volgt uit de tekst en de door partijen ingenomen stellingen (hierna zal het hof nog op een ander punt van het debat hierover ingaan) dat in lid 3 de hulpmiddelen zijn benoemd en de taakverdeling daarvan om tot de beoogde samenwerking zoals benoemd in lid 2 te kunnen komen.

Periode na ondertekening van de Overeenkomst op 5 januari 2012 tot en met 3 november 2012

3.11

Voordat het hof zal beoordelen of Lennoc is tekortgeschoten in de nakoming van artikel 6, zal het hof eerst de relevante feiten en omstandigheden schetsen die zich in de periode na het aangaan van de Overeenkomst hebben voorgedaan.

3.12

Uit de overgelegde stukken en de toelichting van partijen daarop volgt dat in de eerste helft van 2012 [naam4] en [naam1] (zie hierna nader over de rol van [naam4] ) op voortvarende wijze aan de slag gaan om de activiteiten van Lennoc c.s. uit te breiden. Op 1 mei 2012 (productie 35 Sevilla, eerste aanleg) stuurt [naam1] aan [naam2] gegevens over vluchtdata en enige kerngetallen over de Trans-Atlantische routes. Uit de overgelegde stukken blijkt dat [naam4] contacten heeft met Richard Wicke, een door Sevilla aan Lennoc geïntroduceerde Spaanse advocaat. Ook worden er gesprekken gevoerd met Hank Bates, een Amerikaanse advocaat waarmee Lennoc Sevilla in contact heeft gebracht. Op 6 juni 2012 is door Bates, [naam4] , [naam2] , [naam1] en Xanthopoulos (advocaat van Sevilla) een conceptvoorstel van Bates besproken over de Trans-Atlantische routes (zie onder meer ook productie 23 Lennoc, eerste aanleg). Niet in geschil is dat vanaf juli 2012 [naam4] en [naam1] de mogelijkheden zijn gaan verkennen voor een samenwerking met DAS op, onder meer, de Spaanse markt (dat [naam2] hiervan op de hoogte was staat vast door de niet weersproken e-mail van 5 juli 2012 van [naam1] aan [naam4] , productie 29 Lennoc, eerste aanleg). De samenwerking met DAS brengt niet wat partijen ervan verwachtten zodat [naam4] in een e-mail van 1 november 2012 aan [naam1] (productie 47 Sevilla, eerste aanleg) onder meer schrijft:

“8. We hebben het niet besproken maar het lijkt mij een goede zaak om Spanje weer op te starten met Richard omdat ik verwacht dat DAS in Spanje nog wel even op zich laat wachten en het wel tijd wordt om die markt te ontwikkelen. Graag je mening.”

Bij e-mail van 2 november 2012 (productie 48 Sevilla, eerste aanleg) van [naam4] aan [naam1] informeert [naam4] of er al een afspraak met DAS is gemaakt want anders moet er naar een alternatief worden gezocht. Ook informeert [naam4] naar de betaling van openstaande rekeningen van Z-Venture. Hierop reageert [naam1] op dezelfde dag met enkele regels waaronder “Hoe was het ook weer? Met raad en daad?” (zelfde productie). Vervolgens vindt op 3 november 2012 (productie 49 Sevilla, eerste aanleg) een mailwisseling plaats tussen [naam1] en [naam4] . De toon van de e-mails is over en weer omgeslagen. In de hiervoor genoemde e-mail van 1 november 2012 is commentaar van [naam1] opgenomen waarop [naam4] (“HP”) weer reageert. Aan het hiervoor geciteerde punt 8 is toegevoegd:

“Spanje staat als eigen operatie niet op ons lijstje. We hebben afgesproken dat wij Sevilla zullen ondersteunen om een eigen organisatie in Spanje op te zetten. Hoe daar inhoud aan gegeven wordt ligt voorlopig bij Sevilla. Ik hoor graag.

HP: Ok je hoort het! Ik begrijp dat het niet op het lijstje staat maar we hebben het op hold gezet vanwege DAS wat wel op je lijstje stond”

Een reactie van Sevilla in vervolg op het laatst geciteerde is niet in het dossier aangetroffen.

Fatale termijn?

3.13

Sevilla heeft niet voldoende betwist dat na de e-mails van 3 november 2012 geen reactie van Sevilla door Lennoc is ontvangen en Sevilla ook niet kenbaar voor Lennoc enige activiteit heeft ontplooid om het claimproces in het Territorium op te zetten. De duiding die partijen hieraan geven loopt echter uiteen. Het hof zal eerst het standpunt van Sevilla beoordelen dat artikel 6.3 een fatale termijn bevat en dat Lennoc in verzuim is komen te verkeren door niet binnen drie maanden de in dat lid genoemde concepten aan te leveren. Het hof is van oordeel dat uit de feiten en omstandigheden zoals die zich hebben voorgedaan en zoals die hiervoor beknopt zijn weergegeven Sevilla in 2012 op geen enkele wijze kenbaar heeft gemaakt dat zij de termijn genoemd in het derde lid opvat als een fatale termijn. De stellingen van Sevilla en de overgelegde stukken bieden geen aanknopingspunt dat Sevilla op 5 april 2012 (drie maanden na ondertekening op 5 januari 2012) het standpunt heeft ingenomen dat zij de termijn als fataal beschouwde dan wel dat zij dit zo had begrepen. Integendeel, in gezamenlijk overleg, hetgeen ook door Sevilla is erkend, is gekozen om de beoogde samenwerking voor in ieder geval Spanje on hold te zetten en te beproeven of met DAS een samenwerking voor Spanje van de grond kon komen. Ook toen Sevilla op 1 november 2012 te kennen gaf om “Spanje weer te starten”, en uit de daaropvolgende e-mails van 2 en 3 november 2012, kan niet worden afgeleid dat Sevilla de termijn van artikel 6.3 als fatale termijn heeft beschouwd of dat zij, bijvoorbeeld nadat duidelijk was dat de samenwerking met DAS tot niets had geleid, Lennoc alsnog aan die termijn wilde houden. Ten aanzien van de beoogde samenwerking inzake Trans-Atlantische routes heeft Sevilla, nadat de gesprekken met Bates niet tot concrete resultaten hadden geleid, ook geen kenbare actie meer ondernomen, laat staan dat zij Lennoc kenbaar heeft gemaakt dat zij artikel 6.3 als fatale termijn beschouwde. Het hof is dan ook van oordeel dat, met name door hetgeen zich na ondertekening van de Overeenkomst heeft voorgedaan, partijen aan de termijn genoemd in artikel 6.3, voor zover die aanvankelijk al als fataal zou zijn bedoeld, waarvoor onvoldoende is gesteld, nadien het fatale karakter hebben ontnomen. Lennoc is door het verstrijken van de termijn genoemd in artikel 6.3 dus niet tekortgeschoten of in verzuim geraakt.

Rol [naam4]

3.14

Om te beoordelen of Lennoc is tekortgeschoten in het tot stand brengen van de in artikel 6.1 en 6.2 neergelegde samenwerking, zal het hof eerst stilstaan bij de rol die [naam4] heeft gespeeld. Sevilla stelt in dit verband dat zij als certificaathouder niet over alle documenten de beschikking had waarover [naam4] de beschikking had en dat kennis van [naam4] niet aan haar kan worden toegerekend. Lennoc heeft aangevoerd dat Sevilla (in de persoon van [naam2] ) geheel op de hoogte was van wat er speelde en, al dan niet via [naam4] , de beschikking had over de noodzakelijke documenten. Lennoc wijst er ook op dat [naam4] op verzoek van Sevilla als commissaris was benoemd en zij [naam4] ook als investeringsmanager van Sevilla heeft mogen beschouwen, gelet ook op de aandelenverhouding in Z-Venture.

3.15

Het hof oordeelt als volgt. Tot 1 januari 2014 was [naam4] enig commissaris bij Lennoc. Uit de overgelegde e-mails en notulen van RvC-vergaderingen kan worden afgeleid dat na zijn aantreden als commissaris, [naam4] en [naam1] intensief met elkaar samenwerkten om de activiteiten van Lennoc c.s. verder uit te breiden en dat in de RvC-vergaderingen, [naam4] en [naam1] tot in groot detail de ontwikkelingen bespraken en lieten notuleren. Van een meer toezichthoudende rol, in de zin van artikel 2:250 BW, was geen sprake. Desgevraagd is namens Sevilla ter zitting bij het hof verklaard dat nadat Sevilla besloten had om de financiering van Deutsche Bank over te nemen zij als investeringsmaatschappij “vinger aan de pols” wilde houden en daarom [naam4] had voorgedragen. Dit komt ook overeen met hetgeen uit de overgelegde producties volgt: [naam4] was intensief betrokken bij de uitbreidingsplannen van Lennoc, [naam4] houdt [naam2] frequent op de hoogte van de ontwikkelingen en [naam2] is ook regelmatig in cc opgenomen bij mailwisselingen. Sevilla heeft ter onderbouwing van haar standpunten (bijvoorbeeld ten aanzien van de verzoeken om de in artikel 6.3 genoemde informatie aan te leveren) veelvuldig verwezen naar e-mails van [naam4] .

Daarentegen stelt Sevilla ook dat niet zij maar alleen [naam4] van bepaalde stukken had kennisgenomen. Het hof is van oordeel dat Sevilla in onvoldoende mate heeft toegelicht waarom sommige documenten van [naam4] wel beschouwd moeten worden als namens haar gedaan maar andere documenten niet. Dit komt erop neer dat Sevilla stelt dat de rol van [naam4] per document en dus kennelijk selectief beschouwd moet worden. Voor zover Sevilla wil stellen dat [naam4] uitsluitend namens Z-Venture heeft gehandeld dan zijn ook daarvoor onvoldoende aanknopingspunten te vinden gelet ook op de reden waarom Sevilla [naam4] bij Lennoc heeft geïntroduceerd. Dit betekent dat de rol van [naam4] twee kanten op werkt, waarbij hij namens Sevilla inbreng in Lennoc heeft maar ook dat hij ten behoeve van Sevilla kennis heeft van wat Lennoc aan hem bericht of bespreekt. Het enkele feit, dat zoals Sevilla stelt, niet alle e-mails aan [naam2] waren gericht, is daarvoor, zonder nadere toelichting die Sevilla niet heeft gegeven, onvoldoende.

Tekortkoming Lennoc?

3.16

Sevilla stelt dat zij door toedoen van Lennoc niet in staat was om het claimproces uit te voeren in het Territorium. Sevilla voert daartoe aan dat Lennoc heeft nagelaten om, ondanks herhaalde verzoeken, markt- en vluchtdata te verstrekken, de website en backoffice ter beschikking te stellen en haar marktconforme vergoeding door te geven aan Sevilla. Daarbij wijst Sevilla meermaals naar de notulen van de RvC van 28 juni 2012 (productie 44, Sevilla eerste aanleg) waar volgens haar uit volgt dat zij klaar was om te starten met Spanje, maar zij daarvoor alleen nog input van Lennoc nodig had. Naar het oordeel van het hof volgt uit de overgelegde stukken dat Lennoc regelmatig stukken en informatie aan Sevilla verstrekte. Zo was Sevilla op de hoogte van de ‘5-year outlook’ van Lennoc (productie 4 en 5, Lennoc hoger beroep) en was [naam4] nauw betrokken bij de samenwerking tussen Lennoc en JBB in Duitsland (productie 6, Lennoc hoger beroep). Deze informatie kon Sevilla, volgens Lennoc, gebruiken als kapstok voor het opstellen van een businessplan voor het Territorium, dan wel voor Spanje. Ook stuurt Lennoc diverse malen in reactie op vragen van [naam4] informatie toe. Zo stuurt [naam1] bijvoorbeeld op verzoek van [naam4] op 27 juni 2012 (productie 14, Lennoc eerste aanleg) een lijst toe met de gegevens over de geannuleerde en vertraagde vluchten op de luchthaven van Madrid en schrijft daarbij: “Ik kijk er naar uit dit BP morgen met je te bepreken. Ik heb nog wel enkele vragen. Ik sluit de incident lijst MAD van dit jaar YTD bij. Dan krijg je een goed gevoel bij de aantallen. Net als in Nederland licht het aantal vertragingen rond de .30% en het aantal annuleringen is hoger. Zodra we weten wat er nodig is zullen we beter inzicht kunnen geven.” [naam1] stuurt later die dag op een aanvullend verzoek van [naam4] aanvullende gegevens toe. [naam4] en [naam1] hebben op 28 juni 2012 de hiervoor genoemde RvC vergadering gehad en hebben daar samen een actielijst opgesteld. Deze luidt:

6. Ontwikkeling Spanje

• [naam1] neemt deel aan de vergadering.

• In Spanje staat er een advocaat, administratieve medewerker en marketing man

klaar om te starten. Zij willen hetzelfde als Duitsland. Nu moeten de kosten worden

berekend.

i. Er moet een FTE bij voor onderhoud van Spanje en de Spaanse site

ii. De inhoud van de brieven moeten worden vertaald. De inhoud en de eisen

van Spaanse recht moeten worden ingevuld

iii. Er moeten mensen bij voor de claimdesk die Spaans kunnen spreken

iv. Er moet informatie komen over de mogelijkheden tot het indienen van een

claim in Spanje. Wat is de wetgeving en mogelijkheden tot het starten van

een rechtszaak? Moeten volmachten worden beëdigd door een notaris?

• Initiële kosten zijn per land afhankelijk

• Zodra duidelijk is wat Spanje precies wil, kan een prijskaartje worden gemaakt.

• [naam4] gaat zijn contact in Spanje, R. Wicke uitnodigen naar Brummen.

• EUclaim moet een lijst maken met incidents per airport, per maand van alle airports in

Spanje.

Zoals Lennoc heeft aangevoerd en Sevilla ook tijdens de zitting heeft erkend bestond deze lijst voor het merendeel uit acties die door Sevilla verricht moesten worden, waaronder de vier punten onder de tweede bullet. Sevilla heeft deze acties niet uitgevoerd, omdat partijen in gezamenlijk overleg de uitvoering on hold hadden gezet vanwege de mogelijke samenwerking met DAS. Sevilla wilde dat begin november 2012 weer oppakken, maar zoals hiervoor al is vastgesteld, heeft Sevilla na de e-mail van 3 november 2012 van [naam1] niets meer van zich laten horen over het opzetten van een eigen organisatie in Spanje en welke ondersteuning zij daarbij wenste van Lennoc.

3.17

Uit de stellingen van partijen en de overgelegde producties komt verder het volgende beeld naar voren over de periode na de mailwisseling van november 2012. In nauw overleg met de RvC en met wetenschap van de certificaathouders (zo volgt uit de overgelegde notulen van de Stak) werkt Lennoc verder aan het ontwikkelen van haar onderneming. Min of meer tegelijkertijd ontwikkelt zich een diepgaand conflict - gesproken wordt over een vertrouwensbreuk - over de governance tussen Sevilla en Lennoc, waarmee vooral de onderlinge verhoudingen tussen de diverse organen en het functioneren (waaronder de besluitvorming) daarvan binnen Lennoc wordt bedoeld. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de e-mail van 23 april 2013 waarin [naam1] schrijft over een vertrouwensbreuk tussen de RvC en de directie (productie 51, Sevilla eerste aanleg). Ook is er een dispuut over lening D zoals genoemd in de Overeenkomst, zoals onder meer volgt uit de mail van 17 augustus 2015 waarin [naam2] aangeeft verbaasd te zijn dat er nog geen overeenstemming bestaat over de tekst van de vaststellingsovereenkomst (productie 56, Sevilla eerste aanleg). Uit de verdere correspondentie valt af te leiden dat de pogingen van partijen om de tussen hen levende conflicten over tal van onderwerpen buitengerechtelijk op te lossen, niet tot enige resultaat hebben geleid (zie onder meer de brieven van 2 november 2016 en 19 mei 2017 van Sevilla, productie 66 en 69, Sevilla eerste aanleg). De stelling van Sevilla dat het geschil over de governance van belang is voor de verweten tekortkoming in artikel 6 van Lennoc heeft zij in onvoldoende mate toegelicht.

3.18

Het hof is van oordeel dat, anders dan Sevilla heeft gesteld, niet geconcludeerd kan worden dat Lennoc toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de Overeenkomst. Zoals hiervoor reeds toegelicht komt artikel 6 van het Overeenkomst erop neer dat partijen voor het Territorium een exclusieve samenwerking beogen waarbij Sevilla tegen vergoeding gebruik mag maken van de naam EU claim, de website en de data van Lennoc. Weliswaar gold voor het totstand komen van die samenwerking dat geen sprake was van een vrijblijvende intentie (zie r.o. 3.6) maar in artikel 6 valt ook niet te lezen dat op Lennoc een resultaatsverbintenis rustte om de samenwerking tot stand te brengen. Dat kan ook niet omdat voor het bereiken van samenwerking nodig is dat beide partijen zich daarvoor inspannen. Artikel 6.3 bevat weliswaar een concrete verplichting van Lennoc om gegevens aan Sevilla te verschaffen maar die verplichting kan niet los worden gezien van het grotere geheel waarbij van partijen over en weer inspanningen mochten worden verwacht om tot de beoogde samenwerking te komen. Naar het oordeel van het hof heeft Lennoc zich voldoende ingespannen om tot de beoogde samenwerking te komen en is het Sevilla geweest die het op enig moment heeft laten afweten. Hiervoor is het volgende, in onderlinge samenhang gezien, redengevend:

- Sevilla en Lennoc zijn na het aangaan van de Overeenkomst in 2012 aanvankelijk gezamenlijk actief aan de slag zijn gegaan om invulling te geven aan de samenwerking zoals beschreven in artikel 6.2;

- Lennoc heeft regelmatig stukken en informatie aan Sevilla verstrekt; voor zover die niet helemaal compleet geweest mocht zijn valt dat in het niet bij de passiviteit die Sevilla aan de dag heeft gelegd;

- vervolgens hebben partijen gezamenlijk besloten om hun activiteiten on hold te zetten om eerst de mogelijkheden met DAS te onderzoeken;

- uit de e-mail wisseling van 1 tot en met 3 november 2012 is het voor Sevilla duidelijk dat Lennoc geen eigen operatie in Spanje gaat opzetten maar dat Lennoc Sevilla wel zal ondersteunen in het opzetten van een eigen organisatie in Spanje en daarover graag van Sevilla hoort;

- [naam4] bericht in reactie hierop dat Lennoc daarover zal horen (Ok je hoort het!);

- Lennoc heeft hierover niets meer van Sevilla vernomen;

- uit gedragingen van Sevilla na november 2012 kan niet worden afgeleid dat zij nog steeds serieus bereid en in staat was de beoogde samenwerking (alsnog) door te zetten;

Sevilla heeft, nadat het met DAS op niets was uitgelopen, geen kenbare acties ondernomen om de eigen organisatie in Spanje op te zetten en ook niet duidelijk gemaakt wat precies de status was van de - vóór het on hold zetten vanwege DAS - gedane mededeling dat in Spanje een advocaat, administratieve man en marketing man klaar stonden om te starten (verslag van de RvC van 28 juni 2012 onder punt 6, productie 44 Sevilla, eerste aanleg) en zo aan Lennoc duidelijk gemaakt wat haar verwachtingen hieromtrent waren. Evenmin heeft Sevilla enige kenbare actie ondernomen in relatie tot de VS en de Trans-Atlantische routes.

Exclusief recht

3.19

In de loop van 2014 treedt Lennoc in contact met Van Ameyde, een internationaal opererend bedrijf dat interesse had in de uitvoering van het claimmanagement van de door Lennoc ontvangen claims. In het document “Stand van zaken 12 februari 2014” (productie 34, Lennoc, eerste aanleg) is onder het kopje “Europees Netwerk” het volgende opgenomen:

“Er is eind januari een (tegen) bezoek afgelegd aan onze Spaanse concullega's Reclamador.es. Zowel Lennoc als Reclamador zien aanleiding deze gesprekken voort te zetten. Lennoc heeft inmiddels een LOI getekend met een van de meest toonaangevende claim handling bedrijven van Europa. De beoogde samenwerking geeft mogelijkheden om ons werkgebied uit te breiden.”

Uit de notulen van 12 februari 2014 van de RvC (productie 33 Lennoc, eerste aanleg) volgt dat dit stuk kennelijk in die RvC vergadering door [naam1] is toegelicht en daarover is het volgende in de notulen opgenomen:

“ [naam1] geeft toelichting over zijn recente bezoek aan de Spaanse concullega. Inzet van het bezoek was het bespreken van de creatie van een Europees netwerk van claimbureaus die indien mogelijk claims uit kunnen wisselen en gebruik gaan maken van dezelfde gegevensbank.” Deze notulen zijn op 14 februari 2014 ook toegezonden aan [naam2] (productie 35, Lennoc eerste aanleg).

Uit de Toelichting Directie aan de RvC 11 september 2014 (productie 60 Sevilla, eerste aanleg) is onder het kopje “Van Ameyde” het volgende opgenomen:

“EUclaim is in overleg om de claim activiteiten in Engeland af te laten handelen door Van Ameyde. Van Ameyde is een claimmanagementbedrijf welke actief is in vijftien landen. EUclaim is in onderhandeling om het verwerkingsproces uit te besteden aan Van Ameyde. Alle marketing activiteiten zullen in eigen beheer blijven.”

Uit de overgelegde stukken volgt niet dat Lennoc met Van Ameyde reeds in 2014 een overeenkomst was aangegaan waarbij zij de door Sevilla geclaimde rechten uit de Overeenkomst had vergeven, zoals door Sevilla is gesteld. Wel is juist dat Lennoc c.s., zoals uit de hiervoor geciteerde documenten volgt, met Van Ameyde als claimmanagementbedrijf in gesprek was om een samenwerking aan te gaan voor het creëren van een Europees netwerk. Ook is sinds 2014 bekend dat Lennoc gesprekken voert met Spaanse “concullega’s” en die gesprekken zal voort zetten. In de e-mail van 7 november 2014 aan de RvC met de agenda voor de RvC vergadering van 12 november 2014 wordt namens Lennoc antwoord gegeven op een aantal vragen (productie 38, Lennoc eerste aanleg). Daarbij is tevens een tabel gevoegd met de verdeling van de opbrengst voor Spanje, Portugal en Noorwegen. In die tabel staat een verdeling van 7,5% voor Lennoc en 22,5% voor Van Ameyde genoemd. Ook voor Spanje. Deze percentages zijn kennelijk ook onderwerp van gesprek geweest tijdens de RvC, zoals volgt uit de e-mail van 23 februari 2015 (productie 39, Lennoc eerste aanleg). Dit betekent dat Sevilla bekend was of kon zijn met de ontwikkelingen van een Europees netwerk waarbij Van Ameyde een claimmanagement rol zou gaan spelen en waartoe Lennoc met Van Ameyde een LoI had getekend.

3.20

Ondanks dat Sevilla in 2011 aangeeft met voortvarendheid in het “gat” van onder meer de Spaanse markt te willen springen en mede om die reden is overgegaan tot financiering van Lennoc en [naam4] op 1 november 2012 nog schrijft dat het een goed idee is om Spanje weer op te starten, protesteert Sevilla in 2014 niet tegen deze activiteiten van Lennoc ten aanzien van onder meer deze Spaanse markt. Ook is het hof niet gebleken dat Sevilla bezwaar heeft gemaakt tegen de samenwerking met Van Ameyde naar aanleiding van genoemde percentages, die ook betrekking hadden op Spanje. Pas op 25 augustus 2015 geeft [naam2] aan dat het partnerschap tussen Lennoc en Van Ameyde ‘op gespannen voet’ staat met de Overeenkomst (productie 58, Sevilla eerste aanleg). Deze opmerking maakt hij in het kader van de pogingen van partijen om hun diverse conflicten op te lossen.

3.21

In de toelichting op grief 6 stelt Sevilla dat de tekortkoming in de nakoming van de Overeenkomst onderscheiden moet worden van de toerekenbare tekortkoming die eruit bestaat dat Lennoc inbreuk heeft gemaakt op het (alleen) recht van Sevilla om het claimproces in het Territorium uit te mogen voeren, door een samenwerkingsovereenkomst met Van Ameyde aan te gaan.

3.22

Naar het oordeel van het hof kan het een niet los van het ander worden gezien. Niet in geschil is dat uit de Overeenkomst, inclusief de ontstaansgeschiedenis ervan, volgt dat partijen de bedoeling hadden dat Sevilla de exclusieve partner van Lennoc c.s. zou worden voor het Territorium. Artikel 6.1 benoemt wat nodig is om dit beoogde partnerschap te realiseren, namelijk het aangaan van een exclusief contract. Het is echter nooit gekomen tot een wederzijdse samenwerking, waardoor ook geen exclusief contract tot stand is gekomen. Uit het voorgaande volgt ook dat Lennoc niet is tekortgeschoten in het tot stand brengen van deze voorgenomen wederzijdse samenwerking, zodat van een inbreuk op het beoogde, maar niet tot realisatie gekomen, exclusieve recht ook geen sprake is.

3.23

Hieraan doet niet af dat in de notulen van de Stak-vergadering van 8 oktober 2013, waarbij [naam2] aanwezig was, (productie 53, Sevilla eerste aanleg) is opgenomen dat rechten van Sevilla op Spanje en de Trans-Atlantische routes niet worden ontkend. Ook de sommatie van 2 november 2016 (productie 66 onder punt 8, Sevilla eerste aanleg) waarin Sevilla Lennoc sommeert om zich aan de Overeenkomst “te houden” en deze na te komen, brengt hierin geen verandering. Dit verandert namelijk niets aan al wat hiervoor is overwogen en op basis waarvan het hof tot de conclusie is gekomen dat het juist in overwegende mate aan Sevilla zelf is te wijten dat de beoogde samenwerking niet van de grond is gekomen.

3.24

De conclusie van al het voorgaande is dat geen sprake is van een tekortkoming van Lennoc in de nakoming van de Overeenkomst en dat Sevilla hierdoor dus ook geen schade heeft geleden. Aan het antwoord op de vraag of Lennoc in verzuim is komen te verkeren, komt het hof dan ook niet toe. De grieven 1 tot en met 4 en 6 falen.

Onrechtmatig handelen Lennoc en haar dochtervennootschappen

3.25

Met grief 5 komt Sevilla op tegen het oordeel van de rechtbank dat de dochtervennootschappen niet onrechtmatig jegens Sevilla hebben gehandeld. Dat onrechtmatig handelen heeft er volgens Sevilla uit bestaan dat de dochtervennootschappen niet de vluchtdata, de websites (www.euclaim.nl en www.euclaim.com) en backoffice aan Sevilla ter beschikking hebben gesteld om haar het claimproces in het Territorium uit te kunnen laten voeren. Lennoc c.s. heeft aangevoerd dat Sevilla niet aan haar stelplicht heeft voldaan om onrechtmatig handelen van haar dochtervennootschappen te kunnen aannemen, waarvan volgens haar ook geen sprake van is.

3.26

Het hof is van oordeel dat Sevilla onvoldoende heeft gesteld om enig onrechtmatig handelen van Lennoc en/of haar dochtervennootschappen jegens haar te kunnen aannemen. Het zonder nadere toelichting opsommen van hetgeen volgens Sevilla door de dochtervennootschappen aan haar ter beschikking zou moeten worden gesteld is daartoe onvoldoende. Dit klemt temeer nu uit de standpunten en onderbouwing van de andere grieven ook niet voldoende volgt wat de rol en de gedragingen van de dochtervennootschappen is geweest op grond waarvan een mogelijk onrechtmatig handelen jegens Sevilla zou kunnen worden gebaseerd. Grief 5 faalt.

Overig

3.27

Sevilla heeft geen (voldoende concrete) feiten gesteld die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. Aan bewijslevering komt het hof daarom niet toe. Het verzoek van Sevilla om getuigen te horen wordt dan ook afgewezen. Sevilla heeft bovendien ook onvoldoende concreet aangegeven op welke van haar stellingen het bewijsaanbod betrekking heeft en wie daarover een verklaring zouden kunnen afleggen. Ook daarom gaat het hof aan haar bewijsaanbod voorbij.

4 De slotsom

4.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

4.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof Sevilla in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Lennoc c.s. heeft - onder verwijzing naar artikel 21 Rv - het hof verzocht om Sevilla in de volledige proceskosten te veroordelen. Het hof ziet hiertoe geen aanleiding.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Lennoc c.s. zullen worden vastgesteld op € 5.382 aan verschotten (griffierecht) en € 2.228 (2 punten x tarief II) aan salaris advocaat.

4.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van 8 juli 2019 van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem;

veroordeelt Sevilla in de kosten van de procedure van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Lennoc c.s. vastgesteld op € 5.382 voor verschotten en op € 2.228 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot aan de dag van betaling;

veroordeelt Sevilla in de nakosten, begroot op € 163, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 85 in geval Sevilla niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Ch.E. Bethlem, L. Janse en M.P.M. Hennekens en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2021.