Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:7390

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-08-2021
Datum publicatie
05-08-2021
Zaaknummer
200.262.190
Formele relaties
Na terugverwijzing door: ECLI:NL:HR:2019:418
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Verwijzing na Hoge Raad
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Advies door accountant/belastingadviseur aankoop bedrijfspand in box 1 of 3; bewijsopdracht; als bewijs wordt geleverd, is er een tekortkoming in spontane waarschuwingsplicht in verband met aanmerkelijk belang; voorlopige overwegingen over causaal verband en schade.

Artikel 7:401 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2021/1929
Viditax (FutD), 13-8-2021
FutD 2021-2596
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.262.190

(zaaknummers Hoge Raad 18/00461, gerechtshof ’s-Hertogenbosch 200.184.765 en rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, 288452)

arrest na verwijzing van 3 augustus 2021

in de zaak van

1 [appellant]

2. [appellante],

beiden wonenden te [woonplaats1] ,

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna: [appellanten] c.s.,

advocaat: mr. J. van Bekkum,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Joanknecht & Van Zelst B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Joanknecht,

advocaat: mr. J.F. Garvelink.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep na verwijzing

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 17 november 2020 hier over. Daarbij is een comparitie van partijen gelast via Skype for Business.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- een bij rolbericht van 31 maart 2021 ingezonden akte overlegging producties 47 - 51 namens [appellanten] c.s. (waartegen Joanknecht bezwaar heeft gemaakt; zie hierna onder 1.4);

- de voor de comparitie ingezonden spreekaantekeningen van mr. van Bekkum namens [appellanten] c.s.;

- de voor de comparitie ingezonden spreekaantekeningen van mr. W.K. van den Berg, tevens advocaat van Joanknecht;

- het (aan partijen afgegeven) proces-verbaal van de comparitie van partijen van 12 april 2021.

1.3

Vervolgens hebben partijen nog een termijn afgesproken voor schikkingsonderhandelingen tot en met 26 april 2021 en voor het geval die niet zouden slagen op de eerder door [appellanten] c.s. voor de comparitie aan het hof overgelegde stukken arrest gevraagd en heeft het hof arrest bepaald. Bij bericht van 23 april 2021 hebben partijen arrest gevraagd.

1.4

Het hof heeft op de comparitie het bezwaar van Joanknecht tegen de door [appellanten] c.s. bij akte voor de comparitie toegezonden producties verworpen op de navolgende gronden.

Het gaat hier om de voortzetting van de onvoltooide appelinstantie die voorafging aan het cassatiegeding. Daarin is het niet ongeoorloofd om bij de verwijzingsrechter voor de comparitie alsnog, al betreft het oude, producties (hier over de omvang van de schade) in het geding te brengen waar deze in het verlengde liggen van standpunten van partijen in het (schade-)debat zoals zich dit had ontwikkeld bij de eerste appelrechter. Zij strekken tot verdere onderbouwing van stellingen die partijen reeds hadden ingenomen vóór cassatie, welke stellingen relevant zijn voor de beslissing van de geschilpunten die in de verwijzingsprocedure opnieuw of alsnog moeten worden beoordeeld. Als bewijsstukken kunnen zij van belang zijn voor de waarheidsvinding, die ook de verwijzingsrechter zoveel mogelijk moet nastreven. Anders dan Joanknecht aanvoert, is deze gang van zaken ook niet in strijd met de goede procesorde. Blijkens haar spreekaantekeningen (sub 3 en 4) en op de comparitie heeft Joanknecht alle gelegenheid gehad en te baat genomen om daartegen inhoudelijk verweer te voeren. De overlegging van deze producties komt dus niet in strijd met de goede procesorde.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in rov. 3.1 (i) tot en met (xiii) van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 20191 (verder: het verwijzingsarrest).

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep na verwijzing

na het arrest van de Hoge Raad; bewijslevering

3.1

In het verwijzingsarrest heeft de Hoge Raad wat betreft de aansprakelijkheidsvraag alle klachten verworpen behalve die over het voorbijgaan aan het bewijsaanbod van [appellanten] c.s. Daarover heeft de Hoge Raad overwogen:

“3.3.2 [appellanten] c.s. hebben in feitelijke instanties onder meer aangevoerd dat zij bij de aankoop van het bedrijfspand ervan uitgingen dat de resultaten daarvan na de beoogde

herstructurering van het vermogen in box 3 zouden worden belast, en dat zij op advies van Joanknecht, vooruitlopend op die herstructurering, dit pand in privé hebben aangekocht. Volgens [appellanten] c.s. heeft hun adviseur bij Joanknecht tegen hen gezegd dat het bedrijfspand na de schenking in box 3 zou worden belast. Zij hebben aangeboden onder anderen hun adviseur bij Joanknecht daarover als getuige te laten horen.

3.3.3

Het hof heeft de stelling van [appellanten] c.s. dat het bij de aankoop van het bedrijfspand al de bedoeling was om het als beleggingspand in box 3 onder te brengen, als niet dan wel onvoldoende onderbouwd verworpen. Onderdeel 1.1 klaagt terecht dat dit oordeel onbegrijpelijk is in het licht van de gedingstukken en het daarin vervatte betoog

dat hiervoor in 3.3.2 is samengevat. Indien de juistheid van de bewuste stellingen van [appellanten] c.s. komt vast te staan, kan dat een ander licht werpen op de verplichting

van Joanknecht tot advisering in verband met de schenking. Of Joanknecht in die advisering mede de gevolgen van de schenking voor de fiscale positie van het bedrijfspand had

moeten betrekken, wordt immers mede bepaald door de voor Joanknecht kenbare verwachtingen die [appellanten] c.s. over die fiscale positie hadden. In verband met het voorgaande klaagt onderdeel 3, onder i-iii, terecht dat het hof niet had mogen voorbijgaan aan het bewijsaanbod van [appellanten] c.s. met betrekking tot hun stellingen dat hun adviseur bij

Joanknecht had geadviseerd om het bedrijfspand te kopen als belegging in box 3 en dat hij had medegedeeld dat het bedrijfspand na de schenking in box 3 zou vallen. Voor zover

onderdeel 3 hierover klaagt, slaagt het derhalve.

3.3.4

Na verwijzing zullen de hiervoor in 3.3.2 weergegeven stellingen van [appellanten] c.s. moeten worden onderzocht in verband met de vraag of Joanknecht in haar adviesplicht jegens [appellanten] c.s. is tekortgeschoten.

(…)

3.4.3 (…)

Ervan uitgaande dat het bedrijfspand niet was aangekocht met de voor Joanknecht kenbare bedoeling van [appellanten] c.s. dat het als gevolg van herstructurering van het vermogen uiteindelijk in box 3 terecht zou komen (of dit uitgangspunt juist is, zal na verwijzing alsnog moeten worden onderzocht, zie hiervoor in 3.3.1-3.3.4)”

3.2

Tot bewijs hebben [appellanten] c.s. een notitie van ( [naam1] van) Joanknecht uit 2005 overgelegd2 naar aanleiding van een voorstel van “ [naam2] ”, de adviseur (accountant) van de verkoper van het eerste bedrijfspand dat [appellanten] heeft gekocht ( [adres] te [plaats1] ). Daarin heeft [naam1] onder meer geschreven:

“Te bespreken met [appellant] ( [appellant] , hof) naar aanleiding voorstel [naam2]

(…)

2. Besparing overdrachtsbelasting:

- (…)

- ORG Onroerend Goed, hof) in een vennootschap is fiscaal minder gewenst, beter is in privé

- Privé kan alleen fiscaal interessant na overdracht aandelen.”

Dit lijkt erop te wijzen dat [appellanten] c.s. het bedrijfspand in privé zouden aankopen en daarbij al dachten aan de voorgenomen overdracht van de aandelen binnen familieverband waarna het bedrijfspand fiscaal interessant in box 3 zou zijn ondergebracht bij [appellanten] c.s. in privé. Maar het bewijs is daarmee nog niet (compleet) geleverd.

3.3

Het hof zal [appellanten] c.s., overeenkomstig hun bewijsaanbod, dan ook toelaten tot het bewijs van hun stellingen. Of dat na zoveel jaren bruikbaar bewijs zal opleveren, wat Joanknecht betwijfelt, zal pas na afloop van de getuigenverhoren kunnen worden beoordeeld.

3.4

Het spreekt vanzelf dat daarbij ook het volgende verweer van Joanknecht aan de orde zal komen:
Huurder DAG heeft bij de aankoop de huur tot en met 31 december 2008 afgekocht door betaling van (circa) € 510.000 aan de verkoper/verhuurder. Dit had tot gevolg dat [appellanten] c.s. minder behoefden te lenen voor de aankoop waar zij de facto drie jaar huur vooruitbetaald hebben gekregen waarover zij geen box 1 heffing hoefden te betalen, maar waarmee zij wel een hoge aftrekpost opbouwden die zij nog jaren in box 1 konden verrekenen met eventuele opbrengsten. Deze gekozen structurering sloot precies aan bij de mogelijkheid om nog lange tijd belasting in box 1 te besparen, aldus Joanknecht.

3.5

Als [appellanten] c.s. niet in hun bewijs slagen, kan geen aansprakelijkheid van Joanknecht worden aangenomen omdat de Hoge Raad de andere tot aansprakelijkheid strekkende middelen heeft verworpen en er geen aansprakelijkheidsgronden meer openliggen.

Voor het geval [appellanten] c.s. wel in het bewijs van hun stellingen slagen, overweegt het hof als volgt.

wat nu (verder) aan het verwijzingshof voorligt

3.6

Anders dan [appellanten] c.s. aanvoeren, is het debat over schade en causaal verband nog niet met het verwijzingsarrest beslecht. Zoals Joanknecht ook onderkent, heeft het hof

’s-Hertogenbosch in het arrest van 31 oktober 20173 zijn oordelen in rov. 3.13 dat de belastbaarheid van de resultaten uit het bedrijfspand in box 1 op voorhand niet ongunstiger was dan die van de waarde van het bedrijfspand in box 3 en dat niet dan wel onvoldoende is onderbouwd dat [appellant] belastingschade heeft geleden, alleen gegeven in het kader van de aansprakelijkheidsvraag. Wanneer die vraag nu alsnog bevestigend zou worden beantwoord, kunnen die oordelen van het Bossche hof niet, zoals Joanknecht verdedigt, als in cassatie niet of tevergeefs bestreden aan [appellanten] c.s. worden tegengeworpen. Het gaat daarbij immers niet om eindbeslissingen. In rov. 3.3.5 van het verwijzingsarrest heeft de Hoge Raad trouwens duidelijk gemaakt dat de onderdelen 2.4 en 3 met betrekking tot schade en causaal verband geen behandeling behoeven omdat zij alleen relevant zijn indien aansprakelijkheid wordt aangenomen en dat het slot van onderdeel 2.3 feitelijke grondslag mist omdat in rov. 3.13 van het bestreden arrest geen oordeel is gegeven over de omvang van eventuele schade en het causaal verband tussen die eventuele schade en de eventuele nalatigheid van Joanknecht. Waar de Hoge Raad klachten, zoals deze, buiten behandeling laat, is de verwijzingsrechter niet aan de door deze klachten bestreden beslissingen gebonden. Hij is evenmin gebonden aan beslissingen die op de vernietigde beslissing voortbouwen. De vragen van schade en causaal verband liggen dus nog helemaal open.

[appellanten] c.s. (mede) contractspartij?

3.7

Naar het hof ’s-Hertogenbosch in rov. 3.6 van zijn arrest heeft overwogen, heeft Joanknecht ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep erkend dat aan de advisering van [appellanten] c.s. door Joanknecht in het kader van de bedrijfsoverdracht en de door Joanknecht voor [appellanten] c.s. verzorgde aangiften IB een contractuele relatie tussen [appellanten] c.s. en Joanknecht ten grondslag lag, waaruit naar het oordeel van dat hof al een zorgplicht van Joanknecht voortvloeit jegens [appellanten] c.s. Dit is in cassatie niet bestreden en staat dus overeind.

toerekenbare tekortkoming?

3.8

Wanneer [appellanten] c.s. het verlangde bewijs leveren dat Joanknecht bekend was met de bedoeling van [appellanten] c.s. dat het bedrijfspand als gevolg van herstructurering van

hun vermogen uiteindelijk in box 3 terecht zou komen, behoorde Joanknecht, [appellant] vaste adviseur, als redelijk handelend en redelijk bekwaam belastingadviseur, [appellanten] c.s. spontaan ervoor te waarschuwen dat zij door het aan de voorgenomen schenking voor te behouden vruchtgebruik (al was dat op initiatief van een notaris bij De Brauw) een aanmerkelijk belang behielden en dat dit in combinatie met de terbeschikkingstelling van het bedrijfspand aan DAG tot gevolg had dat het bedrijfspand niet in box 3 maar in box 1 terechtkwam, met alle fiscale gevolgen van dien. Een en ander geldt onafhankelijk van de precieze reikwijdte van de concrete opdracht, ook als deze alleen maar strekte tot overdracht van de onderneming (met behoud van zeggenschap) ter besparing van successierechten in België. Joanknecht behoorde immers redelijkerwijs te begrijpen dat [appellanten] c.s. de door hen beoogde besparing van successierechten in België wel wilden afwegen tegen de omvang van de Nederlandse inkomstenbelasting in box 1 in plaats van in box 3. Die waarschuwingsplicht is ook niet afhankelijk van de vraag of Joanknecht toen al kon voorzien dat er concrete schade zou (kunnen) optreden. Als professioneel fiscaal adviseur behoorde Joanknecht namelijk redelijkerwijs te weten dat de belastbaarheid van inkomsten en van vermogensontwikkelingen in de komende jaren kan verschillen al naar gelang een en ander in box 1 of in box 3 valt. Joanknecht heeft [appellanten] c.s. daarvoor niet gewaarschuwd en dan is zij, als het bewijs wordt geleverd, tekortgeschoten in haar verplichting tot advisering in verband met de voorgenomen schenking.

uitsluiting of beperking van aansprakelijkheid?

3.9

Joanknecht beroept zich op uitsluiting in artikel 5 lid 3 van haar algemene voorwaarden van aansprakelijkheid voor “indirecte schade” en in artikel 5 lid 4 op beperking van haar aansprakelijkheid tot een bedrag gelijk aan het honorarium dat zij ter zake aan opdrachtgever in rekening heeft gebracht. [appellanten] c.s. hebben echter deze bedingen vernietigd op in artikel 6:233, aanhef en onder b. BW opgenomen grond dat Joanknecht aan hen niet een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen. Die vernietiging heeft Joanknecht niet bestreden, zodat de desbetreffende algemene voorwaarden niet van toepassing zijn en het daarop gebaseerde verweer dus alleen daarom al moet worden verworpen.

causaal verband en schade

3.10

De navolgende overwegingen hebben een voorlopig karakter.

3.11

De eerste vraag is in hoeverre het voorbehouden van het vruchtgebruik op de aandelen het gevolg is geweest van, indien bewezen, de tekortkoming van Joanknecht. Daarvoor moet worden onderzocht of en zo ja met welke mate van waarschijnlijkheid [appellanten] c.s., indien Joanknecht hen tijdig had gewaarschuwd, destijds, in oktober 2005, bij de voorgenomen schenking zouden hebben afgezien van het voorbehoud van vruchtgebruik (niet aan de orde is gesteld dat [appellanten] c.s. dan mogelijk zelfs geheel van de schenking zouden hebben afgezien). Daarbij moet worden bedacht dat [appellant] toch al bestuurder was en zou blijven van Stichting Administratiekantoor Planef en derhalve ook zonder voorbehoud van vruchtgebruik reeds via die weg in ieder geval enige inspraak bleef houden binnen de DAG-groep.

3.12

De tweede vraag, die beantwoord moet worden als ervan wordt uitgegaan dat [appellanten] c.s. bij een tijdige waarschuwing met enige mate van waarschijnlijkheid zouden hebben afgezien van het voorbehoud van vruchtgebruik, is of [appellanten] c.s. schade hebben geleden. Om die vraag te beantwoorden dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de hypothetische situatie (geen voorbehoud na waarschuwing) en de feitelijke situatie (wel een voorbehoud).

3.13

In 2013 bleek dat het bedrijfspand in box 1 zat en dat het in de aangiftes inkomstenbelasting tot dan ten onrechte in box 3 was opgenomen. Daarop hebben [appellanten] c.s. afstand gedaan van het recht van vruchtgebruik, zodat het bedrijfspand alsnog (met inmiddels diverse andere bedrijfspanden) verhuisde naar box 3. Omdat het bedrijfspand in de aangiftes inkomstenbelasting tot dan ten onrechte tot het box 3-vermogen was gerekend, waren [appellanten] c.s. in 2015 € 358.221,86 (extra) inkomstenbelasting (vermeerderd met rente) verschuldigd. Dit bedrag is berekend door BDO, is geaccepteerd door de belastingdienst en wordt gevormd door het verschil tussen de verschuldigde belasting in de aangegeven situatie (waarin het pand in box 3 zat) en de feitelijke situatie (waarin het pand tot de afstand van het vruchtgebruik in 2013 in box 1 zat).

3.14

Joanknecht heeft aangevoerd dat dit bedrag van € 358.221,86 voornamelijk ziet op de later (zonder advies van Joanknecht) aangekochte bedrijfspanden en niet op het bedrijfspand aan de [adres] te [plaats1] zelf. Dit verweer gaat niet op omdat uit de onweersproken schadeberekening van BDO blijkt dat deze uitsluitend betrekking heeft op het bedrijfspand [plaats1] en resulteert in een (extra) belastingplicht van in totaal € 388.877,96.

3.15

Dit schadebedrag van € 358.221,86 is de totale (extra) belasting die verschuldigd is vanwege het feit dat het pand een aantal jaren in box 1 heeft gezeten. Echter, ook indien geen vruchtgebruik zou zijn voorbehouden, zou het bedrijfspand enige tijd (tot de schenking van de aandelen) in box 1 hebben gezeten. In die zin dient het schadebedrag nog gecorrigeerd te worden. Dit gecorrigeerde schadebedrag is het gevolg van het voorbehoud van vruchtgebruik; die schade zou niet zijn ontstaan als er geen vruchtgebruik zou zijn voorbehouden. Joanknecht heeft wel aangevoerd dat [appellanten] c.s. deze naheffing zelf hebben getriggerd en dat dit helemaal niet nodig was geweest, maar daarbij ziet Joanknecht eraan voorbij dat, als het bewijs is geleverd, het juist steeds hun bedoeling is geweest om het bedrijfspand in box 3 te hebben.

3.16

Overigens hebben [appellanten] c.s. door afstand te doen van het vruchtgebruik in 2013 de schade nog beperkt tot een afrekening waarbij is uitgegaan van een waarde in het economische verkeer van het bedrijfspand van € 1,7 miljoen. Het bedrijfspand is uiteindelijk in 2020 verkocht voor circa € 3,4 miljoen, zodat door de afstand van het vruchtgebruik in 2013 de waardestijging van het bedrijfspand in de periode 2013-2020 (derhalve een waardestijging van € 1,7 miljoen) uiteindelijk niet in box 1 belast is.

3.17

Wel moet worden geconstateerd dat het nog te berekenen daadwerkelijke voordeel van het voorbehouden vruchtgebruik op de schade in mindering zal moeten worden gebracht.

de buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst van opdracht

3.18

Als [appellanten] c.s. het bewijs leveren, is de door hen gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar en zijn door de ontbinding van de opdracht ongedaanmakingsverbintenissen ontstaan.

[appellanten] c.s. vorderen veroordeling van Joanknecht tot terugbetaling van de reeds verrichte prestaties, waaronder begrepen declaraties ter hoogte van respectievelijk: € 82.030 (wegens over het laatste kwartaal van 2005 en geheel 2006 betaalde declaraties ad € 58.638,72 plus de wettelijke rente), € 5.554,61 (vanaf 2006 tot en met 2011 jaarlijks € 643 exclusief btw wegens onjuiste aangiften inkomstenbelasting ad in totaal € 4.591 plus de wettelijke rente) en € 7.917 (wegens tevergeefs gemaakte kosten zoals met betrekking tot het overleg over het bedrijfspand en het (onjuiste) memorandum van [naam3] van 31 januari 2013)4.

Volgens Joanknecht heeft zij in het eerste tijdsbestek aanzienlijk meer werkzaamheden verricht dan alleen de advisering in het kader van de schenking, terwijl die advisering over de schenking ook zag op meer dan alleen het vruchtgebruik. Verder ziet zij bij de onjuiste aangiftes een dubbeltelling ten aanzien van de kosten van BDO, die de aangiften heeft gecorrigeerd: anders zouden de aangiften voor [appellanten] c.s. gratis zijn geweest. Ook wat betreft de gesprekken over het bedrijfspand en het memorandum van [naam3] voert Joanknecht gemotiveerd verweer.

Naar aanleiding hiervan mogen [appellanten] c.s. hun vordering en Joanknecht haar verweer nog nader toelichten in hun memories na de getuigenverhoren.

de buitengerechtelijke kosten van fiscaal en juridisch advies

3.19

[appellanten] c.s. vorderen ter zake € 137.657,41 in hoofdsom, dat met de wettelijke rente tot en met 22 september 2014 neerkomt op € 139.089,875. Daarvoor hebben zij zich beroepen op diverse facturen van BDO, Greenville, RV, Schonis, Deterink, RV, Lexence en OHW. Joanknecht heeft deze kosten gemotiveerd bestreden. Voor toewijzing is vereist dat, in de gegeven omstandigheden, de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren en dat de gemaakte kosten naar hun omvang redelijk zijn. Ondanks de bestrijding ervan door Joanknecht zijn [appellanten] c.s. daarop niet behoorlijk ingegaan. Zij hebben de buitengerechtelijke kosten in ieder geval ook al niet gespecificeerd. Verder hebben zij niet eens de onderliggende facturen/declaraties in het geding gebracht of überhaupt een deugdelijke toelichting op de werkzaamheden, uren en uurtarieven gegeven. Daarom zal deze post worden afgewezen.

de restitutievordering van [appellanten] c.s.

3.20

Deze zal later nog aan de orde komen.

4 De slotsom

4.1

Er volgt gelegenheid tot bewijslevering, eerst door [appellanten] c.s.

4.2

In hun memories na getuigenverhoren kunnen partijen zich nader uitlaten over de omvang van de door een tekortkoming (indien bewezen) veroorzaakte schade en van de ongedaanmakingsverplichtingen.

4.3

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep na verwijzing:

laat [appellanten] c.s. toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat zij bij de aankoop (in oktober 2005) van het bedrijfspand (aan de [adres] te [plaats1] ) ervan uitgingen dat de resultaten daarvan na de beoogde herstructurering van het vermogen in box 3 zouden worden belast, dat zij op advies van Joanknecht, vooruitlopend op die herstructurering, dit bedrijfspand in privé hebben aangekocht en dat hun adviseur ( [naam1] ) bij Joanknecht tegen hen heeft gezegd dat het bedrijfspand na de schenking in box 3 zou worden belast;

bepaalt dat, indien [appellanten] c.s. dat bewijs door middel van getuigen wensen te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. A.W. Steeg, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat partijen ( [appellanten] c.s. in persoon en Joanknecht vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het beantwoorden van vragen in staat is) bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

bepaalt dat [appellanten] c.s. het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen in de maanden september tot en met december 2021 zullen opgeven op de roldatum 24 augustus 2021, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat [appellanten] c.s. overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dienen op te geven;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, H. de Hek en R.A.V. Boxem, is ondertekend door de voorzitter en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2021.

1 zie ECLI:NL:HR:2019:418

2 productie 46 bij memorie na verwijzing

3 zie ECLI:NL:GHSHE:2017:4709

4 zie de producties 39 en 40 bij inleidende dagvaarding

5 zie productie 41