Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:739

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-01-2021
Datum publicatie
28-01-2021
Zaaknummer
200.266.342/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van opdracht. Timmerman wordt aansprakelijk gesteld voor verspreiding van asbest door het pand. Eigenaar van het pand heeft onvoldoende onderbouwd dat de timmerman wist of had kunnen weten dat er asbest op die locatie was verwerkt en door te handelen zoals hij heeft gedaan, onzorgvuldig jegens de opdrachtgever heeft gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.266.342/01

(zaaknummer rechtbank 163230)

arrest van 26 januari 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. H.L. Thiescheffer, die kantoor houdt in Leeuwarden,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. T. Havekes, die kantoor houdt in Voorburg.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

30 januari 2019 en 7 augustus 2019, die de rechtbank Noord Nederland, locatie Leeuwarden, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 2 september 2019,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord (met producties),

- een akte uitlating producties,

- het proces-verbaal van pleidooi van 17 november 2020. De pleidooien hebben met toestemming van partijen voor de enkelvoudige kamer plaatsgehad. Hierbij is akte verleend van de stukken die bij bericht van 2 november 2020 door mr. Thiescheffer namens [appellant] zijn ingebracht (producties 21 tot en met 26).

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald op één dossier.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in het hoger beroep uit van de volgende feiten.

3.1

[appellant] is sinds 1994 eigenaar van het pand aan de [a-straat] 12 te [C] (hierna: het pand). Het in 1980 gebouwde pand is deels ingericht als winkel- en deels als woonruimte. Vanaf 2008 tot 1 augustus 2017 heeft [appellant] het pand verhuurd aan de vennootschap onder firma Ten Hoeve, die onder de naam Top1Toys een speelgoedwinkel in het pand exploiteerde.

3.2

[geïntimeerde] heeft een timmer- en onderhoudsbedrijf.

3.3

Op zaterdag 11 mei 2013 deed zich een lekkage voor in het pand. [appellant] heeft [geïntimeerde] , die vaker klussen voor hem doet, gebeld om de lekkage te verhelpen.

3.4

[geïntimeerde] heeft in het pand boven het systeemplafond een gedeelte uit een koof gezaagd om een verstopte buis toegankelijk te maken voor de firma Landman, die de buis in opdracht van [geïntimeerde] , namens [appellant] , heeft leeggezogen en de verstopping heeft verholpen.

3.5

Op 11 april 2017 heeft de gemeente Smallingerland [appellant] meegedeeld dat het pand was geselecteerd voor een onderzoek naar brandveiligheid. In het kader van dit onderzoek is de aanwezigheid van asbest geconstateerd.

3.6

In opdracht van [appellant] heeft Milieukundig Adviesbureau FIND in mei 2017 een

asbestinventarisatieonderzoek uitgevoerd. FIND heeft geconstateerd dat in het pand een

risicovolle situatie aanwezig was in de vorm van losliggende restanten asbest of

asbesthoudend stof.

3.7

[D] , coördinator omgevingsvergunningen eenheid Vergunningen &

Handhaving van de gemeente Smallingerland, heeft per e-mail van 1 augustus 2017 aan

[appellant] geschreven:

‘(...) Boven het gehele plafond in de winkel en op de vloer in de winkel is asbest en een asbestbesmetting aangetroffen. Met u is afgesproken dat het asbest gesaneerd zou worden als de huurder is vertrokken.

(…) Voor het pand weer in gebruik wordt genomen, moet het asbest zijn gesaneerd en moet de asbestbesmetting zijn verwijderd.(...)’

3.8

In een brief van 28 augustus 2017 heeft [appellant] aan Ten Hoeve geschreven:

‘(...) Naar aanleiding van jullie alarmerende melding van de lekkage hebben wij eerst [geïntimeerde] en op zijn advies vervolgens Landman ingeschakeld om de lekkage en verstopping te verhelpen.

Beide partijen hebben ten aanzien van de waterlekkage, schade beperkend opgetreden om erger te voorkomen.

Dat in de algehele hectiek die er was tijdens de dreigende waterramp, het materiaal van de om-timmering niet als asbest is herkend is niet vreemd. Ook de deskundige ambtenaar van gemeente Smallingerland heeft het materiaal in eerste instantie ook niet als asbest houdend beoordeeld omdat er namelijk een veel jonger bouwmateriaal is wat sprekend lijkt op het gebruikte plaat in de aftimmering.’

3.9

[appellant] heeft vervolgens in september-november 2017 een asbestsanering laten uitvoeren.

3.10

[appellant] heeft in een brief van 1 december 2017 onder meer [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld voor de kosten van de asbestsanering en de indirecte schade van de asbestverspreiding door het pand.

3.11

Op verzoek van de aansprakelijkheidsverzekeraar van [geïntimeerde] heeft [E]

van de Hanselman Groep op 26 april 2018 een expertiserapport opgesteld. De

asbestsanering was op dat moment al uitgevoerd. In het rapport is, voor zover hier van

belang, opgemerkt:

‘Daarnaast hebben verzekerde en tegenpartij ons laten weten dat beiden niet op de hoogte te

zijn geweest van mogelijk asbesthoudende materialen, daarnaast is de locatie en de

functiedoeleinden (een koof van een rioolleiding) niet logisch voor de toepassing van

asbesthoudende materialen.’

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft bij de rechtbank gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, aan hem te betalen € 73.554,68, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

4.2

De rechtbank heeft in een vonnis van 7 augustus 2019 de vorderingen afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

5 Het geschil en de beslissing in hoger beroep

De vordering in hoger beroep

5.1

[appellant] vordert in hoger beroep de vernietiging van het vonnis van 7 augustus 2019 en toewijzing van zijn vorderingen als hiervoor in rov. 4.1 omschreven. [appellant] voert daartoe zes grieven (bezwaren) tegen het vonnis aan.

Waar gaat de procedure over?

5.2

[appellant] stelt [geïntimeerde] aansprakelijk voor de schade die hij heeft geleden, als gevolg van de verspreiding van asbesthoudend materiaal in het pand. Volgens [appellant] is die verspreiding te wijten aan [geïntimeerde] , omdat [geïntimeerde] een stuk asbesthoudende plaat uit een koof heeft gezaagd en dat op het systeemplafond heeft laten liggen waardoor, door het luchtcirculatiesysteem de asbesthoudende stofdeeltjes zich over een groot oppervlakte hebben kunnen verplaatsen. Volgens [appellant] had [geïntimeerde] nooit zomaar een stuk uit de koof mogen zagen, maar had hij een onderzoek moeten instellen naar de samenstelling van het materiaal van de koof voordat hij een deel van de koof verwijderde. [geïntimeerde] had als timmerman kennis moeten hebben van de structuur van asbesthoudende materialen en alert moeten zijn op de eventuele aanwezigheid van asbesthoudend materiaal in bouwwerken van voor 1993.

5.3

[geïntimeerde] heeft weersproken dat de koof van asbesthoudend materiaal was en ook als dit het geval was, hij dit had moeten onderkennen. Daarnaast betwist hij dat de asbestverspreiding in het pand het gevolg is van zijn zaagwerkzaamheden.

5.4

De grieven 1, 3 en 4 richten zich in de kern tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] niet had hoeven onderkennen en onderzoeken of sprake was van asbesthoudend materiaal. Het hof ziet aanleiding eerst deze grieven gezamenlijk te behandelen.

Overeenkomst van opdracht

5.5

Vaststaat dat aan [geïntimeerde] is gevraagd een lekkage op te lossen en dat [geïntimeerde] vervolgens daartoe werkzaamheden heeft verricht. De werkzaamheden aan de koof hebben aldus plaatsgevonden in het kader van een overeenkomst van opdracht. Uitgangspunt is dat [geïntimeerde] als opdrachtnemer gehouden is als goed opdrachtnemer te handelen. De vraag is dan ook of [geïntimeerde] als opdrachtnemer heeft gehandeld, zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk zou zijn gegaan. Vgl. HR 9 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6159. Wat dat inhoudt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

5.6

In hoger beroep is, net als bij de rechtbank, vooralsnog niet vast komen te staan dat de koof waarin is gezaagd asbesthoudend materiaal bevatte en dat het dit asbesthoudende materiaal is geweest dat in het pand is terechtgekomen op de plaatsen, zoals door FIND aangewezen in haar rapport. Deze stellingen van [appellant] zijn door [geïntimeerde] gemotiveerd betwist. Het afgezaagde materiaal is verwijderd toen het pand is gesaneerd. De foto (productie 19) die is overgelegd, waarop volgens [appellant] onmiskenbaar asbesthoudend materiaal is te zien, is niet van de plaats waar door [geïntimeerde] is gezaagd, zo is tijdens de pleidooien vastgesteld.

5.7

Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat ook al zou sprake zijn van asbesthoudend materiaal dat in het pand is terechtgekomen, [geïntimeerde] ter zake geen verwijt treft.

[appellant] verwijt [geïntimeerde] dat hij niet in de koof had mogen zagen zonder voorafgaand onderzoek naar het materiaal, omdat [geïntimeerde] wist dan wel kon weten dat daarin asbest was verwerkt. Het hof is van oordeel dat indien [geïntimeerde] wist dan wel kon weten dat asbest in de koof was verwerkt hij door te handelen zoals hij heeft gedaan onzorgvuldig jegens [appellant] zou hebben gehandeld. [appellant] heeft echter onvoldoende onderbouwd dat [geïntimeerde] dit wist of had kunnen weten. De volgende omstandigheden acht het hof daarbij van belang.

[geïntimeerde] werd verzocht de lekkage op te lossen. [geïntimeerde] heeft een eenmansbedrijf en is een ervaren timmerman, zonder specifieke deskundigheid op het gebied van asbest. [appellant] stelt weliswaar dat [geïntimeerde] over een grote mate van deskundigheid beschikt en heeft daartoe voorbeelden van bouwprojecten overgelegd, waaraan [geïntimeerde] heeft meegewerkt en waaruit dit zou volgen, maar [geïntimeerde] heeft dit afdoende weersproken en gemotiveerd aangevoerd dat ook bij die projecten zijn rol geen andere is geweest dan die van ervaren timmerman. Verder heeft [geïntimeerde] onweersproken aangegeven dat de ouderdom van het pand hem niet bekend was en evenmin wanneer de koof na de bouw van het pand was geplaatst, zodat dit ook niet een verdenking van asbest met zich bracht. [geïntimeerde] heeft verder steeds verklaard en het tegendeel is niet gebleken, dat hij heeft gezaagd in een glad grijs plaatmateriaal, dat in een goede staat verkeerde en dat hij uit is gegaan van cementgebonden brandvertragend materiaal (eternit of menuiserite) waarbij hij geen verdenking hoefde te hebben van asbest. Met het door [geïntimeerde] overgelegde rapport van de Hanselman groep geeft hij voldoende onderbouwing dat de koof rond een inpandige hemelwaterafvoer geen voor de hand liggende plaats is voor het gebruik van asbest, omdat asbest voornamelijk werd gebruikt als brandwerend materiaal. De plaats van de koof bracht dus ook niet zonder meer een verdenking van de aanwezigheid van asbest in de koof met zich. Dat asbesthoudende plaat ook weleens wordt gebruikt voor de ombouw van hemelwaterafvoeren, zoals door [appellant] is aangevoerd, doet daar niet aan af. Voorts blijft staan dat de ter zake kundige ambtenaar die betrokken was bij het onderzoek naar de brandveiligheid ook het plaatmateriaal niet als asbesthoudend heeft onderkend, zoals [appellant] ook zelf heeft erkend.

5.8

Uit hetgeen hiervoor is beschreven volgt dat [geïntimeerde] niet bedacht had hoeven zijn op de aanwezigheid van asbest voordat hij ging zagen in de koof, als al sprake zou zijn geweest van asbesthoudende plaat.

5.9

[appellant] heeft nog aangevoerd dat het feit dat [geïntimeerde] het stuk plaat op het plafond heeft laten liggen, terwijl hij wel het isolatiemateriaal heeft weggeruimd, duidt op wetenschap van [geïntimeerde] dat het asbesthoudend materiaal was, omdat dit materiaal moeilijk af te voeren zou zijn. Ook uit het feit dat [geïntimeerde] geen rekening heeft gezonden voor zijn werkzaamheden zou op die wetenschap duiden. [geïntimeerde] heeft dit voldoende weersproken door aan te voeren dat hij de plaat achter heeft gelaten omdat hij deze in een later stadium weer terug wilde plaatsen en dat hij uit coulance uitsluitend de gebruikte materialen in rekening heeft gebracht.

5.10

De conclusie luidt dat [geïntimeerde] door te handelen als hij heeft gedaan niet onzorgvuldig heeft gehandeld, zodat [geïntimeerde] niet aansprakelijk is voor de schade die [appellant] stelt te hebben geleden. Dit leidt ertoe dat de overige grieven geen behandeling meer behoeven en evenmin de overige verweren van [geïntimeerde] op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep

5.11

De bewijsaanbiedingen van [appellant] zullen worden gepasseerd, nu hetgeen te bewijzen wordt aangeboden niet tot een andere beslissing kan leiden.

5.12

De grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op € 741,- voor verschotten en € 5.877,- voor salaris advocaat in overeenstemming met het liquidatietarief (3 punten x tarief IV). Als niet weersproken zal het hof ook de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van

7 augustus 2019;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 741,- voor verschotten en op € 5.877,- voor salaris advocaat;

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 157, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. I. Tubben, J. Smit en J. Wichers en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2021.