Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:7380

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-08-2021
Datum publicatie
24-08-2021
Zaaknummer
200.221.372
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. En/of rekening. Voorshands bewezen stelling bekendheid echtgenote met overeenkomst niet ontzenuwd. Geen vordering uit hoofde van vernietiging. Ook geen vordering op grond van billijkheidscorrectie, het hanteren onjuiste afrekenkoersen en BIK.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.221.372

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn: 5141309)

arrest van 3 augustus 2021


in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

bij de rechtbank: eiser in conventie, verweerder in reconventie,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Dexia Nederland B.V.

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

bij de rechtbank: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna: Dexia,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 31 maart 2020 hier over.

1.2.

Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 7 oktober 2020,

- de memorie na enquête van [appellant] ,

- de memorie na enquête van Dexia, met drie producties.

1.3.

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

vernietiging van de overeenkomst

2.1.

Het gaat in deze zaak om een zogeheten ‘AllRound Sparen met maandbetaling’ effectenleaseovereenkomst die op 16 november 1999 is afgesloten. De maandelijkse betalingen vonden plaats vanaf een en/of rekening die op naam stond van [appellant] en zijn echtgenote. In het tussenarrest van 31 maart 2020 heeft het hof beslist dat aan het feit dat de betalingen van aanvang af van een en/of rekening zijn verricht, ten gunste van Dexia een bewijsvermoeden wordt ontleend, in die zin dat wordt vermoed, behoudens tegenbewijs, dat de echtgenote van [appellant] vanaf de datum van ontvangst van het oudste bankafschrift waarop een betaling in het kader van de desbetreffende effectenleaseovereenkomst is vermeld met het bestaan van de overeenkomst bekend was. [appellant] is in het tussenarrest van 31 maart 2020 toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen stelling dat zijn echtgenote vóór 13 maart 2000 met het bestaan van de overeenkomst bekend raakte. [appellant] heeft zichzelf en zijn echtgenote laten horen als getuige. Dexia heeft afgezien van het laten horen van getuigen in tegenverhoor.

2.2.

Het hof is van oordeel dat [appellant] er niet in is geslaagd het vermoeden dat zijn echtgenote al vóór 13 maart 2000 met het bestaan van de effectenleaseovereenkomst bekend werd, te ontzenuwen. Hierna legt het hof uit hoe het tot deze conclusie is gekomen.

2.3.

De raadsheer-commissaris heeft aan beide getuigen gevraagd hoe zij zich op het getuigenverhoor hebben voorbereid. [appellant] antwoordt daarop: “Vorige week dinsdag heb ik de stukken gelezen en het met mijn vrouw besproken. Ik heb vrijdag jl. samen met mijn vrouw telefonisch met [naam1] gesproken om ons voor te bereiden op het verhoor. Hij heeft ons de procedure uitgelegd en hoe het in zijn werk zou gaan. Met betrekking tot de inhoud hebben wij gesproken waar het om ging. Hij heeft mij gemaand niet te veel dingen op te zoeken.” De heer [naam1] is medewerker van Leaseproces en was in de procedure bij de kantonrechter de gemachtigde van [appellant] . Hij was ook aanwezig bij de getuigenverhoren. Mevrouw [de echtgenote] antwoordt op die vraag van de raadsheer-commissaris: “(…) vorige week heb ik de papieren ingezien en de zaak nagelezen. Dit heb ik samen met mijn man gedaan. Wij hebben een telefonisch gesprek gehad met meneer [naam1] . De dag is me even ontschoten. Dit ging over de voorbereiding en de gang van zaken. Inhoudelijk hebben we enkel globaal over de zaak gesproken, dus wat er allemaal gespeeld heeft.” Uit deze beide antwoorden volgt dat de getuigen voorafgaand aan het getuigenverhoor samen de stukken hebben doorgenomen en – in ieder geval – globaal met hun voormalige gemachtigde hebben besproken wat er inhoudelijk is gebeurd. Uit beide verklaringen blijkt dat de getuigen zich inhoudelijke kwesties zonder deze voorbereiding niet meer herinnerden. Over het tot stand komen van de overeenkomst verklaart de heer [appellant] bijvoorbeeld: “al lezende is het toch wel weer naar boven gekomen”. De datum waarop hij zijn vrouw volgens zijn verklaring verteld heeft over de effectenleaseovereenkomst kan hij zich herinneren, omdat hij dat de dag voor het getuigenverhoor in de stukken heeft gecontroleerd. Ook over de aanwezigheid van zijn vrouw bij het eerste gesprek dat hij over de effectenleaseovereenkomst met een medewerker van Spaar Select heeft gehad verklaart hij dat hij dit in de stukken heeft opgezocht en dat hij zich dit niet uit eigen wetenschap kon herinneren. Mevrouw [de echtgenote] verklaart aan het begin van haar verhoor: “Vorige week heeft mijn man die papieren nagezocht maar er kwam veel naar voren waar ik geen idee van had.” Tijdens haar verhoor verklaart zij op verschillende onderdelen dat zij gebeurtenissen of data voorafgaand aan het verhoor in de stukken heeft opgezocht. Al met al maakt dit de verklaringen van de getuigen minder krachtig en zal het hof daarom minder snel het tegenbewijs geleverd vinden.

2.4.

Uit de getuigenverklaringen leidt het hof het volgende af.

[appellant] en zijn echtgenote hadden vier gezamenlijke bankrekeningen (en/of rekeningen). Eén liep bij de Rabobank en van die rekening werd de hypotheek voldaan. Drie rekeningen liepen bij (destijds) de Postbank. Op één daarvan werd het salaris van de heer [appellant] gestort, op een andere het salaris van mevrouw [de echtgenote] . Over de derde en/of rekening bij de Postbank verklaart [appellant] dat dit een gezamenlijke rekening was. Mevrouw [de echtgenote] herinnert zich niet waar deze rekening voor was. Grote aankopen bespraken de heer en mevrouw [de echtgenote] vooraf en soms gaf [appellant] aan dat een uitgave financieel even niet mogelijk was. [appellant] en zijn vrouw hebben samen drie kinderen. Voor elk van de kinderen was een polis afgesloten die zou uitkeren als het begunstigde kind 18 jaar zou worden. Mevrouw [de echtgenote] was niet betrokken bij het feitelijk afsluiten van de polissen voor de kinderen, maar zij was volgens haar eigen verklaring wel vooraf door haar man daarvan op de hoogte gesteld. [appellant] heeft verklaard dat zijn vrouw wist dat er geld voor de kinderen vrij zou komen. [appellant] verklaart dat hij daarnaast een polis heeft afgesloten om ervoor te zorgen dat zijn vrouw eerder kon stoppen met werken. Dat is de effectenleaseovereenkomst waar deze zaak over gaat. Beide getuigen verklaren dat mevrouw [de echtgenote] deze wens wel eens had geuit, maar dat zij van het bestaan van de effectenleaseovereenkomst niets wist. Gevraagd naar haar reactie nadat zij van haar man hoorde van het bestaan van de overeenkomst en hij haar de afschrijvingen had laten zien, verklaart mevrouw [de echtgenote] : “Ik vond het lief dat hij het gedaan maar vond het jammer dat het zo verlopen was. Het financiële plaatje was dus voor ons ineens anders, ik had wel gehoopt dat ik eerder met pensioen kon gaan (…)” De heer [appellant] heeft deze overeenkomst gesloten door tussenkomst van de heer [de medewerker van Spaar Select] van Spaar Select, die zij kenden omdat hij als vakkenvuller werkte in de supermarkt waar ook hun kinderen werkten. De heer [appellant] verklaart dat hij niet meer weet hoe vaak hij de heer [de medewerker van Spaar Select] hiervoor heeft gesproken. Beide getuigen verklaren dat de heer [de medewerker van Spaar Select] bij hen thuis is geweest voor een gesprek, dat dit gesprek over een financiële kwestie ging en dat mevrouw [de echtgenote] daar gedeeltelijk bij aanwezig is geweest. Mevrouw [de echtgenote] verklaart dat zij dit gesprek heeft verlaten, omdat het een financieel gesprek was. Op de vraag van de raadsheer-commissaris hoe het na afloop van dat gesprek verder ging, verklaart de heer [appellant] : “Ik kan me niet herinneren dat ik het nog met mijn vrouw heb besproken, ondanks dat het voor mijn vrouw was. U vraagt mij of we het over zoiets gebruikerlijkerwijs gehad zouden hebben. Ik denk het niet, ik kan me er in elk geval niets van herinneren.” Het hof stelt voorop dat [appellant] zich dus niet meer kan herinneren of hij met zijn vrouw heeft gesproken over de uitkomst van het gesprek met [de medewerker van Spaar Select] , naar aanleiding waarvan hij de effectenleaseovereenkomst heeft afgesloten. [appellant] verklaart dat hij denkt dat hij het daar normaalgesproken niet met zijn vrouw over zou hebben, maar dat kan het hof niet rijmen met de verklaring van de beide getuigen dat zij samen spraken over grote aankopen die moesten worden gedaan, dat zij samen hadden besproken dat er iets voor de studie van de kinderen geregeld moest worden en dat [appellant] ook tegen zijn vrouw heeft gezegd dat er geld voor de kinderen beschikbaar zou komen. Daarnaast staat vast dat zij een deel van het gesprek met [de medewerker van Spaar Select] heeft bijgewoond en wist dat dit over financiële zaken ging. Uit de beide verklaringen blijkt verder dat mevrouw [de echtgenote] op vakantie is gegaan met haar zus en moeder na het gesprek dat [de medewerker van Spaar Select] bij [appellant] thuis heeft gehad. Tijdens die vakantie heeft [appellant] de effectenleaseovereenkomst daadwerkelijk afgesloten. Op de vraag of [appellant] nadat zijn vrouw terugkwam van vakantie met haar heeft besproken dat hij de effectenleaseovereenkomst had afgesloten, antwoorden beide getuigen dat zij dat niet meer weten.

2.5.

De conclusie die het hof trekt uit het voorgaande is dat de verklaringen van de heer en mevrouw [de echtgenote] onvoldoende overtuigend zijn om het bewijsvermoeden dat staat in 5.4 van het arrest van 31 maart 2020 (en in 2.1 van dit arrest is herhaald) te ontzenuwen. Daarbij is van belang dat voor beide getuigen geldt dat niet steeds duidelijk is wat zij zich nog daadwerkelijk herinneren en wat zij weten, omdat zij dat voorafgaand aan hun getuigenverklaring in de stukken hebben gelezen. Verder valt vooral op dat zij zich beiden herinneren dat grote financiële uitgaven voor het gezin of de kinderen gezamenlijk besproken werden, maar dat zij zich allebei niet meer herinneren of de overeenkomst waar deze zaak over gaat ook vooraf of kort na het sluiten daarvan door hen besproken is. Dat juist deze overeenkomst niet zou zijn besproken ligt niet erg voor de hand omdat deze tot doel had dat mevrouw [de echtgenote] eerder kon stoppen met werken, en zij hierbij dus een (extra) persoonlijk belang had. Het tegenbewijs is daarom niet geslaagd. De grieven in het principaal hoger beroep falen. Daardoor staat vast dat de overeenkomst tussen [appellant] en Dexia niet rechtsgeldig is vernietigd. Aan een beoordeling van de door [appellant] gevorderde buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente komt het hof niet toe. De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] in conventie terecht afgewezen. Het hof zal dit oordeel van de kantonrechter daarom bekrachtigen.

de vorderingen van Dexia

2.6.

Dexia heeft bij de kantonrechter in reconventie gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat de overeenkomst met [appellant] rechtsgeldig tot stand is gekomen, niet is vernietigd en niet bloot staat aan vernietiging op enige grond waarop van de zijde van [appellant] een beroep kan worden gedaan. De kantonrechter heeft deze verklaring voor recht toegewezen.

2.7.

[appellant] heeft in paragraaf 9 van zijn memorie van grieven aangevoerd dat de door Dexia in eerste aanleg gevorderde verklaringen voor recht ook niet kunnen worden toegewezen als de overeenkomst niet is vernietigd door de echtgenote van [appellant] , omdat “voor de beoordeling van de vordering Dexia nogal wat aspecten aan de orde moeten worden gesteld, zoals (onder meer);”

  • -

    de rol van de tussenpersoon; [appellant] is door de tussenpersoon (Spaar Select) geadviseerd om de overeenkomst aan te gaan, hetgeen Dexia wist of behoorde te weten, terwijl Spaar Select geen vergunning had;

  • -

    de rol van de adviseur van Legio Lease (of van haar Call Center “Vero”);

  • -

    beleggingstechnische gebreken van effectenleaseovereenkomsten;

  • -

    onjuiste afrekenkoersen;

  • -

    onjuiste verrekening van voordelen;

  • -

    onredelijk bezwarende boetes/bedingen in de effectenleaseovereenkomsten;

  • -

    de onrechtmatige daad door misleidende, althans onvoldoende informatieverstrekking over de aard en de risico’s van de effectenleaseovereenkomsten, en door het onvoldoende rekening houden met de doelstellingen, het gebrek aan ervaring, de financiële positie en het gebrek aan bereidheid om grote risico’s te willen lopen van de (potentiële) afnemers;

  • -

    de buitengerechtelijke kosten die [appellant] heeft gemaakt en die voor vergoeding in aanmerking komen;

  • -

    jurisprudentie waaruit blijkt dat Dexia [appellant] niet indringend heeft gewaarschuwd voor het risico van een restschuld terwijl [appellant] de overeenkomst niet had gesloten wanneer hij wel was gewaarschuwd (als gevolg waarvan Dexia schadeplichtig is geworden).

2.8.

Het hof gaat aan dit standpunt van [appellant] voorbij, omdat hij dit onvoldoende concreet heeft onderbouwd. De hiervoor vermelde opsomming is daartoe onvoldoende, nu hij de genoemde aspecten onvoldoende kenbaar en duidelijk heeft uitgewerkt. Voor zover [appellant] hiermee heeft bedoeld, niet alleen (primair) vernietiging van de overeenkomst, maar daarnaast (al dan niet subsidiair) zijn vordering op onrechtmatige daad te baseren, is ook dat betoog onvoldoende onderbouwd. [appellant] heeft ook niet duidelijk gemaakt hoe deze gronden tot vernietiging van de overeenkomst zouden kunnen leiden (het merendeel van de aangevoerde gronden kan hoogstens tot schadeplichtigheid leiden). Overigens komen een aantal van de door [appellant] aangevoerde gronden in de context van de eisvermeerdering van Dexia (in het incidenteel hoger beroep) alsnog aan de orde.

2.9.

Dexia heeft bij wijze van incidenteel hoger beroep haar eis vermeerderd en gevorderd naast de reeds gegeven verklaring voor recht tevens voor recht te verklaren dat [appellant] ten aanzien van de overeenkomst niet werd blootgesteld aan het risico op een onaanvaardbaar zware financiële last, geen sprake is van onrechtmatige advisering waarvan Dexia wist of behoorde te weten en Dexia uit hoofde van de overeenkomst niets meer verschuldigd is aan [appellant] . [appellant] heeft hiertegen verweer gevoerd.

belang

2.10.

Het hof stelt voorop dat Dexia, anders dan door [appellant] is betoogd, voldoende belang in de zin van artikel 3:303 BW heeft om haar vordering tot een verklaring voor recht jegens [appellant] in te stellen. In dit kader verwijst het hof naar het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019.1 Het hof acht de vordering niet onduidelijk of onbepaald.

beroep op billijkheidscorrectie

2.11.

[appellant] heeft met een beroep op de arresten van de Hoge Raad van 2 september 2016 als verweer naar voren gebracht dat hij recht heeft op volledige terugbetaling van al hetgeen hij uit hoofde van de overeenkomst aan Dexia heeft betaald. In deze arresten is tot uitgangspunt genomen dat wanneer een tussenpersoon in zijn hoedanigheid van cliëntenremisier, zonder over de daarvoor noodzakelijke vergunning te beschikken, een leaseproduct van de aanbieder heeft geadviseerd en de aanbieder hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn, moet worden afgeweken van het in de rechtspraak ontwikkelde hofmodel en de billijkheid in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van de aanbieder geheel in stand blijft, zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat de door de particuliere belegger reeds betaalde rente, aflossing en kosten.2 Dat in deze zaak Legio Lease (of haar Call Center “Vero”) is opgetreden, is door Dexia bestreden en kan het hof ook niet vaststellen. Het hof gaat ervan uit dat de vraag of [appellant] een beroep op de billijkheidscorrectie toekomt, is gericht op de rol van de tussenpersoon Spaar Select, waarvan wel vaststaat dat deze is betrokken bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst.

2.12.

De vraag ligt derhalve voor of Spaar Select [appellant] zodanig heeft geadviseerd dat zij haar vrijstelling te buiten is gegaan en dat Dexia – nu zij dit wist of behoorde te weten – in strijd met artikel 41 Nadere Regeling 1999 (hierna: NR 1999) heeft gehandeld door [appellant] desondanks als cliënt te accepteren.3 Het hof heeft in de stukken van [appellant] echter geen enkel feitelijk relaas kunnen ontdekken waaruit zou kunnen blijken hoe de overeenkomst tot stand is gekomen en wat de rol van Spaar Select daarbij was. Dat sprake was van advisering en dat [appellant] een daaruit voortvloeiende vordering op Dexia heeft, kan het hof daarom niet vaststellen. Het hof voegt daar ten overvloede aan toe dat ook uit de verklaringen die de heer en mevrouw [de echtgenote] als getuige hebben afgelegd in het kader van het tegenbewijs waartoe [appellant] was toegelaten in het tussenarrest van 31 maart 2020 onvoldoende aanwijzing valt te halen voor wat er is gebeurd, nog daargelaten dat [appellant] in dit verband geen beroep heeft gedaan op deze verklaringen. Voor zover [appellant] mede heeft bedoeld te betogen dat Dexia ten onrechte een effectenorder heeft aangenomen van de tussenpersoon, oordeelt het hof dat [appellant] zijn stellingen ter zake onvoldoende kenbaar en onvoldoende concreet heeft onderbouwd: uit zijn stellingen blijkt niet welke feiten en omstandigheden ten grondslag liggen aan zijn opvatting dat [de medewerker van Spaar Select] ook als orderremisier is opgetreden.

terugbetalingsverplichting hofmodel

2.13.

Uit het voorgaande volgt dat [appellant] geen beroep op de billijkheidcorrectie toekomt, zodat de afwikkeling van de overeenkomst dient plaats te vinden volgens het hofmodel. Dexia heeft in dit verband gesteld dat haar niet is gebleken dat er bij het sluiten van de overeenkomst sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last aan de zijde van [appellant] . [appellant] heeft hiertegenover gesteld dat de vraag of sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last in de zin van het hofmodel pas aan de orde komt nadat Dexia een beroep heeft gedaan op vermindering van haar vergoedingsplicht vanwege eigen schuld aan de zijde van [appellant] . Omdat Dexia geen beroep heeft gedaan op eigen schuld aan de zijde van [appellant] , moet volgens [appellant] haar volledige vergoedingsplicht in stand blijven.

2.14.

Naar het oordeel van het hof gaat [appellant] er ten onrechte aan voorbij dat de overeenkomst voor hem met een positief resultaat van € 869,69 is beëindigd. Er bestaat dan onder het hofmodel in beginsel geen vergoedingsverplichting voor Dexia. Dat kan anders worden, als er sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last. In dat geval leidt toepassing van het hofmodel ertoe dat de afnemer ook recht heeft op vergoeding van twee derde deel van zijn inleg. In dit geval had het dus op de weg van [appellant] gelegen om voldoende concreet te stellen, en zo nodig te onderbouwen, dat hem alsnog een vergoeding toekomt omdat hij werd blootgesteld aan een onaanvaardbaar zware financiële last. Nu hij dat heeft nagelaten staat ook dit onderdeel van zijn verweer niet in de weg aan toewijzing van de gevraagde verklaringen voor recht.

2.15.

Gelet op het voorgaande komt het hof niet toe aan het beroep van Dexia op voordeelstoerekening, waaraan het hof nog toevoegt dat [appellant] niet nader heeft toegelicht waarom er volgens hem sprake is van een onjuiste verrekening.

het hanteren van onjuiste afrekenkoersen
2.16. Het hof overweegt dat [appellant] ook geen vordering heeft vanwege het hanteren van onjuiste afrekenkoersen. Het hof heeft in een aantal arresten, meer recent in het arrest van 3 november 2020, telkens overwogen dat de afnemer nader had moeten concretiseren om welke bedragen het in het geval van de desbetreffende afnemer zou kunnen gaan.4 Ook [appellant] heeft nagelaten toe te lichten welke vordering voor hem uit deze kwestie zou kunnen voortvloeien. Dat Dexia in dit opzicht onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld staat daardoor niet vast.

onredelijk bezwarende boetes/bedingen

2.17.

Dexia heeft gesteld dat dit aspect niet speelt in deze zaak. Naar het oordeel van het hof bevat het dossier geen aanknopingspunten waaruit kan worden afgeleid dat hetgeen door [appellant] aan Dexia is voldaan is gegrond op een onredelijk bezwarend beding. Het hof kan niet vaststellen dat [appellant] op dit punt mogelijk nog een vordering toekomt.

buitengerechtelijke kosten

2.18.

[appellant] stelt ten slotte dat hij een vordering heeft op Dexia wegens door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten. Dit betoog faalt. In de rechtspraak is beslist dat de door Leaseproces voor [appellant] verrichte werkzaamheden – advisering over de kansen en mogelijkheden van een schikking of procedure in verband met de Duisenberg-regeling, de arresten van het gerechtshof Amsterdam en van de Hoge Raad uit 2009 en de relevante rechtspraak nadien en het opstellen en versturen van de “opt-out” verklaring, een sommatiebrief en brieven ter stuiting van de verjaring – niet als buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen.5 Datzelfde geldt ook voor de overige door [appellant] genoemde werkzaamheden, nu ook dat werkzaamheden zijn die moeten worden verricht ter voorbereiding van een procedure en die derhalve onder artikel 6:96 lid 2 BW (oud) en artikel 241 Rv vallen.

overige punten

2.19.

[appellant] heeft zich in eerste aanleg nog beroepen op een aantal andere aspecten waaruit voor hem mogelijk een vordering op Dexia zou kunnen voortvloeien. Hij heeft deze argumenten in incidenteel hoger beroep niet nader toegelicht en in het kader van zijn verweer tegen de vermeerderde eis van Dexia ten grondslag gelegd. Het hof komt daarom aan beoordeling van die argumenten niet toe. Overigens heeft [appellant] ook bepaald onvoldoende toegelicht hoe hieruit voor hem – in het licht van het voorgaande oordeel van het hof in principaal en incidenteel hoger beroep en de huidige stand van de jurisprudentie – een vordering op Dexia zou kunnen voortvloeien.

2.20.

Op grond van het voorgaande behoeft het beroep van Dexia op verjaring en schending van de klachtplicht geen bespreking.

3 De slotsom


in het principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

De grieven van [appellant] in het principaal hoger beroep falen. De incidentele grief van Dexia die ertoe strekt haar eis te vermeerderen slaagt. Het vonnis van de kantonrechter zal integraal worden bekrachtigd en daarnaast zal de vermeerdering van eis worden toegewezen.

3.2.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal het hof [appellant] in de kosten van het principaal en incidenteel hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Dexia zullen worden vastgesteld op:
- griffierecht € 716,-
- salaris advocaat principaal hoger beroep € 2.785,00 (2,5 punten x appeltarief II)
- salaris advocaat incidenteel hoger beroep € 835,50 (1,5 punten x 0,5 x appeltarief II)
totaal salaris advocaat hoger beroep € 3.620,50

3.3.

Als niet weersproken zal het hof ook de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, van 19 april 2017;

verklaart voor recht dat [appellant] met betrekking tot de overeenkomst met nummer [nummer1] niet werd blootgesteld aan het risico op een onaanvaardbaar zware financiële last;

verklaart voor recht dat met betrekking tot de overeenkomst met nummer [nummer1] geen sprake is van onrechtmatige advisering waarvan Dexia wist of behoorde te weten;

verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de overeenkomst met nummer [nummer1] niets meer verschuldigd is aan [appellant] ;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Dexia vastgesteld op € 716,- voor griffierecht en op € 3.620,50 voor salaris in het principaal en incidenteel hoger beroep overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 255,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 85,- in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;


verklaart dit arrest voor zover het deze proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.C. Haasnoot, I. Brand en L.R. van Harinxma thoe Slooten, bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2021.

1 HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.

2 HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 en ECLI:NL:HR:2016:2015.

3 HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 en ECLI:NL:HR:2016:2015.

4 Hof Arnhem-Leeuwarden 3 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8993.

5 HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.