Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:7379

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-08-2021
Datum publicatie
05-08-2021
Zaaknummer
200.205.297
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opzegging duurovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.205.297

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht)

arrest van 3 augustus 2021

in de zaak van

de naamloze vennootschap

Vitens N.V.,

gevestigd te Zwolle,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Vitens,

advocaat: A.E.H. van der Voort Maarschalk,

tegen:

de gemeente

Wijk bij Duurstede,

zetelende te Wijk bij Duurstede,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de Gemeente,

advocaat: S.W. Derksen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, tussen partijen heeft gewezen: het vonnis in het incident van 15 oktober 2014 (waarbij de vordering van Vitens tot het treffen van een voorlopige voorziening is afgewezen), het tussenvonnis van 3 december 2014 (waarbij een comparitie van partijen is gelast) en het in dit hoger beroep bestreden eindvonnis van 4 mei 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 29 juli 2016,

- de memorie van grieven met producties,

- de memorie van antwoord met producties,

- de akte van Vitens,

- de antwoordakte van de Gemeente met producties.

2.2.

Vervolgens zijn de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Geen grieven zijn gericht tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.9 van het eindvonnis, noch is daartegen anderszins bezwaar gemaakt. Die feiten vormen daarom ook voor het hof het uitgangspunt. Het gaat in dit geding om het volgende.

3.1.

Vitens is een drinkwaterbedrijf. Zij levert drinkwater aan afnemers in meerdere provincies. Vitens is eind 2001 ontstaan uit een fusie van Nuon Water, Waterleidingmaatschappij Overijssel en Waterbedrijf Gelderland. In 2006 is Vitens (als verkrijgende vennootschap) met Hydron Midden-Nederland (voorheen N.V. Waterleidingbedrijf Midden-Nederland) en Hydron Flevoland (als verdwijnende vennootschappen) gefuseerd. De aandelen van Vitens worden gehouden door de gemeenten en provincies in haar voorzieningengebied, waaronder de Gemeente (Wijk bij Duurstede).

3.2.

In 1957 is een gemeenschappelijke regeling ten behoeve van een doelmatige drinkwatervoorziening (hierna: de Regeling) aangegaan door de provincie Utrecht en de gemeente Utrecht. Naderhand zijn andere gemeenten tot deze Regeling toegetreden, waaronder de Gemeente. De Regeling had betrekking op het openbare lichaam Waterleidingbedrijf Midden-Nederland (hierna: het Openbare Lichaam).

3.3.

In artikel 6 van de Regeling (productie 10 bij inleidende dagvaarding) is bepaald:

"1. Het lichaam behoeft van de deelnemers geen vergunning, concessie of toestemming in enige andere vorm voor de levering van drinkwater. (…)

2. Onder 'vergunning, concessie of toestemming in enige andere vorm' zijn in dit geval niet begrepen de voor het aanleggen en/of hebben van werken te geven toestemmingen of anderszins die nodig zijn op grond van een ander motief dan dat van de doelmatige drinkwatervoorziening."

Artikel 10 van de Regeling luidt:

"1. Voor zover de deelnemers retributies heffen voor het hebben van voorwerpen in, op of boven voor de openbare dienst bestemde grond en water zullen deze, voor wat betreft voorwerpen, welke door of ten behoeve van het lichaam zijn gelegd, door de betrokken deelnemers aan het lichaam worden terugbetaald.

2. De deelnemers zullen voorts indien nodig hun medewerking geven aan het verlenen van vergunningen, ontheffingen of anderszins aan het lichaam voor het hebben van bedoelde voorwerpen."

In artikel 40 van de Regeling is bepaald:

"Geen deelnemer kan uit het verband van deze regeling treden dan met instemming van drie/vierde van alle deelnemers."

3.4.

In 1987 is het 'Waterleidingplan Provincie Utrecht, Plan tot reorganisatie van de drinkwatervoorziening in de provincie Utrecht' (productie 11 bij inleidende dagvaarding, hierna: het Waterleidingplan) opgesteld. De algemene doelstelling is daarin omschreven als volgt:

"Het creëren van een zo doelmatig mogelijke organisatie op dit gebied [het gebied van de drinkwatervoorziening] teneinde te waarborgen dat de produktie, het transport en de distributie van drinkwater in kwalitatief en kwantitatief opzicht voor korte en lange termijn zijn veiliggesteld tegen zo gering mogelijke maatschappelijke kosten."

3.5.

In het kader van het Waterleidingplan en de oprichting van de N.V. Waterleidingbedrijf Midden-Nederland (hierna: WMN), één van de rechtsvoorgangers van Vitens, hebben de Provinciale Staten van Utrecht, de Gedeputeerde Staten van Utrecht en verschillende gemeenten in de regio Midden-Nederland, waaronder de Gemeente, in 1988 een aandeelhoudersconvenant gesloten (hierna: het Convenant). Het Openbare Lichaam is overgegaan in WMN.

3.6.

In de considerans van het Convenant (productie 1 bij inleidende dagvaarding) is onder meer – voor zover relevant voor de beoordeling van het geschil – opgenomen dat partijen in overweging nemen dat:

"(…)

  • -

    partijen het naast de statutaire bepalingen voor de verwezenlijking van het statutaire doel der op te richten naamloze vennootschap geboden achten dat enkele zaken van praktische aard, waarvoor in de statuten geen plaats is, tussen en door hen bindend worden vastgelegd;

  • -

    partijen daarbij met name denken aan het continueren van enkele publiekrechtelijke verplichtingen hunnerzijds, zoals deze thans voor hen uit hoofde van de gemeenschappelijke regeling voormeld [de Regeling] bestaan;

  • -

    partijen daarnaast onder meer de verhandelbaarheid van de aandelen der op te richten naamloze vennootschap willen beperken alsmede zich garant willen stellen in verband met het verkrijgen van de zogenaamde B3-status (…);

  • -

    partijen, teneinde bovenstaande te realiseren, hebben gekozen voor vastlegging van het hierbij overeengekomene in een convenant, dat hen als publiekrechtelijke aandeelhouders per datum van de oprichting der naamloze vennootschap als zogenaamd aandeelhoudersconvenant zowel jegens elkaar als jegens de vennootschap zal binden zoals zij uit hoofde van de gemeenschappelijke regeling jegens elkaar worden gebonden;".

In artikel 2 van het Convenant is bepaald:

"a. De vennootschap behoeft van partijen geen vergunning, concessie of toestemming in enigerlei vorm voor de realisering van het statutaire doel der vennootschap. (…)

b. Onder "vergunning, concessie of toestemming in enige andere vorm" zijn in dit geval niet begrepen de voor het aanleggen en/of hebben van werken te geven toestemmingen of anderszins die nodig zijn op grond van een ander motief dan dat van de doelmatige drinkwatervoorziening."

Artikel 5 van het Convenant luidt:

"a. Voor zover partijen retributies heffen voor het hebben van voorwerpen in, op of boven voor de openbare dienst bestemde grond en/of water zullen deze, voor wat betreft voorwerpen, welke door of ten behoeve van de vennootschap zijn gelegd, door de betrokken partijen aan de vennootschap worden terugbetaald.

b. Partijen zullen voorts indien nodig hun medewerking geven aan het verlenen van vergunningen, ontheffingen of anderszins aan de vennootschap voor het hebben van bedoelde voorwerpen."

3.7.

Artikel 2 van de statuten van WMN (productie 12 bij inleidende dagvaarding) luidde destijds – voor zover relevant voor de beoordeling van het geschil – als volgt:

"1. De vennootschap heeft ten doel de verzorging van een doelmatige drinkwatervoorziening in Midden-Nederland (…).

5. Bij het nastreven van het in lid 1 van dit artikel omschreven doel zal de vennootschap binnen het kader van een maatschappelijk verantwoord beleid, zonder daarbij het winststreven voorop te stellen, op evenwichtige wijze rekening houden met het algemeen belang, de belangen van haar aandeelhouders, afnemers en medewerkers (…) en met hun gezamenlijk belang bij haar continuïteit."

3.8.

In november 2013 heeft de Gemeente aan Vitens het voornemen kenbaar gemaakt om vanaf 2014 precariorecht te gaan heffen op de aanwezigheid van waterleidingen van Vitens in grond van de Gemeente.

3.9.

Bij brief van 23 april 2014 (productie 9 bij inleidende dagvaarding) heeft de Gemeente aan Vitens het volgende bericht:

"(…) Teneinde met ingang van 1 november 2014 de precario te kunnen heffen, zeggen wij bij deze het aandeelhoudersconvenant uit 1988 (…) op per 31 oktober 2014 . De overige partijen bij het aandeelhoudersconvenant zullen door ons bij afzonderlijke brief op de hoogte worden gesteld van deze opzegging. (…)"

3.10.

Op 5 januari 2016, 22 juni 2016 en 18 september 2017 - dus na het eindvonnis - heeft de heffingsambtenaar van de Gemeente betreffende de jaren 2015, 2016 en 2017 Vitens aanslagen precariobelasting opgelegd ter hoogte van respectievelijk € 335.366,00, € 335.366 en € 248.384,00 (producties 18, 19 en 20 bij memorie van grieven).

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

Vitens heeft in eerste aanleg gevorderd (na wijziging van eis bij conclusie van repliek:

  1. voor recht te verklaren dat de opzegging door de Gemeente van het Convenant per 31 oktober 2014 geen rechtsgevolgen heeft;

  2. voor recht te verklaren dat:

  3. de Gemeente met een eventuele precarioheffing toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van het Convenant en/of jegens Vitens onrechtmatig handelt;

  4. de Gemeente gehouden is de schade te vergoeden die Vitens lijdt als gevolg van die toerekenbare tekortkoming en/of dat onrechtmatig handelen, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

Vitens heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat de gemeente het Convenant, dat in de weg staat aan de heffing van precarioheffing, niet (rechtsgeldig) heeft kunnen opzeggen.

4.2.

De Gemeente heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen.

4.3.

Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het Convenant kwalificeert als een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd en dat uitgangspunt is dat een dergelijke overeenkomst kan worden opgezegd. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen evenwel met zich meebrengen dat een duurovereenkomst slechts kan worden opgezegd indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond aanwezig is, dan wel dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot het betalen van een vergoeding.

Na weging van hetgeen partijen hebben aangevoerd is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de Gemeente het Convenant zonder zwaarwegende grond heeft kunnen opzeggen, dat de in acht genomen opzegtermijn van zes maanden in de gegeven omstandigheden redelijk is en dat de Gemeente niet gehouden was de opzegging gepaard te laten gaan met een vergoeding.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1.

Vitens heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd en concludeert tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen.

De Gemeente heeft de grieven bestreden.

5.2.

Het beoordelingskader staat in hoger beroep niet ter discussie. Of, en zo ja, onder welke voorwaarden een duurovereenkomst opzegbaar is, wordt bepaald door de inhoud ervan en door de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen. Indien, zoals hier, wet en overeenkomst niet voorzien in een regeling van de opzegging, geldt dat de overeenkomst in beginsel opzegbaar is. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat. Uit diezelfde eisen kan, eveneens in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, voortvloeien dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding.

Het voorgaande neemt niet weg dat een voor onbepaalde tijd gesloten duurovereenkomst naar de bedoeling van partijen niet-opzegbaar kan zijn, met dien verstande dat de wederpartij van degene die zich op de niet-opzegbaarheid beroept, onder omstandigheden daartegen een beroep kan doen op de artikelen 6:248 lid 2 BW (de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid) en 6:258 BW (onvoorziene omstandigheden). De stelplicht en bewijslast ter zake rusten op degene die betoogt dat zodanige overeenkomst niet opzegbaar is.

Is voor opzegging een zwaarwegende grond vereist?

5.3.

Met grief 1 voert Vitens aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Gemeente geen zwaarwegende grond voor opzegging van het Convenant nodig had. Volgens Vitens heeft de rechtbank het maatschappelijke belang dat Vitens probeert te beschermen miskend. Daartegenover is het financiële belang dat de Gemeente bij opzegging van het Convenant heeft, namelijk het sluitend maken van haar begroting, volgens Vitens onvoldoende zwaarwegend.

5.4.

Het hof overweegt dat uit de aard van het Convenant volgt dat deze is aangegaan met het oog op een langdurige samenwerking tussen partijen ten gunste van een doelmatige openbare drinkwatervoorziening. De infrastructuur daarvoor is bestemd om duurzaam aanwezig te zijn. Vitens heeft een in de Drinkwaterwet nauw omschreven taak en dient een duurzame en doelmatige drinkwatervoorziening tot stand te brengen en te houden, zoals ook de daarvoor noodzakelijke infrastructuur. Vitens heeft uit de inhoud van het Convenant afgeleid en ook redelijkerwijs mogen afleiden dat zij voor de uitvoering van haar taak kabels en leidingen in de gemeentegrond mocht hebben, waarvoor zij tijdens de daarvoor benodigde ligduur geen vergoeding aan de gemeente verschuldigd was of zou worden.

Dit is ook in lijn met de maatschappelijke opvattingen, zoals deze blijken uit de per 1 juli 2017 in werking getreden Wet tot wijziging van de Gemeentewet, de Provinciewet en de Waterschapswet in verband met het beperken van de heffingsbevoegdheid van precariobelasting voor enige openbare werken van algemeen nut (Stb. 2017, 157). Artikel 228 lid 2 van de Gemeentewet bepaalt sindsdien dat – uiterlijk per 1 januari 2022, gezien de overgangsregeling - geen precariobelasting wordt geheven ter zake van (onder meer) de infrastructuur, bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Drinkwaterwet.

Bij het Convenant is met de drinkwatervoorziening ook een groot maatschappelijk belang betrokken. Weliswaar is de voortzetting daarvan zonder het Convenant niet bij voorbaat in gevaar, maar Vitens heeft gesteld dat zij volgens de wettelijk gereguleerde tariefstructuur door haar gemaakte kosten doorberekent aan haar afnemers. Daardoor is het risico aanwezig dat deze afnemers van de opzegging mede de gevolgen zullen dragen en derhalve in hun belang bij een zo laag mogelijk drinkwatertarief worden geschaad. Het argument van de Gemeente dat het heffen van precario geen negatieve invloed heeft op het functioneren van Vitens en op het resultaat van Vitens en de dividenduitkeringen aan haar aandeelhouders, gaat voorbij aan dit maatschappelijke belang.

5.5.

De Gemeente heeft nog aangevoerd dat de opzegging van het Convenant niet van invloed is op haar bevoegdheid om precariobelasting te heffen, omdat artikel 5 van het Convenant slechts ziet op het heffen van retributie, niet op belasting (1) en omdat dat artikel de Gemeente slechts verplicht tot terugbetaling van een eventuele retributie en dus als zodanig niet in de weg staat aan de heffing van retributie/belasting (2).

Het hof verwerpt beide argumenten. Daartoe wordt in de eerste plaats overwogen dat de Gemeente zelf kennelijk van mening was dat zij het Convenant diende op te zeggen om belastingheffing mogelijk te maken. In haar brief van 23 april 2014 (hiervoor geciteerd in rechtsoverweging 3.9) bericht de gemeente aan Vitens immers dat zij het Convenant opzegt teneinde precariobelasting te kunnen heffen.

Retributies (rechten in de zin van artikel 229 lid 1 Gemeentewet) vormen een kostenvergoeding voor een concrete dienst. Die dienst zoals die moet worden begrepen in het Convenant (uit 1988) is het toestaan dat Vitens inbreuk maakt op het eigendomsrecht van de Gemeente. Sinds de wijziging per 1 januari 1995 van de Gemeentewet met betrekking tot de materiële belastingbepalingen (Stb. 1994, 419/420) wordt de voordien als retributie aangemerkte precarioheffing een belasting genoemd. Precariobelasting heeft (nog steeds) een retributief karakter. Het verschil in terminologie heeft dus enkel deze historische oorzaak. De Gemeente doet ten onrechte een beroep op dat verschil. Gezien de wetswijzing per 1 januari 1995 moeten onder de term retributies in artikel 5 van het Convenant - mede in aanmerking genomen de zin die partijen aan dat artikel redelijkerwijs mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien mochten verwachten - ook de huidige precariobelasting worden begrepen.

Voorts verenigt het hof zich met het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.3 van het bestreden vonnis dat, ook indien ervan wordt uitgegaan dat de tekst van het Convenant precarioheffing op zichzelf niet uitsluit, de Gemeente alsdan op grond van artikel 5 van het Convenant jegens Vitens gehouden is tot terugbetaling van het geheven bedrag, hetgeen er dan dus uiteindelijk op neerkomt dat Vitens geen precariorecht is verschuldigd. Zolang de Gemeente gebonden is aan het Convenant zal het resultaat zijn dat Vitens per saldo geen precariobelasting hoeft te betalen. De uiteindelijke inning van precarioheffing is dan ook alleen mogelijk na opzegging van het Convenant.

Het argument van de Gemeente dat Vitens, die ondanks het Convenant ook vóór de opzegging steevast aan de Gemeente toestemming vroeg voor de aanleg van leidingen, zelf ervan uitging dat het Convenant niet meer gold, althans dat het Convenant kon worden opgezegd, kan de Gemeente niet baten. Uit het feit dat Vitens kennelijk instemming van de Gemeente heeft gevraagd voor het verrichten van leidingwerkzaamheden, zoals blijkt uit de als productie 6 bij memorie van grieven in het geding gebrachte stukken, kan niet worden afgeleid dat Vitens zich op het standpunt stelde dat het Convenant een dode letter was, ook voor wat betreft de precariovrijstelling. Ook de Gemeente was de mening toegedaan dat het Convenant tussen partijen steeds gelding heeft gehouden. De Gemeente vond het immers aanvankelijk noodzakelijk om het Convenant op te zeggen teneinde precario te kunnen heffen. Een opvatting die het hof, blijkens het hiervoor overwogene, deelt.

5.6.

Gelet op de in rechtsoverweging 5.4 weergegeven feiten en omstandigheden is het hof van oordeel, anders dan de rechtbank, dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval in deze zaak meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat.

Is een zwaarwegende grond voor opzegging aanwezig?

5.7.

Vervolgens rijst de vraag of de Gemeente wel of geen zwaarwegende grond had om het Convenant op te zeggen. De Gemeente heeft aangevoerd dat haar belang tweeledig was. In de eerste plaats wilde de Gemeente met de van Vitens te heffen precariobelasting haar begroting sluitend maken zonder het hoeven verhogen van de onroerendezaakbelasting. In de tweede plaats wilde de Gemeente met dit nieuwe beleid bewerkstelligen, ter voorkoming van willekeur, dat alle eigenaren/exploitanten van kabels en leidingen in gemeentegrond gelijk werden behandeld, zowel ten aanzien van benodigde vergunningen als ten aanzien van de kosten voor het hebben van kabels en leidingen in gemeentegrond.

5.8.

Het hof stelt voorop dat niet in de hiervoor geciteerde brief van 23 april 2014 en ook niet in de daaraan voorafgegane correspondentie van de Gemeente aan Vitens kenbaar wordt gemaakt dat de wens van de Gemeente om alle eigenaren/exploitanten van kabels en leidingen in gemeentegrond gelijk te gaan behandelen, mede aanleiding was tot opzegging van het Convenant. Alleen de financiële beweegreden komt daarin naar voren. De door de Gemeente gewenste gelijke behandeling kan reeds daarom jegens Vitens niet als opzeggingsgrond worden aangemerkt.

Bovendien is het hof van oordeel dat de Gemeente het argument dat de opzegging van het Convenant er ook toe diende om willekeur tegen te gaan, onvoldoende heeft onderbouwd. Onduidelijk is gebleven om welke eigenaren/exploitanten van kabels en leidingen het gaat en wat voor hen de gevolgen zijn (financieel en anderszins) van de beleidswijziging die de Gemeente thans stelt te hebben beoogd. Hoe deze beleidswijziging zich verhoudt tot artikel 228 lid 2 van de Gemeentewet, zoals dat artikel thans luidt, heeft de Gemeente evenmin uit de doeken gedaan.

5.9.

Blijft over de wens van de Gemeente om na opzegging van het Convenant precariobelasting te kunnen heffen. Tegen de achtergrond van de belangen van Vitens, zoals hiervoor weergegeven in rechtsoverweging 5.4, acht het hof deze beweegreden onder de omstandigheden van het onderhavige geval onvoldoende zwaarwegend. Het belang inkomsten uit precariobelasting te genereren, kan de onderhavige opzegging niet rechtvaardigen.

5.10.

Gelet op het hiervoor overwogene slaagt grief 1. De opzegging van het Convenant heeft haar doel gemist omdat een (voldoende) zwaarwegende grond ontbrak. Door desondanks precariobelasting te heffen heeft de Gemeente in strijd gehandeld met het Convenant.

Voldoende aannemelijk is dat Vitens daardoor schade heeft geleden. Het hof zal de zaak daarom naar de schadestaatprocedure verwijzen, zoals Vitens gevraagd.

5.11.

Grief 2, inhoudende dat het Convenant volgens Vitens in het geheel niet opzegbaar was, kan onbesproken blijven.

6 De slotsom

6.1.

Nu grief 1 slaagt zal het hof het bestreden vonnis vernietigen en de vordering van Vitens alsnog toewijzen als hierna volgt.

6.2.

Als de in het ongelijk te stellen partij behoort de Gemeente de kosten van beide instanties te dragen. Daarmee slaagt ook grief 3.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van Vitens zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 77,52

- griffierecht € 608,00

- salaris advocaat € 2.260,00 (5 punten x tarief € 452,00)

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Vitens zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 77,75

- griffierecht € 718,00

- salaris advocaat € 1.180,00 (1,5 punten x tarief II)

6.3.

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde nakosten en de wettelijke rente daarover toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 4 mei 2016 en doet opnieuw recht als volgt:

verklaart voor recht dat de opzegging van het Convenant door de Gemeente op 23 april 2014 niet rechtsgeldig is en dat deze opzegging derhalve zonder rechtsgevolg is gebleven;

verklaart voor recht dat de Gemeente met het heffen van precariobelasting toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen uit het Convenant, alsmede dat de Gemeente gehouden is de schade te vergoeden die Vitens als gevolg daarvan lijdt en heeft geleden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

veroordeelt de Gemeente in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van Vitens wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 685,52 voor verschotten en op € 452,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 795,75 voor verschotten en op € 1.180,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt de Gemeente in de nakosten, begroot op € 157,00, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval de Gemeente niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. Rousseau, O.G.H. Milar en R.M. Wagemakers en is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2021.