Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:7373

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-08-2021
Datum publicatie
13-09-2021
Zaaknummer
Wahv 200.275.072/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 5 Wahv. Wanneer de identiteit van de bestuurder door de ambtenaar is vastgesteld, wordt aan hem de sanctie opgelegd. Voor identificatie is een staandehouding niet altijd nodig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.275.072/01

CJIB-nummer

: 220862003

Uitspraak d.d.

: 3 augustus 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 4 december 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie had moeten vernietigen wegens schending van de informatieplicht. De foto’s zijn pas in de procedure bij de kantonrechter overgelegd, terwijl deze in administratief beroep al overgelegd hadden moeten worden. De betrokkene is daardoor in zijn verdedigingsbelangen geschaad. Ook de sanctiebeschikking kan om deze reden niet in stand blijven.

2. Het is vaste rechtspraak dat de officier van justitie, op grond van artikel 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in de fase van het administratief beroep op verzoek van de indiener van het beroepschrift gehouden is de op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken. In zaken als deze gaat het om een zaakoverzicht en (indien van toepassing) een foto van de gedraging.

3. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in het administratief beroepschrift heeft verzocht om toezending van alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Het zaakoverzicht vermeldt dat de bijlage een fotografische opname bevat. Niet kan worden vastgesteld dat deze fotografische opname in administratief beroep aan de gemachtigde is verstrekt. Aldus is sprake van een schending van de informatieplicht.

4. Anders dan de kantonrechter heeft overwogen, is het hof van oordeel dat de beslissing van de officier van justitie niet met toepassing van artikel 6:22 van de Awb in stand kan worden gelaten. De informatieplicht van de officier van justitie waarborgt de verdedigingsbelangen van de betrokkene. Aan de hand van gegevens in de op de zaak betrekking hebbende stukken wordt een betrokkene in staat gesteld zich adequaat te verweren aangaande het verwijt dat hem wordt gemaakt. Schending van dit recht kan niet met een beroep op artikel 6:22 Awb worden gepasseerd, ook niet wanneer deze stukken in een vervolgprocedure alsnog zijn verstrekt, zoals in dit geval. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie vernietigen.

5. Vervolgens gaat het hof over tot de beoordeling van het beroep tegen de inleidende beschikking. De stelling van de gemachtigde dat de schendig van de informatieplicht ook dient te leiden tot vernietiging van de inleidende beschikking vindt geen steun in het recht. Schending van de informatieplicht betreft immers een gebrekkige totstandkoming van de beslissing van de officier van justitie en niet van de inleidende beschikking.

6. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “Handelen in strijd met een geslotenverklaring (bord C2 van het RVV 1990. Eenrichtingsverkeer)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 30 september 2018 om 16:45 uur op de Wilhelminastraat in Gouda met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

7. De gemachtigde voert aan dat de sanctie ten onrechte aan de betrokkene als bestuurder is opgelegd. Uit artikel 5 van de Wahv volgt namelijk dat indien niet aanstonds een staandehouding kan plaatsvinden, de sanctie aan de kentekenhouder dient te worden opgelegd. De gedraging is geconstateerd om 16:45 uur. Pas om 20:55 uur is de betrokkene staande gehouden. Dat is uren later. De ambtenaar dient de sanctie op te leggen op het moment dat de gedraging wordt geconstateerd, al dan niet aan de kentekenhouder, als er op dat moment geen staandehouding kan plaatsvinden.

8. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Wij, verbalisanten [naam1] en [naam2] , zagen op 30 september 2018 omstreeks 16:45 uur een motorscooter de Wilhelminastraat in rijden. (…) Ik, [naam2] , herkende de bestuurder direct ambtshalve als zijnde [betrokkene] van [geboortedatum] 1995. Ik, [naam2] , heb veelvuldig te maken gehad met [betrokkene] . Hierbij heb ik hem minimaal 10 keer persoonlijk gesproken en/of gegroet, waarbij hij zich op een afstand van minder dan 5 meter van mij bevond. Daarnaast heb ik hem zeker 30 keer gezien tijdens mijn werkzaamheden op straat. Op 27 september 2018 zag ik, [naam2] , [betrokkene] voor de coffeeshop aan de Wilhelminastraat in Gouda staan. De Wilhelminastraat betreft een eenrichtingsweg, uitgezonderd voor fietsers. [betrokkene] handelde in strijd met bord C2.

Wij, verbalisanten, zagen dat [betrokkene] ons aankeek op het moment dat hij ons passeerde. Tevens zagen wij dat hij achterom keek toen hij van ons weg reed. Door de snelheid waarmee hij van ons weg reed, konden wij geen verklaring opnemen.

Hierop spraken wij met de eigenaar van het voertuig, die voor de coffeeshop op de Wilhelminastraat stond. Hij vertelde zijn motorscooter te hebben uitgeleend. Door het opvragen van het kenteken was mij bekend dat hij de eigenaar van het voertuig betrof, waarop [betrokkene] nu reed.

(…)

Ik, [naam2] , ben later op de avond, omstreeks 20:55 uur, teruggegaan naar de coffeeshop op de Wilhelminastraat, alwaar ik de bestuurder van de motorscooter, [betrokkene] , wederom herkende. Ik heb hem mede gedeeld dat hij bekeurd werd voor onder andere de geslotenverklaring en heb hierbij naar zijn rijbewijs gevraagd, dat hij mij overhandigde.

(…)

Personalia conform: Rijbewijs.”

9. Voorts bevindt zich in het dossier een afdruk van de bon. Als bijlage daarbij zijn twee foto’s gevoegd. Op de eerste foto is het rijbewijs van de betrokkene te zien. De tweede foto betreft een afbeelding van de Wilhelminastraat afkomstig van Google Maps Streetview, waarop een bord C2 is te zien.

10. Het hof stelt voorop dat de stelling van de gemachtigde dat indien niet aanstonds een staandehouding kan plaatsvinden, de sanctie aan de kentekenhouder moet worden opgelegd, berust op een verkeerde lezing van artikel 5 van de Wahv.

11. Artikel 5 van de Wahv bepaalt dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken in het kentekenregister was ingeschreven.

12. In dit geval heeft de ambtenaar de identiteit van de bestuurder wel degelijk aanstonds kunnen vaststellen. De ambtenaar heeft de bestuurder op het moment dat de gedraging werd geconstateerd immers herkend als de betrokkene. Dat er op dat moment geen staandehouding heeft plaatsgevonden, maakt dit niet anders. Het vaststellen van de identiteit van de bestuurder kan immers ook op andere wijze plaatsvinden dan tijdens een staandehouding. Aldus is de sanctie terecht aan de betrokkene als bestuurder opgelegd.

13. Het voorgaande brengt mee dat het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond zal worden verklaard.

14. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.