Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:734

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-01-2021
Datum publicatie
27-01-2021
Zaaknummer
21-001558-20
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2020:1225
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft het vonnis waarvan beroep bevestigd. Het hof acht oplegging van een TBS met voorwaarden passend en geboden. Het hof acht een behandeling als voorwaarde bij een voorwaardelijke gevangenisstraf niet geraden. Een gevangenisstraf is weliswaar een stok achter de deur, maar als verdachte zich niet aan de voorwaarden houdt, dan zal hij tijdens een detentie niet die (intensieve) behandeling krijgen die de onderzoekers noodzakelijk achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001558-20

Uitspraak d.d.: 27 januari 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 17 maart 2020 met parketnummer 18-750079-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

verblijvende te [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 13 januari 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis in eerste aanleg waarvan beroep. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. S.O. Roosjen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 17 maart 2020, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van 1) medeplegen van opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden en 2) belaging, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast is aan verdachte de maatregel van TBS met voorwaarden opgelegd. De voorwaarden zijn nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Deze maatregel is dadelijk uitvoerbaar verklaard. Tevens is aan verdachte de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (artikel 38z Sr) opgelegd.

Tot slot heeft de rechtbank de inbeslaggenomen voorwerpen verbeurdverklaard en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] volledig toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof bevestigt het vonnis

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit bevestigen, met dien verstande dat het hof een nadere overweging met betrekking de oplegging van de maatregel van TBS met voorwaarden opneemt.

Nadere overweging

De raadsman heeft ter terechtzitting onder meer naar voren gebracht dat oplegging van de maatregel van TBS met voorwaarden door de rechtbank destijds voor verdachte goed is geweest. Mede door deze stok achter de deur heeft verdachte zich constructief opgesteld tijdens de behandeling zodat deze inmiddels al de nodige vruchten heeft afgeworpen. Verdachte heeft al veel geleerd. Hij voelt zich nog wel vaak (deels) achtergesteld en ervaart ook nog wel negatieve dingen, maar hij gaat hier tegenwoordig over in gesprek. Hij kan zijn emoties beter plaatsen. Uiteraard is de problematiek nog aanwezig, maar verdachte heeft daar inmiddels een goed inzicht in.

Verdachte is erg gemotiveerd en wil graag de behandeling afmaken, maar hij heeft er moeite mee dat deze behandeling gekoppeld is aan de maatregel van TBS met voorwaarden.

Verdachte is bang dat hij vanwege dit ‘etiket’ het contact met zijn dochter lastig zal kunnen herstellen. Ook maakt verdachte zich zorgen over het op termijn kunnen vinden van een baan. Verdachte wil graag werken in de Zorg, maar het etiket van de maatregel van TBS kan het verkrijgen van een verklaring omtrent het gedrag bemoeilijken.

Omdat verdachte erg gemotiveerd is de behandeling af te maken kan naar het oordeel van de raadsman worden volstaan met een (lange) voorwaardelijke gevangenisstraf, met daaraan gekoppeld de voorwaarden zoals bepaald door de rechtbank. Een voorwaardelijke gevangenisstraf is voldoende stok achter de deur, omdat verdachte de eerdere detentie als erg zwaar heeft ervaren.

Het hof overweegt als volgt:

Uit het NIFP-rapport (locatie Pieter Baan Centrum, verder: PBC-rapport) blijkt dat de onderzoekers een intensieve behandeling van verdachtes persoonlijkheidsproblematiek adviseren en dat er wordt ingeschat dat deze behandeling meerdere jaren zal duren. Aangezien verdachte eerdere behandelingen steeds uit de weg is gegaan wordt tevens ingeschat dat verdachte zonder stok achter de deur wederom zal terugvallen op zijn insufficiënte coping van somatisatie en vermijding. Hierdoor zal het door onderzoekers vastgestelde recidivegevaar hoog blijven. Aangezien onderzoekers het noodzakelijk achten dat verdachte voor zijn problematiek behandeld wordt zien zij TBS met voorwaarden als het kader waarin de behandeling optimaal gewaarborgd wordt.

Uit het behandelplan d.d. 6 augustus 2020 blijkt dat verdachte gemotiveerd is om niet meer in delictgedrag te vervallen. Drs. L. Vreugdenhil (GZ-psycholoog) ziet dat verdachte zijn best doet in de behandeling, maar ziet ook dat hij het moeilijk vindt om verantwoordelijkheid te nemen voor zijn behandeling en om zich echt in de kaarten te laten kijken. Verdachte vindt het moeilijk dat hij zelf aan het roer staat van zijn eigen leven.

Ook uit de Wettelijke Aantekeningen over de periode van 21 september 2020 tot en met 14 december 2020 blijkt dat verdachte deels een positieve ontwikkeling heeft laten zien. Echter, ook hier wordt geconstateerd dat het verdachte lukt om naar delictdynamiek (de interactionele patronen) te kijken, maar dat het hem zeer moeilijk valt om onaangepaste kanten in zijn persoonlijkheid onder ogen te zien. Het zelf initiatief nemen om interactionele patronen te bespreken is voor verdachte zeer ingewikkeld, omdat dit direct raakt aan het fragiele zelfbeeld. Het team ziet dat verdachte aan het werk is met zijn behandeldoelen en dat overeenstemming bestaat waar het over moet gaan, maar het team ziet ook dat zijn copingstijl (vermijdend gedrag) hem ook nog in de weg zit om moeilijke zaken werkelijk bespreekbaar te maken. Thema’s als boosheid en krenking zijn mede daardoor nog onvoldoende uitgewerkt en behandeld.

Uit het voorgaande leidt het hof af dat verdachte gemotiveerd is voor de behandeling en dat hij erg zijn best doet en al de nodige stappen heeft gemaakt. Dit is ook de indruk die de verdachte op het hof heeft achtergelaten. Hij is ter zitting in staat gebleken, veel meer dan voorheen, te kunnen reflecteren op zijn gedrag, Echter blijkt ook dat verdachte in moeilijke situaties (nog) geneigd is om terug te vallen op het vermijden. Ook uit het PBC-rapport blijkt dat een terugval in motivatie door oplopende angsten niet uitgesloten kan worden. Het hof leidt uit het voorgaande af dat verdachte ondanks zijn motivatie thans nog onvoldoende stevig genoeg in zijn schoenen staat de behandeling met ‘slechts’ een langdurige voorwaardelijke gevangenisstraf als stok achter de deur te kunnen voltooien. Het hof neemt in de beoordeling ook mee dat de onderzoekers van het PBC hebben ingeschat dat de behandeling van verdachte, die is gestart op 29 juni 2020, meerdere jaren zal gaan duren en veel van verdachte zal vergen. Het hof acht een behandeling als voorwaarde bij een voorwaardelijke gevangenisstraf derhalve niet geraden. Een gevangenisstraf is weliswaar een stok achter de deur, maar als verdachte zich niet aan de voorwaarden houdt, dan zal hij tijdens een detentie niet die (intensieve) behandeling krijgen die de onderzoekers noodzakelijk achten. Nu deze behandeling noodzakelijk is voor verdachte teneinde op enig moment met zijn problematiek het leven het hoofd te bieden acht het hof de straf zoals opgelegd door de rechtbank passend en geboden.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep bevestigen.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr. L.T. Wemes, voorzitter,

mr. F. van der Maden en mr. J.S. van Duurling, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Pool, griffier,

en op 27 januari 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Van Duurling voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.