Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:703

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-01-2021
Datum publicatie
28-01-2021
Zaaknummer
200.286.283
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1:265b BW, uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.286.283

(zaaknummer rechtbank Gelderland 370436)

beschikking van 26 januari 2021

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S. van Oers te Nijmegen,

en

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Gelderland,

gevestigd te Arnhem,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. I.P. Rietveld te Arnhem.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 29 mei 2020 en 25 augustus 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 25 augustus 2020 wordt hierna ook de bestreden beschikking genoemd.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 25 november 2020;

- het verweerschrift van de GI;

- het verweerschrift van de vader.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 5 januari 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,

- [B] en [C] namens de GI,

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat.

De raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

3 De feiten

3.1

De moeder en de vader zijn de ouders van:

- [de minderjarige1] , geboren [in] 2015, en

- [de minderjarige2] , geboren [in] 2015.

De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.

3.2

Bij beschikking van 2 maart 2018 heeft de kinderrechter de kinderen voorlopig onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 2 maart 2018 tot 2 juni 2018.

3.3

Bij beschikking van 1 juni 2018 heeft de kinderrechter de kinderen onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 1 juni 2018 tot 1 juni 2019. Deze ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 29 mei 2020 tot 1 september 2020.

3.4

Bij beschikking van 15 juni 2020 heeft de kinderrechter machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader met gezag verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling, tot 1 september 2020.

3.5

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader verlengd tot 1 juni 2021.

3.6

De kinderen wonen sinds 15 juni 2020 bij de vader.

4 De omvang van het geschil

4.1

De moeder is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof die beschikking te vernietigen voor zover het de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing betreft en, uitvoerbaar bij voorraad, dat verzoek van de GI alsnog af te wijzen.

4.2

De GI voert verweer en ver

zoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4.3

De vader voert ook verweer en verzoekt het hof het verzoek van de moeder in hoger beroep af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

5.2

De moeder kan zich met de verlenging van de uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader niet verenigen en voert daartoe het volgende aan. De moeder meent allereerst dat er geen noodzaak bestaat om de kinderen uit huis te plaatsen. De moeder erkent dat de kinderen last hadden van de echtscheidingsproblematiek van de ouders, maar nergens blijkt uit dat de kinderen daar bij de moeder meer last van hadden dan bij de vader en dat het beëindigen van het co-ouderschap de oplossing zou zijn. Een uithuisplaatsing is volgens de moeder een te vergaand middel; voor zover er aanleiding zou zijn de kinderen hoofdzakelijk bij de vader te laten verblijven, had met een schriftelijke aanwijzing kunnen worden volstaan. De moeder stelt bovendien dat de uithuisplaatsing is gebaseerd op onjuiste feiten, hetgeen zij in het beroepschrift nader heeft uiteengezet. De moeder heeft hulp van een coach en de hulpverlening door een psycholoog is afgerond. De moeder begrijpt daarom niet waarom zij van de GI een persoonlijkheidsonderzoek moet ondergaan. Ten slotte voert de moeder aan dat een uithuisplaatsing van de kinderen meer schade toebrengt dan continuering van het

co-ouderschap.

5.3

De GI realiseert zich dat de uithuisplaatsing van de kinderen ingrijpend is, maar er waren geen minder ingrijpende maatregelen mogelijk. Volgens de GI zijn er al jarenlang zorgen over de ontwikkeling van de kinderen als gevolg van de moeilijke verstandhouding tussen de ouders, waardoor de kinderen klem komen te zitten tussen de ouders. De GI heeft tijdens de ondertoezichtstelling ingezet op ondersteuning van de ouders bij de invulling van het ouderschap. De vader heeft zich altijd meewerkend opgesteld, de moeder doet dat veel minder en zij belast de kinderen met haar zorgen over de situatie bij de vader. Uiteindelijk is gekozen voor een uithuisplaatsing bij de vader, omdat hij de moeder wel ruimte kan bieden in haar moederrol en er geen zorgen zijn gebleken over de opvoedingssituatie bij de vader. Volgens de GI ziet de moeder haar rol in de ontstane ontwikkelingsbedreiging niet en ziet zij ook niet de impact van haar handelen op de kinderen. De GI hoopt dat de ingezette hulpverlening door [D] eraan zal kunnen bijdragen om de ouders nader tot elkaar te krijgen en dat het de moeder zal gaan lukken vertrouwen te krijgen in de vader.

5.4

De vader voert eveneens verweer. De vader stelt dat de kinderen door toedoen van de moeder last hadden van de echtscheidingsproblematiek tussen de ouders, omdat de moeder de kinderen opzette tegen de vader. De moeder suggereerde seksueel misbruik door de vader of zijn familie en liet de kinderen meermaals door de huisarts onderzoeken. De vader meent dat de moeder haar eigen angsten op de kinderen projecteert. Volgens de vader was een uithuisplaatsing de enige manier om de kinderen niet langer negatief te beïnvloeden. Anders dan de moeder stelt, blijkt volgens de vader uit het gedrag van de moeder ook niet dat zij open staat voor hulpverlening. Zo werkt de moeder niet mee aan een persoonlijkheidsonderzoek. Verder is bij de kinderen sprake van een ontwikkelingsachterstand en laten de kinderen bijzonder gedrag zien, waarvoor hulpverlening is opgestart. De school geeft volgens de vader aan dat de kinderen sinds de uithuisplaatsing veel meer rust uitstralen en dat zij blijer zijn.

5.5

Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen is het hof van oordeel dat de gronden voor uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn.

Het hof stelt voorop dat het bij de verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing op de weg van de moeder ligt om een wijziging van omstandigheden te stellen en deze wijziging nader te onderbouwen. Dat betekent dat de vraag of de GI ten tijde van de uithuisplaatsing had kunnen volstaan met minder vergaande maatregelen nu niet meer ter beoordeling aan het hof voorligt. Het hof stelt vast dat hulpverlening door [D] is gestart. [D] begeleidt de omgang tussen de moeder en de kinderen en helpt de ouders om hun onderlinge communicatie en vertrouwen te verbeteren. [D] ziet beweging bij de ouders en merkt dat het de ouders beter lukt om zich in elkaars positie te verplaatsen, maar volgens [D] hebben de ouders ook nog een lange weg te gaan. Daarnaast is [E] gestart met observaties van de kinderen, welke observaties eind januari 2021 zullen worden (zijn) geëvalueerd.

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof dat weliswaar sprake is van gewijzigde omstandigheden, namelijk dat hulpverlening is opgestart en dat de ouders hier baat bij lijken te hebben, maar ook dat het op dit moment het nog te vroeg is om te beslissen de kinderen terug te plaatsen bij de moeder. De positieve ontwikkelingen, waarvoor zowel de moeder als de vader zich zullen inzetten, zijn nog te pril en dienen eerst te bestendigen voordat de mogelijkheden om de kinderen weer bij de moeder te plaatsen kunnen worden onderzocht. Het hof is bovendien van oordeel dat het in het belang van de kinderen is dat zij nu eerst rust ervaren in hun opvoedingssituatie en dat zij kunnen profiteren van de ingezette hulpverlening.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 25 augustus 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.A. Eskes, A. Smeeing-van Hees en H. Phaff, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 26 januari 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.