Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:6847

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-07-2021
Datum publicatie
26-07-2021
Zaaknummer
21-000367-20
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2020:169, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Fraudezaak. Verdenking van verduistering. De verdachte heeft privéaankopen van de bankrekening van de hockeyvereniging betaald. Ook heeft verdachte bedragen gepind van die bankrekening. Verdachte heeft verklaard, dat hij bedragen die hij heeft voorgeschoten of die hij tegoed had wegens zijn werkzaamheden binnen de hockeyclub, weer heeft teruggeboekt naar zichzelf of verrekend door betalingen te doen vanaf de rekening van de club ten behoeve van zichzelf. Hoewel voormelde gang van zaken ongebruikelijk, niet transparant en uit financieel oogpunt niet correct is en zulks mitsdien de nodige vragen oproept, kan het hof - met name tegen de achtergrond van de in hoger beroep ingebrachte producties – het alternatieve scenario van verdachte niet uitsluiten of als niet aannemelijk, ongeloofwaardig of onwaarschijnlijk ter zijde schuiven, terwijl het voorts niet zonder meer wordt weerlegd door de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. Het hof spreekt vrij van verduistering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000367-20

Uitspraak d.d.: 1 juli 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 21 januari 2020 met parketnummer 16-149468-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1961,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 juni 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C.R. Pirone, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hoger beroep van verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de partiële vrijspraken door de rechtbank van het tenlastegelegde voor zover dat betrekking heeft op:

  • -

    de vrijwilligersvergoeding aan [naam 1] , te weten een geldbedrag van € 4.625,00;

  • -

    de vrijwilligersvergoeding 2014 tot en met 2017, te weten een geldbedrag van

€ 3.075,00.

Met de advocaat-generaal en de raadsman leest het hof de tenlastelegging aldus dat de daar omschreven delicten dienen te worden begrepen als cumulatief ten laste gelegd. Het hof is van oordeel dat voorgenoemde partiële vrijspraken derhalve als beschermde vrijspraken moeten worden beschouwd. Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dat tegen de beschermde vrijspraken is gericht.

De tenlastelegging

Aan verdachte is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, tenlastegelegd dat:

Hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 18 november 2017 te Vianen, in elk geval in Nederland, alleen, althans tezamen en in vereniging met (een) ander(en), meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk, een of meer geldbedrag(en) te weten;

- een geldbedrag van 1.500,00 euro (PV Relaas, aanschaf auto), en/of

- een geldbedrag van 976,38 euro (PV Relaas, onderhoud auto), en/of

- een geldbedrag van 10.340,00 euro (PVB-1, contante geldopnames 2014 tot en met 2017 (p. 142 en p. 143)), en/of

- een geldbedrag van 121,40 euro (PV Relaas, aanschaf autobanden), en/of

een geldbedrag van 2.143,71 euro (PV Relaas, betaling KNHB ), en/of

- een geldbedrag van 19.250,00 euro (PVB-23, overboekingen m.b.t. schoonmaak), en/of

- een geldbedrag van 481,68 euro (PVB-1, Makro bestellingen), en/of

- een geldbedrag van 109,00 euro (PV Relaas, betaling CJIB ), en/of

- een geldbedrag van 351,83 euro (PV Relaas, betaling IKEA ), en/of

- een geldbedrag van 90,00 euro (PV Relaas, contributie D66 )

althans enig(e) geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan [club] Vianen , in elk geval aan een ander dan verdachte en/of mededader(s), welk(e) geldbedrag(en) verdachte en/of mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten als voorzitter en/of bestuurder onder zich had/hadden, zich wederrechtelijk heeft/hebben toegeëigend.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

De advocaat-generaal acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Hij voert aan dat er in de administratie geen kwitanties zijn aangetroffen, die het alternatieve scenario van verdachte steunen. Er is voorts geen reden om te twijfelen aan de verklaring van getuige [penningmeester] of aan de volledigheid van het politieonderzoek. De décharge is alleen verleend ten aanzien van de stukken die aan de kascommissie zijn voorgelegd.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Verdachte had toestemming om de gelden op te nemen of over te maken vanwege een soort van “rekening-courant afspraken” die door de medebestuurders en (kas-) commissieleden met hem waren gemaakt: verdachte schoot vanwege financiële problemen van [club] gelden voor, verrichtte werkzaamheden en maakte onkosten, die hij later weer verrekende met opnames of uitgaven van clubmiddelen voor privédoeleinden. De hockeyclub hanteerde ook naar anderen dergelijke onorthodoxe manieren om vergoedingen uit te betalen en contante betalingen te verrichten, zoals blijkt uit een aantal overgelegde emailberichten over vrijwilligersvergoedingen. De verdediging acht de ontkennende getuigenverklaring van penningmeester [penningmeester] met betrekking tot de geschetste financiële gang van zaken volstrekt ongeloofwaardig; uit geen van de verslagen van de Algemene Ledenvergadering of andere financiële stukken blijkt van tekorten die het gevolg zouden zijn van malversaties van verdachte. Bovendien verleende de kascontrolecommissie jaarlijks décharge, waarbij de financiële situatie van de club uitvoerig werd besproken. De ingediende administratie van de vereniging is tot slot aantoonbaar onvolledig waardoor de grondslag aan de verdenking komt te ontvallen.

Het hof overweegt het volgende. Verdachte heeft consequent verklaard dat hij wegens financiële problemen van de hockeyclub bedragen heeft moeten voorschieten. De bedragen die hij heeft voorgeschoten of die hij tegoed had wegens zijn werkzaamheden binnen de hockeyclub, boekte hij vervolgens weer terug naar zichzelf of werden verrekend door vanaf de rekening van de club betalingen te doen ten behoeve van zichzelf. Volgens verdachte waren de overige bestuursleden op de hoogte van deze gang van zaken en werd deze handelswijze ook goedgekeurd. Aldus heeft verdachte hetgeen aan hem is tenlastegelegd bestreden met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen die niet stroken met een bewezenverklaring.

Een rechter zal, indien hij desondanks tot een bewezenverklaring komt, die alternatieve gang van zaken dienen te weerleggen. Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft.

Ter onderbouwing van de alternatieve lezing van verdachte heeft de raadsvrouw van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep een aantal bijlages bij haar pleitnotities ingebracht. Het hof heeft met name acht geslagen op bijlage 2 bevattende een aantal e-mail berichten met o.a. de volgende inhoud:

- onderwerp: RE: trainer/coach H1 [club]

“ Beste [naam 3]

(...)

“We zijn aan het bekijken hoe we het contract kunnen vormgeven (netto uurtarief 18,50 / netto totaal € 4.995,-). We kunnen dit verdelen over een aantal, bijvoorbeeld 2, vrijwilligerscontracten van max € 1.500,- (dit is het maximale vrijwilligersbijdrage). Eventueel op verschillende namen, vrouw/vriendin? En de rest via een hoog bedrag aan reiskosten vergoeden. Heb jij een voorstel?

(…)

Gr [naam 4]

- Onderwerp: voorstel uitbetaling [naam 5]

“ Hallo [naam 6]

(…)

[naam 7] (en [naam 3] , [naam 8] , ik, o.a.) krijgt 10 maanden een vast bedrag uitbetaald.

Met [naam 5] kunnen we ook 2 contracten maken, een op zijn naam, 150 euro x 10 maanden.

Een op naam van zijn relatie, ook 150 euro x 10 maanden.

Rest bedrag via declaratie onkostenvergoeding

(…)

Groeten [naam 9]

- Onderwerp: RE: voorstel

“ Hoi [naam 6]

Voor betaling zelfde voorstel als bij [naam 3] .

Liefst enkele personen (familie/ouders) vinden aan wie de vrijwilligersvergoeding betaald kan worden, de rest via onkostenvergoedingen.

gr [verdachte] ”

Uit hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht middels de pleitnotities en dan met name de hiervoor (deels) weergegeven bijlage 2, blijkt dat er binnen de hockeyvereniging sprake was van meerdere onduidelijke geldstromen. Uit de verscheidene e-mailberichten volgt dat de bestuurders en commissieleden zochten naar allerlei manieren om de vastgestelde maximale vrijwilligersbijdrage te omzeilen, bijvoorbeeld door meerdere vrijwilligerscontracten af te sluiten eventueel onder andere namen dan die van de begunstigde zelf. Nu hiermee naar het oordeel van het hof vast staat dat het met de vastgestelde maximale vrijwilligersbijdrage niet erg nauw werd genomen, is naar het oordeel van het hof niet onaannemelijk dat ook op het gebied van andere financiële aangelegenheden werd gehandeld op een wijze zoals door verdachte geschetst. Alhoewel de betreffende e-mailberichten dateren van voor de tenlastegelegde periode en slechts zien op de vrijwilligersbijdrage, bieden zij dan ook in zoverre wel steun aan de alternatieve lezing van verdachte dat de door hem geschetste (financiële) gang van zaken binnen de hockeyclub niet ongebruikelijk was.

Het hof merkt daarbij het volgende op. Ondanks de vaststelling dat er sprake was van verschillende (onduidelijke) geldstromen, blijkt uit de administratie van de hockeyclub niet hoe voorgenoemde geldstromen exact georganiseerd werden. Dat uit die administratie ook de handelswijze van verdachte niet duidelijk naar voren komt, is daarmee niet meer zonder meer redengevend voor het bewijs.

Hoewel voormelde gang van zaken ongebruikelijk, niet transparant en uit financieel oogpunt niet correct is en zulks mitsdien de nodige vragen oproept, kan het hof – met name tegen de achtergrond van de in hoger beroep ingebrachte producties – het alternatieve scenario van verdachte niet uitsluiten of als niet aannemelijk, ongeloofwaardig of onwaarschijnlijk ter zijde schuiven, terwijl het voorts niet zonder meer wordt weerlegd door de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

Alles overwegende heeft het hof uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het vorenstaande sluit overigens niet uit dat verdachte (en de overige bestuurs- en commissieleden) mogelijk wel civielrechtelijk (bestuurdersaansprakelijkheid) verantwoordelijk kan (kunnen) worden gehouden voor zijn (hun) handelingen.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de vrijspraken met betrekking tot de vrijwilligersvergoeding aan [naam 1] (te weten een geldbedrag van € 4.625,00) en de vrijwilligersvergoeding 2014 tot en met 2017 (te weten een geldbedrag van € 3.075,00).

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen door

mr. R.D.J. Visschers, voorzitter,

mr. A.B.A.P.M. Ficq en mr. S. Bek, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H.E. Schoenmakers, griffier,

en op 1 juli 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.