Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:6764

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-07-2021
Datum publicatie
23-07-2021
Zaaknummer
200.268.575
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pachter (appellant) heeft percelen land geliberaliseerd gepacht voor de duur van twee jaar. Daarna zijn pachter en verpachter een vennootschap onder firma (vof) aangegaan. Volgens appellant is daarbij de pachtverhouding onveranderd voortgezet en hij vordert vastlegging van een reguliere pachtovereenkomst. Het hof oordeelt dat het aangaan van de vof slechts een fiscale constructie was en dat de civielrechtelijke rechtsverhouding tussen pachter en verpachter inderdaad (vrijwel) ongewijzigd is voortgezet. Het hof legt een reguliere pachtovereenkomst vast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvAR 2021/8078, UDH:TvAR/17024 met annotatie van J.W.A. Rheinfeld
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.268.575

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen 7423205)

arrest van de pachtkamer van 13 juli 2021

in de zaak van

1 [appellant 1]
2. [appellant 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna samen [appellant] (enkelvoud) en apart [appellant 1] en [appellant 2] ,

advocaat: mr. B. Nijman,

tegen:

de erven [A] :
1. [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. N.S. Commijs

3. [geïntimeerde 3],

wonende te [woonplaats] ,

niet verschenen,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna: de erven.

1 Kern van de zaak en de beslissing

1.1

[appellant] heeft van [A] percelen land geliberaliseerd gepacht voor de duur van twee jaar.. Daarna zijn [appellant] en [A] een vennootschap onder firma (vof) aangegaan. Volgens [appellant] is daarbij de pachtverhouding onveranderd voortgezet en hij vordert vastlegging van een reguliere pachtovereenkomst. Het hof oordeelt dat het aangaan van de vof slechts een fiscale constructie was en dat de civielrechtelijke rechtsverhouding tussen [appellant] en [A] inderdaad (vrijwel) ongewijzigd is voortgezet. Het hof legt een reguliere pachtovereenkomst vast.

1.2

Hierna legt het hof zijn oordeel uit. Eerst vermeldt het hof nog wat er in de procedure in hoger beroep is gebeurd.

2 Het procesverloop tot nu toe

2.1

Het hof heeft op 10 november 2020 een tussenarrest gewezen. Daarin heeft het hof het procesverloop tot dan toe beschreven en een zitting aangekondigd. Het hof heeft [appellant] verder bij e-mail van 17 mei 2021 verzocht [fiscalist] van Alfa Accountants mee naar de zitting te nemen.

2.2

Op 20 mei 2021 heeft de zitting plaatsgevonden waarvan een verslag is gemaakt. Partijen hebben daarna geprobeerd het alsnog eens te worden. Dat is niet gelukt. Ten slotte heeft [appellant] het hof gevraagd uitspraak te doen. Een akteverzoek van de erven is geweigerd. Daarna heeft het hof arrest bepaald.

3 De beoordeling van het hoger beroep

Inleiding

3.1

[A] komt uit een gezin van vijf zonen, te weten [A] , [B] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] . [A] woonde met zijn broer [B] in de ouderlijke boerderij “ [naam boerderij] ”. Zij hadden samen ongeveer 15 ha in eigendom uit de ouderlijke boedel.

3.2

In 2015 is [B] overleden en [A] was zijn enige erfgenaam. [A] is zelf op 26 december 2017 overleden op 78-jarige leeftijd. Zijn broers [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zijn zijn erfgenamen. [geïntimeerde 3] heeft in deze procedure verstek laten gaan. Dat betekent dat hij niet meedoet in de procedure, maar dat het arrest ook voor hem geldt.

3.2

[appellant 1] is de zoon van [geïntimeerde 3] en daarmee neef van [A] . [appellant 1] heeft met [appellant 2] een eigen agrarische onderneming niet ver van de boerderij van [A] en (tot 2015) [B] . [appellant 1] verrichtte ook voor 2015 al langere tijd werk op die boerderij, grotendeels als loonwerker, maar ook in de vorm van allerlei hand- en spandiensten.

3.3

Na het overlijden van [B] hebben [A] en [appellant] een tweejarige geliberaliseerde pachtovereenkomst gesloten waarbij [appellant] met ingang van 1 januari 2015 12,5 ha pachtte tegen een pachtsom van € 6.204,50. Op 21 april 2017 hebben [A] en [appellant] bij akte een vennootschap onder firma opgericht onder begeleiding van fiscalist [fiscalist] , verbonden aan de vaste adviseur van [A] , Alfa Accountants en Adviseurs. Op 15 december 2017 heeft [appellant] € 6.204,50 aan [A] voldaan als voorschot op de winstdeling.

Is er sprake van een voortgezette pachtverhouding in 2017?

3.4

[appellant] stelt dat hij nog steeds pachter is van de grond. Het aangaan van de vennootschap onder firma had alleen een fiscale achtergrond en wijzigde niets aan het gebruik van de grond en de betaling daarvoor. De erven betwisten dat.

3.5

Een maatschap of vennootschap onder firma kan tevens een pachtovereenkomst omvatten als de ene vennoot overwegend grond inbrengt en de andere vennoot zijn arbeid. Het feit dat binnen de vennootschap meer afspraken bestaan dan alleen de ingebruikgeving van grond en de tegenprestatie, brengt niet zonder meer mee dat daar niet ook een pachtovereenkomst in begrepen kan zijn.

3.6

In dit geval heeft [A] in de vennootschap het gebruik en genot van de grond ingebracht en zijn kennis, arbeid en vlijt. [appellant] heeft de economische eigendom van de roerende zaken en het gebruik en genot van de onroerende zaken van zijn bedrijf ingebracht en ook zijn kennis, arbeid en vlijt. Ze hebben in artikel 9 van de vennootschapsakte een vergoeding voor de ingebrachte zaken en een resultaatsverdeling afgesproken van 5% voor [A] en 95% voor [appellant] , waarvan kon worden afgeweken. Verder is onder 16.02a van die akte afgesproken dat [appellant 1] na het overlijden van [A] een recht van eerste koop heeft waarbij hij 80% van de waarde in het economisch verkeer zal moeten betalen aan de erven.

3.7

Het hof moet de vraag beantwoorden of deze vennootschapsakte ook als een pachtovereenkomst te beschouwen is. Op basis van het dossier en wat op zitting is besproken, is duidelijk geworden dat [A] na het overlijden van [B] op de boerderij twee taken voor zijn rekening nam: de verkoop van eieren vanaf huis en de verzorging en het weiden van een aantal stuks vleesvee. [A] had naast de 12,5 ha nog 2,5 ha huisperceel in eigendom en pachtte van de gemeente 2,5 ha. Op die nabij de boerderij gelegen gronden werd het vee geweid, zo blijkt ook uit de registratie bij RVO van [A]1. De eigendomsgronden van 12,5 ha werden daarvoor niet gebruikt.. De erven hebben het voorgaande niet (voldoende) weersproken. Ze hebben met name hun stelling niet concreet gemaakt dat [A] in de jaren 2015 – 2016 ondanks de geliberaliseerde pachtovereenkomst werkzaamheden verrichtte op het destijds verpachte.

3.8

Volgens [appellant] is er na oprichting van de vof niets gewijzigd. De erven hebben ook dat onvoldoende gemotiveerd weersproken. Wel hebben zij aangevoerd dat de ziekte van [A] hem verhinderde om arbeid op het land te verrichten wat niet in zijn nadeel mag worden uitgelegd. De omstandigheid dat [A] langzaam zieker werd, brengt echter niet mee dat moet worden aangenomen dat hij wel werkzaamheden zou hebben verricht op de 12,5 ha als hij niet ziek was geweest. Bovendien heeft [A] in 2017 de eigen werkzaamheden wel verricht (de eieren en het vee). Daarom is onvoldoende weersproken dat [appellant] ook in 2017 de grond exclusief gebruikte.

3.9

[appellant] heeft in december 2017 een bedrag van € 6.204,50 betaald, exact hetzelfde bedrag dat hij voorheen betaalde als pacht. Volgens hem was het ook de bedoeling van [A] dat hij hetzelfde bleef betalen voor het land. Met dat geld kon [A] de verschuldigde pacht aan de gemeente betalen en dat vond [A] genoeg. [appellant] heeft zich op dit punt beroepen op een e-mail die voor de zitting in het geding is gebracht2. In deze e-mail van 31 oktober 2017 van een collega van [fiscalist] staat:
“Ik heb bij [fiscalist] navraag gedaan wat betreft de jaarlijkse overboeking van de pacht naar oom.
In de nieuwe situatie dient net zo als anders het bedrag aan pacht ( rond € 5.000? ) op het bankrekeningnummer van oom te worden overgemaakt met als omschrijving “voorschot winstdeling 2017”. Dus absoluut geen pacht noemen in de omschrijving”.

3.10

Verder heeft het hof uit de toelichting die [fiscalist] ter zitting heeft gegeven en waarbij de advocaten ook vragen hebben gesteld, begrepen dat de vennootschap onder firma is opgericht om te voorkomen dat de percelen door de fiscus zouden worden aangemerkt als privévermogen in box III, zoals [fiscalist] dat ook al eerder bij de notaris heeft toegelicht3. [A] wilde alles het liefst houden zoals het was, maar dan liep hij risico’s, aldus [fiscalist] . [fiscalist] is een aantal keer bij oom [A] langs geweest om hem ervan te overtuigen een andere constructie te kiezen voor het gebruik van het land door [appellant] . [fiscalist] heeft het volgende verklaard: “Het bedrijf tussen [B] en [A] was al jarenlang verliesgevend. Dat was wat ons betreft nog te verantwoorden. Dat was voordat de Belastingdienst het plan lanceerde om ondernemers op leeftijd die verliezen leden, grondig te beoordelen. Toen [B] in 2015 kwam te overlijden moest de aangifte erf- en inkomstenbelasting worden ingediend. Dat zijn bijzondere momenten voor de Belastingdienst om alles goed te beoordelen. Als er geen onderneming werd aangenomen, zou de consequentie zijn dat al het bezit van [A] naar box drie vermogen zou verhuizen. Ongeacht hoeveel winst en kosten je hebt, je betaalt belasting over de waarde van je bezit. Dat zou in dit geval € 12.000,- per jaar zijn. Dat geld was er niet. Dat zou betekenen dat er wat verkocht moest worden. (…) Vanaf het moment van overlijden van [B] in 2015 tot aan 2017 moesten de aangiftes nog ingediend worden. Begin 2017 werd het nijpend, omdat we moesten aangeven wat er met het vermogen van [B] moest gebeuren. Toen zijn ook de gesprekken met [appellant 1] en [A] begonnen. [A] wilde dat er niets veranderde en dat hij geen belasting hoefde te betalen. Ik heb toen uitgelegd dat als er niets gebeurde, dat er dan een pachtcontract kwam. Daarmee loop je een groter risico dat de Belastingdienst vragen gaat stellen. (…) We wilden voorkomen dat je vervolgens aan de Belastingdienst moest afrekenen op basis privévermogen. We hebben rekening gehouden met het bedrag dat [A] kreeg voor zijn grond om dat te vertalen naar winst uit onderneming. Naar de fiscus kom je er niet als je met een vast bedrag aan komt zetten, dat staat er ook niet in. In artikel 9 van de vennootschapsakte is daar een voorziening voor getroffen. De fiscus accepteert minimaal 5% overwinst naast eventuele vergoedingen om het als bedrijf aan te merken. Daarom de 5% - 95% verdeling.” [fiscalist] heeft tot slot verklaard dat het risico van deze constructie was dat de vennootschapsakte bij de Grondkamer als pachtovereenkomst kon worden aangemerkt en dat dit destijds onder ogen is gezien.

3.11

Tegenover al deze aanwijzingen dat [appellant] en [A] feitelijk de pachtrelatie hebben voortgezet in 2017 en dat de oprichting van de vennootschap onder firma daar geen wijziging in beoogde te brengen, maar slechts ertoe strekte belastingheffing te voorkomen, hebben de erven geen steekhoudende argumenten ingebracht en dus hebben zij hun betwisting niet toereikend gemotiveerd.

3.12

Voor hun stelling dat [A] onder druk is gezet of dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [appellant] zich op pachtbescherming beroept, hebben de erven de stelplicht en bij betwisting, de bewijslast. De ter zitting aanwezige neef [neef] (zoon van [geïntimeerde 1] ) heeft verklaard dat hij van [A] heeft gehoord dat hij dingen moest doen die hij niet wou, maar erg concreet is het niet geworden. Ook de stellingen van de erven omtrent het onder druk zetten van [A] zijn niet uitgewerkt, het blijft bij suggestieve aannames. Of die druk op de onderhavige vennootschapsakte slaat, is bijvoorbeeld al onduidelijk gebleven. Het hof heeft dus onvoldoende aanleiding om aan te kunnen nemen dat er ten aanzien van de vennootschapsakte een vernietigingsgrond is (voor zover de erven dat al stellen). Integendeel, de initiatieven tot het sluiten van de pachtovereenkomst en de vennootschapsakte kwamen niet van [appellant] , maar van [A] en [fiscalist] . [fiscalist] heeft verder juist overtuigend verteld over de dankbaarheid van [A] voor alles wat [appellant 1] voor hem heeft gedaan, en dat [A] hem de grond gunde, maar dat [A] zich ook gebonden voelde aan de verplichtingen tegenover zijn broers. Op verlangen van [A] is in de vennootschapsakte opgenomen dat [appellant 1] na zijn dood de grond voor 80% zou moeten kunnen kopen van de erven, waaruit volgt dat de wil van [A] erop was gericht dat [appellant 1] de gronden na zijn dood zou kunnen blijven gebruiken. Ook de verklaringen van buren4 maken melding van de goede verhouding tussen [appellant 1] en [A] en dat [A] [appellant 1] de boerderij gunde. [appellant 1] was tevens de mantelzorger voor [A] .

3.13

Volgens diezelfde neef ter zitting was het niet de bedoeling dat [appellant] de grond op deze manier “krijgt” omdat de broers de grond aan elkaar moesten aanbieden. Dat kan echter niet aan [appellant] worden tegengeworpen; bovendien houden de broers de grond in eigendom. De erven hebben onvoldoende (andere) concrete en zwaarwegende argumenten aangevoerd - of te bewijzen aangeboden - om het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te vinden dat [appellant] vastlegging vordert. Het hof komt daarom niet toe aan bewijslevering.

3.14

Het hof oordeelt daarom dat de pachtverhouding tussen [appellant] en [A] is blijven bestaan omdat de rechtsverhouding die tot stand is gebracht met de vennootschapsakte in overwegende mate ook de trekken van pacht heeft. Dan vereist de pachtersbescherming dat de vennootschapsakte ook moet worden aangemerkt als een pachtovereenkomst. Bij gebrek aan een subsidiair verweer van de erven, betreft het dan een reguliere pachtovereenkomst. Het hof zal die overeenkomst vastleggen.

3.15

In eerste aanleg hebben de erven nog aangevoerd dat € 500 per hectare, de eerder afgesproken pachtprijs, geen reële tegenprestatie is omdat de pachtprijzen op € 900 tot
€ 1.000 liggen. Ook als dat waar is, is een bedrag van € 500 per ha een substantieel bedrag en bovendien is voor de vastlegging niet vereist dat de prestatie een redelijke vergoeding is.

Schadevergoeding en terugbrengen in oude staat

3.16

In 2018 hebben [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] een deel van de gronden in gebruik genomen waardoor het gebruik door [appellant] onmogelijk werd. Op dit moment gebruikt [appellant] de percelen die aan [geïntimeerde 3] zullen worden toebedeeld (ongeveer 6 ha) en hebben [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] de andere helft in gebruik. [appellant] heeft schadevergoeding gevorderd omdat hij vanaf 2018 de gronden niet volledig in gebruik heeft gehad. De mogelijkheid van schade is voldoende aannemelijk omdat de pachtpercelen ten dienste stonden van de agrarische onderneming van [appellant] . De vordering de schade in een aparte procedure te laten vaststellen, zal het hof ook toewijzen.

3.17

De stelling dat de erven de grond hebben verontreinigd - met daaraan gekoppeld de vordering de grond weer in oude staat herstellen -, heeft [appellant] niet voldoende toegelicht en is door de erven ook gemotiveerd weersproken. Daarom zal het hof die vordering afwijzen.

3.18

Bij deze stand van zaken hoeven de grieven verder geen bespreking meer en dat geldt ook voor de andere stellingen en verweren van partijen. Als het hof die wel zou bespreken, zou dat namelijk niet tot een ander oordeel leiden.

Slotsom

3.19

Het hoger beroep slaagt, zodat het bestreden vonnis moet worden vernietigd. Het hof zal de pachtovereenkomst vastleggen zoals gevorderd. Daarbij heeft [appellant] de pachtprijs bepaald op hetgeen voortvloeit uit artikel 9 van de vennootschapsakte, althans de door de Grondkamer bij toetsing vast te stellen pachtprijs. Het hof zal dat overnemen, ook al voorziet het hof daar een probleem. Uit artikel 9 volgt namelijk niet een concreet bedrag, zoveel is wel duidelijk geworden ter zitting. De grondkamer zal (in plaats daarvan) de hoogst toelaatbare pachtprijs kunnen vaststellen op basis van het pachtprijzenbesluit. Verder zal het hof de gegevens voor zoveel nodig aanvullen in overeenstemming met de praktijk tussen [A] en [appellant] .

3.20

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof de erven in de kosten van beide instanties veroordelen. De kosten van [appellant] van de eerste aanleg stelt het hof vast op € 201,71 aan explootkosten, € 81 aan griffierecht en op € 300 aan salaris advocaat. De kosten van het hoger beroep stelt het hof vast op € 324 aan griffierecht en op
€ 2.228 aan salaris advocaat (2 punten x tarief II).

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de pachtkamer te Zutphen van 14 augustus 2019 en doet opnieuw recht:

legt vast de pachtovereenkomst
- tussen wijlen [A] en [appellant]
- met ingang van 1 januari 2017 voor de wettelijke duur van zes jaar
- inzake de percelen landbouwgrond, kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie […] , nummers […] , […] en […] , alsmede de sectie […] nummers […] , […] , […] , […] en […] , met een gezamenlijke oppervlakte van ongeveer 12.40.90 ha,
- voor een pachtprijs zoals voortvloeit uit artikel 9 van de akte van vennootschap onder firma van [naam vof] , ondertekend op 21 april 2017, althans een door de grondkamer op basis van artikel 7:328 BW bij de toetsing vast te stellen pachtprijs
- welke pachtprijs achteraf moet worden betaald uiterlijk 31 december van ieder jaar;

verklaart voor recht dat de erven in 2018 gehouden waren de aan [appellant] verpachte percelen aan hem ter beschikking te stellen;

veroordeelt de erven om aan [appellant] te vergoeden de schade die hij heeft geleden, omdat hij geen gebruik heeft kunnen maken van de aan hem door [A] verpachte landbouwgronden, deze schade op te maken bij staat en te vereffenen conform de wettelijke voorschriften;

veroordeelt de erven in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellant] vastgesteld op € 582,71 voor de eerste aanleg en € 2.552,- voor het hoger beroep;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, S.B. Boorsma en B.J.H. Hofstee en de deskundige leden mr. E. Oostra en ir. J.H. Jurrius, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2021.

1 Productie 3 bij conclusie van repliek

2 Productie 4 van [appellant] vóór de zitting

3 Productie 3 van [appellant] vóór de zitting

4 Producties 1 en 2 bij memorie van grieven