Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:6701

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-06-2021
Datum publicatie
13-07-2021
Zaaknummer
200.267.282
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

843a Rv;

25 lid 2, 26, 27, 28, 29 Fw

Hof noemt kader waarbinnen het moet beslissen op in hoger beroep ingestelde incidentele vordering o.g.v. art. 843a Rv.

Hof constateert dat procedure wat betreft eis in conventie is geschorst vanwege het faillissement van oorspronkelijk gedaagde.

Rechtbank heeft verzuimd de procedure in conventie o.g.v. van art. 29 Fw als van rechtswege geschorst aan te merken. Zij had vonnis in conventie niet mogen wijzen. Het was appellanten (eisers in conventie/verweerders in reconventie) toegestaan om tegen het nietige vonnis in conventie hoger beroep aan te wenden en zij mochten dat hoger beroep tegen de curator instellen.

Er mocht vonnis worden gewezen in reconventie tussen appellanten en gefailleerde eiser in reconventie. Appellanten mochten tegen het vonnis in reconventie hoger beroep instellen tegen de curator, die het proces heeft overgenomen.

In kader van eis in reconventie wijst hof de incidentele vordering deels toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.267.282

(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, 212265)

arrest van 1 juni 2021

in het incident in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Waste Products B.V.,

gevestigd te Goor,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DBICS Holding B.V.,

gevestigd te Joure,

appellanten,

eiseressen in het incident,

advocaat: mr. R.S. van der Spek,

tegen:

mr. Hendrik Marinus Gotink in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Login B.V.,

gevestigd te Hengelo (O),

geïntimeerde,

verweerder in het incident,

hierna: de curator,

advocaat: mr. H.M. Gotink.

Appellante sub 1 zal hierna WP, appellante sub 2 DBICS en appellanten gezamenlijk zullen WP en DBICS worden genoemd.

1 De procedure bij de rechtbank

Voor de procedure bij de rechtbank verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van
26 september 2018 en 10 juli 2019 die de rechtbank Overijssel heeft gewezen tussen WP en DBICS, als eisers in conventie en verweerders in reconventie, aan de ene kant en Login B.V. (hierna: Login) en [naam1] (hierna: [naam1] ), als gedaagden in conventie en eisers in reconventie, aan de andere kant.

2 De procedure bij het gerechtshof

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 1 oktober 1019,
- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord,

- de akte houdende uitlating producties tevens conclusie van eis in het incident ex artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) en

- de antwoordakte houdende uitlating producties tevens conclusie van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest in het incident aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 Het kader waarbinnen moet worden beslist

3.1

Het hof zal hierna (onder 3.) het kader weergeven waarbinnen moet worden beslist in het incident. Het hof komt tot de conclusie dat de procedure wat betreft de eis in conventie (van WP en DBICS) is geschorst vanwege het faillissement van Login en dat in hoger beroep op dit moment alleen op de eis in reconventie (van oorspronkelijk Login) moet worden beslist. In het kader van de eis in reconventie moet het hof beslissen in het incident. Het hof zal een en ander hierna toelichten. Het hof zal daarbij eerst in het kort opsommen wat er is gebeurd. Onder 4. bespreekt het hof vervolgens de beslissing in het incident inhoudelijk.

wat is er gebeurd

3.1.1

WP en DBICS hebben bij inleidende dagvaarding van 15 december 2017 een eis in conventie ingesteld tegen Login en [naam1] .

3.1.2

Login en [naam1] hebben samen een conclusie van antwoord tevens eis in reconventie genomen, volgens dat processtuk op 12 september 2018.

3.1.3

De rechtbank heeft bij het vonnis van 26 september 2018 een comparitie van partijen bepaald.

3.1.4

Login is op 27 september 2018 failliet verklaard.

3.1.5

WP en DBICS hebben op 9 november 2018 een exploot laten uitbrengen aan de curator van Login. Het exploot vermeldt in de kop “EXPLOOT OPROEPING CURATOR EX ARTIKEL 28 FAILLISSEMENTSWET”. Het exploot vermeldt verder, voor zover van belang:

“U ontvangt dit exploot omdat u als curator in het faillissement van Login B.V. wordt opgeroepen om te verschijnen in de procedure met zaaknummer C/08/212265/ HAZA17/587. Deze zaak wordt behandeld door de Rechtbank Overijssel locatie Almelo. (…) U wordt hierbij opgeroepen om te verschijnen voor de rolzitting van 5 december 2018. De zaak wordt behandeld door de rechtbank Overijssel, locatie Almelo die dan zitting houdt (…)”.

3.1.6

Volgens het vonnis van 10 juli 2019, onder 1.2, blijkt uit het roljournaal van
5 december 2018 dat de curator van Login niet in het geding is verschenen. Dat is niet bestreden in hoger beroep.

3.1.7

WP en DBICS hebben vervolgens een conclusie van antwoord in reconventie tevens akte houdende wijziging eis genomen.

3.1.8

De rechtbank heeft in het vonnis van 10 juli 2019 een inhoudelijke beslissing in conventie en in reconventie gegeven in de procedure tussen WP en DBICS aan de ene kant en Login en [naam1] aan de andere kant.

3.1.9

WP en DBICS hebben op 1 oktober 2019 een exploot (met in de kop de vermelding “appeldagvaarding”) laten uitbrengen aan de curator. Daarbij is aan de curator aangezegd dat WP en DBICS in hoger beroep komen van het vonnis van 10 juli 2019 “tussen enerzijds appellanten als eisers in conventie, tevens verweerders in reconventie en anderzijds geïntimeerde als één van de twee gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie gewezen” en is “geïntimeerde” gedagvaard te verschijnen ter zitting van het hof. Op die zitting is de curator verschenen.


de procedure in conventie: geschorst

3.2

Met betrekking tot de eis in conventie voor zover die is ingesteld tegen Login geldt het volgende.

3.3

WP en DBICS hebben bij de inleidende dagvaarding een eis in conventie ingesteld tegen Login en de in dit hoger beroep geen partij zijnde [naam1] . Die eis is, kort gezegd, (met tussen haakjes de wijzigingen door het hof):

“DBICS en Waste Products [verzoeken Uw Rechtbank […]] om bij vonnis, steeds voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. Hoofdvorderingen

1. Login te veroordelen tot nakoming van haar verplichting tot levering van 100 naar behoren functionerende Smart Real Time Controllers aan Waste Products onder de Overeenkomst binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis, een en ander op straffe van een door Login te verbeuren dwangsom […];

2. voor recht te verklaren dat op Login en [naam1] een geschreven c.q. ongeschreven exclusiviteitsverplichting rust jegens DBICS en Waste Products ten aanzien van de Smart Real Time Controller en daarmee samenhangende waste-producten als nader gespecificeerd in paragraaf 2.68 in deze dagvaarding;

3. voor recht te verklaren dat Login en [naam1] de onder 2. van dit petitum bedoelde (on)geschreven exclusiviteitsverplichtingen jegens DBICS en Waste Products hebben geschonden en hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens DBICS en Waste Products voor de daaruit voortvloeiende schade;

4. Login te veroordelen tot vergoeding van de door DBICS en Waste Products geleden schade als gevolg van:

i. het niet tijdig leveren van 100 naar behoren functionerende Smart Real Time Controllers aan Waste Products onder de Overeenkomst; en

ii. het schenden van de (on)geschreven exclusiviteitsverplichtingen door Login jegens DBICS en Waste Products,

welke schade nader dient te worden begroot in de zin van artikel 6:97 BW en zoals toegelicht in hoofdstuk 5 van deze dagvaarding, althans dat die schade nader opgemaakt zal dienen te worden bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met de wettelijke rente […] ;

II. Voorwaardelijke provisionele eis

5. Voor zover de voorzieningenrechter van Uw Rechtbank daar niet reeds over zou hebben geoordeeld bij opheffingskortgeding, althans DBICS en Waste Products daarin niet-ontvankelijk zou hebben verklaard:

Login en [naam1] te verbieden de Smart Real Time Controllers en aanverwante waste-producten als bedoeld in paragraaf 2.68 aan BWaste of andere derden door te leveren, een en ander op straffe van een onmiddellijk door Login te verbeuren dwangsom […];

III. Kostenveroordeling

6. Login en [naam1] hoofdelijk te veroordelen tot de kosten van deze procedure […].”

3.4

Die eis was aanhangig toen Login failliet werd verklaard.

3.5

De van de eis deel uit makende vorderingen 1 en 4 tegen Login zijn rechtsvorderingen in de zin van artikel 26 van de Faillissementswet (hierna: Fw). Zij hebben namelijk voldoening van een verbintenis uit de boedel van de failliete Login ten doel. De van de eis deel uit makende vorderingen 2 en 3 strekken tot verkrijging van verklaringen voor recht, die erop neerkomen dat wordt vastgesteld dat tussen WP en DBICS en Login een exclusiviteitsbeding geldt waaraan Login zich heeft te houden respectievelijk zich niet heeft gehouden. Niet blijkt dat WP en DBICS bij deze vorderingen voor zover ingesteld tegen Login een ander belang hebben dan dat hun vorderingen 1 en 4 toewijsbaar zijn. Voor de toepassing van de artikelen 25 lid 2 en 27 tot en met 29 Fw hebben de vorderingen 2 en 3 naast de vorderingen 1 en 4 voor zover ingesteld tegen Login daarom geen zelfstandige betekenis. Dit brengt mee dat de procedure voor zover het de vorderingen 1 tot en met 4 betreft, op grond van artikel 29 Fw door het faillissement van Login van rechtswege is geschorst1. De akte eiswijziging die WP en DBICS na het faillissement hebben ingediend, blijft in dit kader buiten beschouwing.

3.6

Het hof gaat er, voor zover het dat in het kader van deze beslissing in het incident kan beoordelen, van uit dat vordering 5 van de eis niet meer aan de orde is. Die vordering is namelijk ingesteld onder de voorwaarde dat de voorzieningenrechter in kort geding ten tijde van het wijzen van vonnis door de rechtbank nog geen beslissing zou hebben genomen. Uit het bij de memorie van grieven gevoegde arrest van dit hof van 13 augustus 2019 blijkt dat er al in het kort geding is beslist, zodat niet aan de voorwaarde is voldaan. De vraag of de procedure ook ten aanzien van deze vordering is geschorst, hoeft daarom verder niet te worden onderzocht.

3.7

De rechtbank heeft verzuimd de procedure in conventie op grond van artikel 29 Fw als van rechtswege geschorst aan te merken. Zij had het vonnis van 10 juli 2019 in conventie niet mogen wijzen. Dat vonnis in conventie is daarom nietig. Het hof zal dat vonnis dan ook vernietigen zoals hierna te vermelden.2 Omdat partijen zich in hoger beroep al hebben uitgelaten over de gevolgen van het faillissement van Login voor de procedure, zal het hof partijen niet eerst in de gelegenheid stellen zich daarover uit te laten.

3.8

Het hof merkt voor de duidelijkheid nog op dat het WP en DBICS was toegestaan om tegen het nietige vonnis in conventie het rechtsmiddel van hoger beroep aan te wenden en dat zij het hoger beroep voor zover het de conventie betreft tegen de curator mochten instellen.

3.9

Uit wat hiervoor staat, volgt dat de eis in conventie op dit moment in hoger beroep niet ter beoordeling voorligt. De vorderingen kunnen ter verificatie worden ingediend bij de curator. Het geding wordt alleen voortgezet indien en voor zover de verificatie van deze vorderingen wordt betwist.

de procedure in reconventie

3.10

Met betrekking tot de eis in reconventie tegen WP en DBICS voor zover die is ingesteld door Login geldt het volgende.

3.11

Die eis was tijdens de faillietverklaring van Login aanhangig. Die eis is (met tussen haakjes de wijzigingen door het hof):

“dat het [de] Rechtbank mag behagen bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: […]

Primair

1. Voor recht te verklaren dat op 11 juni 2018 de Regeling tot stand is gekomen tussen DBI en Waste Products enerzijds en Login en [naam1] anderzijds zoals beschreven in [de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie];

2. Voor recht te verklaren dat DBI en Waste Products toerekenbaar tekort zijn geschoten in hun verplichting jegens Login en [naam1] door de niet nakoming van de Regeling en DBI en Waste Products hoofdelijk te veroordelen tot:

a. Nakoming van de Regeling met dien verstande dat alle claims over en weer worden gekweten met als
gevolg dat eventuele beslagen binnen twee werkdagen na betekening van het vonnis zullen worden
opgeheven dan wel eventuele genomen executoriale maatregelen worden ingetrokken alsmede dat
DBI en Waste Products hun volledige medewerking verlenen om binnen 30 dagen na betekening van
het onderhavige vonnis de aandelen in Waste Products over te dragen aan Login, alles onder

verbeurte van een dwangsom van EUR 20.000 per dag per gebeurtenis;

b. betaling van de daardoor geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

Subsidiair

1. Voor recht te verklaren dat Waste Products toerekenbaar tekort is geschoten in nakoming van de verplichtingen jegens Login en [naam1] uit hoofde van de Overeenkomst en dat DBI dit in haar hoedanigheid van grootaandeelhouder en bestuurder heeft bewerkstelligd en DBI en Waste Products hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de daardoor geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en;

2. Voor recht te verklaren dat de Overeenkomst d.d. 27 juli 2017 bij schrijven van 27 maart 2018 door Login rechtsgeldig partieel buitengerechtelijk is ontbonden, en DBI en Waste Products hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de daardoor geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en;

3. De Overeenkomst voor het overige in het dictum gerechtelijk te ontbinden en DBI en Waste Products hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de daardoor geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en;

4. Voor recht te verklaren dat de door DBI en Waste Products in het kader van deze procedure gelegde conservatoire beslagen onder en ten laste van Login [naam1] onrechtmatig zijn althans misbruik van recht opleveren en DBI en Waste Products te veroordelen tot betaling van de daardoor geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

5. Voor recht te verklaren dat de door DBI en Waste Products aan de deurwaarder gegeven opdracht om het Verstekarrest te doen betekenen onder de in [de] Conclusie [van antwoord tevens houdende eis in reconventie] geschetste onrechtmatig was althans misbruik van recht oplevert en DBI en Waste Products te veroordelen tot betaling van de daardoor geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

Meer subsidia[i]r

6. Voor recht te verklaren dat de Overeenkomst op grond van dwaling tot stand gekomen is en voor vernietiging in aanmerking komt, en;

7. De Overeenkomst te vernietigen op grond van dwaling;

[…]

1. DBI en Waste Products te veroordelen in de kosten van dit geding […].”

3.12

Artikel 27 Fw is op die eis van toepassing. Niet is gebleken dat WP en DBICS schorsing van het geding hebben verzocht en de curator tot overneming van het geding hebben opgeroepen in de zin van artikel 27 lid 1 Fw. De curator betwist dat ook. Ook is niet gebleken dat de curator het proces bij de rechtbank heeft overgenomen in de zin van artikel 27 lid 3 Fw. De gefailleerde Login kon dan ook het proces voortzetten en er mocht een vonnis in reconventie worden gewezen tussen WP en DBICS en Login.

3.13

WP en DBICS mochten het hoger beroep tegen het vonnis in reconventie instellen tegen de curator. De curator is verschenen op de dagvaarding in hoger beroep en heeft (zo blijkt uit zijn memorie van antwoord) het proces overgenomen.

3.14

Uit wat hiervoor staat, volgt dat op de eis in reconventie in hoger beroep moet worden beslist. In het kader van die eis moet het hof eerst beslissen in het onderhavige incident.

4 De motivering van de beslissing in het incident

4.1

WP en DBICS hebben op grond van artikel 843a Rv in het incident gevorderd, kort gezegd, dat het hof Login beveelt om informatie in het geding te brengen. Het hof is van oordeel dat die vordering gedeeltelijk moet worden toegewezen en legt hierna uit waarom.

4.2

WP en DBICS hebben gevorderd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, Login zal bevelen om de volgende documenten in het geding te brengen:
a. de order(s) c.q. orderbevestigingen van of aan BWaste betreffende de levering van de proefserie van de nieuwe controller, alsmede alle correspondentie aangaande deze order(s), de facturen aan BWaste en de betaalbewijzen;

b. alle correspondentie en documentatie inzake de onderhandelingen over (het concept van) de overeenkomst tussen Login en BWaste, bedoeld in rechtsoverweging 2.21 van het vonnis van 10 juli 2019 en productie 25 bij de inleidende dagvaarding;

c. alle orders van en facturen aan en betaalbewijzen van BWaste betrekking hebbende op orders vanaf 27 juli 2017 (de datum van de overeenkomst tussen Login en WP) tot heden van alle aan BWaste verkochte producten, althans - subsidiair - van de Smart Real Time Controller en onderdelen daarvan, behoudens de proefserie bedoeld in het eerste deel van deze vordering;

d. een gedocumenteerd overzicht - met orders en facturen - van hetgeen per 8 augustus 2018 bij BWaste aan facturen openstond en welke orders er per 8 augustus 2018 als onderhanden open stonden;

met veroordeling van Login in de kosten van het incident.

4.3

Bij de beoordeling van die vordering stelt het hof het volgende voorop.
Wie daarbij rechtmatig belang heeft, kan op grond van artikel 843a Rv op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden tot zijn beschikking of onder zich heeft. Onder bescheiden vallen ook op een gegevensdrager aangebrachte gegevens. Het moet echter wel gaan om bepaalde bescheiden; artikel 843a Rv dient er niet toe om een ander ertoe te dwingen inzage te geven in al diens correspondentie en administratie. Daarnaast moet het zo zijn dat degene van wie de bescheiden gevraagd worden de beschikking over de gevraagde bescheiden heeft, en is degene die de bescheiden heeft niet gehouden ze te geven als daarvoor gewichtige redenen zijn of als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder het verschaffen van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

4.4

Aan de curator kan worden toegegeven dat de vordering op een laat tijdstip is ingesteld, namelijk toen al vier rechterlijke uitspraken in verschillende procedures tussen partijen waren gedaan en partijen in dit hoger beroep ieder al een memorie hadden genomen. Ook heeft het hof er oog voor dat Login in 2018 failliet is verklaard en dat het boven tafel krijgen van de gevorderde informatie kosten voor de faillissementsboedel kan meebrengen, zoals de curator aanvoert. Een en ander staat echter niet eraan in de weg dat WP en DBICS ook in dit stadium van de procedure rechtmatig belang bij hun vordering hebben. Het hof volgt de curator dus niet in zijn betoog dat de vordering als ontijdig, onredelijk en in strijd met de goede procesorde moet worden afgewezen.

4.5

Het hof is van oordeel dat de vordering voor zover die de documenten onder a. en b. betreft, toewijsbaar is zoals hierna te vermelden. Die documenten zijn namelijk mogelijk van belang om in de rechtsbetrekking tussen partijen vast te kunnen stellen of Login ten opzichte van WP en DBICS een exclusiviteitsbeding heeft geschonden en in dat verband of er afspraken waren tussen Login en BWaste (over een proefserie). Anders dan de curator meent, oordeelt het hof dat de gevorderde documenten voldoende bepaalbaar zijn. De curator verwijst in zijn verweer tegen de vordering nog naar stellingen van Login, maar die stellingen doen niet af aan wat hiervoor staat.

4.6

De vordering voor zover deze de documenten onder c. en d. betreft, hebben WP en DBICS ingesteld, zo begrijpt het hof, om vast te kunnen stellen wat de omvang van de handel tussen Login en BWaste was en ook welke gevolgen het beslag onder BWaste had en wat het verband was tussen dat beslag en de eigen aangifte van het faillissement. Die vordering is niet toewijsbaar. Daarvoor geldt namelijk dat geen sprake is van bepaalde bescheiden als bedoeld in artikel 843a Rv, zoals de curator ook aanvoert.
Het bij c. gevorderde is (wat betreft de gevraagde stukken over orders vanaf 27 juli 2017 voor “alle aan BWaste verkochte producten”) te ruim en veelomvattend en (wat betreft de subsidiair gevraagde stukken over orders voor “de Smart Real Time Controller en onderdelen daarvan”) te onduidelijk geformuleerd. Ten aanzien van het bij d. genoemde overzicht geldt dat WP en DBICS, tegenover het verweer van de curator, onvoldoende duidelijk hebben gemaakt dat dit overzicht op dit moment al bestaat. Er kan dus niet worden aangenomen dat de curator de beschikking over dat overzicht heeft.

4.7

WP en DBICS hebben gevorderd dat het hof Login zal bevelen om de documenten in het geding te brengen. Gelet op wat in artikel 843a Rv staat, zal het hof bevelen dat Login een afschrift van de documenten op een gegevensdrager aan WP en DBICS moet verschaffen, op kosten van WP en DBICS. Voor de duidelijkheid merkt het hof op dat het hier gaat om de redelijke kosten die de curator moet maken voor het opzoeken van de bedoelde documenten en het maken van afschriften en de verzending van die afschriften naar WP en DBICS. Het hof zal een termijn aan het bevel verbinden.

4.8

De conclusie is dat het hof de vordering in het incident gedeeltelijk toewijst. De beslissing over de kosten van het incident houdt het hof aan tot het eindarrest in de hoofdzaak.

5. De hoofdzaak

Het hof zal in de hoofdzaak een mondelinge behandeling bepalen, die zal plaatsvinden tegelijk met de mondelinge behandeling in de zaak met zaaknummer 200.269.189 tussen WP en DBICS aan de ene kant en [naam1] aan de andere kant. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.

6 De beslissing

Het hof, recht doende:

in conventie

vernietigt het vonnis van 10 juli 2019 van de rechtbank Overijssel voor zover gewezen in conventie tussen WP en DBICS aan de ene kant en Login aan de andere kant en opnieuw recht doende:

verstaat dat de procedure in conventie vanaf de datum van de faillietverklaring van Login van rechtswege is geschorst in de staat waarin deze zich op dat moment bevond;

in reconventie

in het incident:

beveelt dat Login, binnen twee maanden na de datum van dit arrest en op kosten van WP en DBICS, aan WP en DBICS moet verschaffen een afschrift op een gegevensdrager van:
a. de order(s) c.q. orderbevestigingen van of aan BWaste betreffende de levering van de proefserie van de nieuwe controller, alsmede alle correspondentie aangaande deze order(s), de facturen aan BWaste en de betaalbewijzen;

b. alle correspondentie en documentatie inzake de onderhandelingen over (het concept van) de overeenkomst tussen Login en BWaste, bedoeld in rechtsoverweging 2.21 van het vonnis van 10 juli 2019 en productie 25 bij de inleidende dagvaarding;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot hierover bij eindarrest zal worden beslist;

in de hoofdzaak:

bepaalt een mondelinge behandeling, waarbij partijen (in persoon of vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en die tot het geven van inlichtingen in staat is en bevoegd is om een schikking aan te gaan) samen met hun advocaten zullen verschijnen voor de meervoudige kamer van het hof;

bepaalt dat de zitting zal plaatsvinden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op 1 september 2021 om 9.15 uur, tegelijk met de mondelinge behandeling in de zaak met zaaknummer 200.269.189 tussen WP en DBICS aan de ene kant en [naam1] aan de andere kant;

bepaalt dat, als partijen verhinderd zijn op de hiervoor genoemde datum, zij binnen twee weken na de datum van dit arrest door middel van een H7-formulier een andere dag voor de zitting kunnen verzoeken; bij het verzoek moet een opgave van de verhinderdata van alle betrokkenen voor de periode van juni 2021 tot en met december 2021 worden gevoegd; als deze opgave ontbreekt, blijft de eerdere dagbepaling van kracht;

bepaalt dat de advocaten bij de mondelinge behandeling ieder gedurende maximaal tien minuten, aan de hand van maximaal twee A4’tjes spreekaantekeningen, het standpunt van partijen mogen toelichten;

bepaalt dat als een partij bij de mondelinge behandeling nog processtukken of andere stukken wil inbrengen, deze partij ervoor moet zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk 10 dagen voor de mondelinge behandeling een kopie van deze stukken hebben ontvangen (het hof in tweevoud, de wederpartij in enkelvoud);


houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, I. Brand en C.M.E. Lagarde en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2021.

1 Vergelijk HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:675.

2 Zie ook HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2100.