Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:658

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-01-2021
Datum publicatie
01-02-2021
Zaaknummer
200.251.445
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Werknemer spreekt na bedrijfsongeval verzekeraar van werkgever, die failliet is, aan voor vergoeding schade op grond van artikel 7:954 lid 1 BW. In de omstandigheden van het geval, waaronder de uitlating van de verzekeraar dat de schade vergoed zal worden, oordeelt het hof dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat verzekeraar zich ten opzichte van de werknemer beroept op de uitkeringslimiet in de polisvoorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0112
JA 2021/60 met annotatie van Klashorst, J. van de, Riyazi, T.
RAV 2021/37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.251.445

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, 304820)

arrest van 26 januari 2021

in de zaak van:

[appellant] ,

wonende te [B] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. C.C. Wijburg,

tegen:

de naamloze vennootschap

Achmea Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Achmea,

advocaat: mr. H.M. Kruitwagen.

1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

Na het tussenarrest van het hof van 28 juli 2020 heeft op 11 november 2020 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Daaraan voorafgaand heeft Achmea bij brief van 28 oktober 2020 nog twee ontbrekende processtukken van de rechtbankprocedure toegestuurd. Beide partijen hebben pleitaantekeningen overgelegd.

1.2

Op 15 december 2020 hebben beide partijen bericht dat geen minnelijke regeling is bereikt, waarna zij het hof hebben gevraagd om arrest te wijzen.

1.3

[appellant] vordert in het principaal hoger beroep dat het hof het arrest van de rechtbank Gelderland (zittingsplaats Zutphen) van 27 juni 2018 zal vernietigen en bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest Achmea zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 191.695,55, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2014 en tot betaling van de kosten van de procedure in beide instanties, vermeerderd met de wettelijke rente en de nakosten.

1.4

Achmea voert verweer en vordert in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep dat het hof [appellant] veroordeelt in de kosten van de procedure bij de rechtbank en tot terugbetaling van de inmiddels door Achmea betaalde proceskosten. Daarnaast vordert Achmea dat [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep veroordeelt.

2 De motivering van de beslissing in hoger beroep

Inleiding

2.1

[appellant] is op 1 juni 2006 in dienst getreden bij Goes Handling B.V. (Goes) als vorkheftruckchauffeur. Op 29 augustus 2006 is hem een ongeval overkomen tijdens zijn werkzaamheden. Hij is als gevolg daarvan blijvend arbeidsongeschikt geworden. De gemachtigde van [appellant] , mr. [D] van FNV Bondgenoten ( [D] ), heeft Achmea als aansprakelijkheidsverzekeraar van Goes aansprakelijk gesteld voor het ontstaan van het ongeval en de daardoor door [appellant] geleden schade. Achmea heeft bij brief van 7 februari 2008 aan [D] het volgende geschreven:

Zoals u bekend is door ons expertisebureau To The Point Expertise ingeschakeld voor een toedrachtsonderzoek en voor de letselschadeinventarisatie. (…)

Wij kunnen bevestigen dat wij de door uw cliënt geleden schade voortvloeiende uit het ongeval zullen vergoeden. Gezien de betrokkenheid van de Poolse vrachtwagenchauffeur zullen wij trachten de schade volledig te verhalen op de Poolse WAM-verzekeraar. Om deze reden zullen wij de schade met uw cliënt regelen middels een akte van cessie. (…)”.

Namens Achmea is door assurantietussenpersoon Mandema en Partners ( [A] ) de heer [C] van expertisebureau To The Point Expertise ( [C] ) ingeschakeld om de schade met [appellant] te regelen. [appellant] werd in dat traject bijgestaan door [D] . Aan [appellant] zijn in de periode 2008 tot 2011 voorschotten op de schade-uitkering betaald ter hoogte van € 53.673,- inclusief buitengerechtelijke kosten. In gezamenlijke opdracht is een medische expertise verricht. De medische rapportage van 11 april 2014 concludeert dat sprake is van blijvende invaliditeit bij [appellant] . [D] en [C] hebben in juni 2014 onderhandeld over een eindregeling. Bij brief van 25 juni 2014 aan [A] bericht [C] dat [D] een bedrag van € 225.000,-vraagt, dat de schadeposten volgens hem voor het grootste gedeelte reëel en fair zijn en dat hij voorstelt een bedrag van € 200.000,- aan te bieden. Intussen is Goes op 13 mei 2014 failliet verklaard. Dit bericht [A] aan [D] op 30 juni 2014, met de mededeling dat [appellant] zich tot de curator moet wenden. Hierop schrijft [D] dat [appellant] op grond van artikel 7:954 BW een rechtstreeks vorderingsrecht heeft op Achmea, waarna [A] bevestigt dat dat juist is en zich excuseert voor de verwijzing naar de curator. In december 2014 komt [A] hierop terug en meldt dat sprake is van een misverstand: het totaal van de door [appellant] geleden schade komt zo goed als zeker niet uit boven het eigen behoud van Goes, voortvloeiend uit de zogeheten SIR-limiet in de polisvoorwaarden van de door Goes afgesloten verzekeringen.

de vordering van [appellant]

2.2

De schade van [appellant] is na de comparitie van partijen bij de rechtbank tussen partijen vastgesteld op € 253.673,-. Daarvan heeft [appellant] € 53.673,- als voorschotten ontvangen. De inzet van deze procedure is de vraag of Achmea [appellant] zijn resterende schade moet vergoeden. [appellant] vordert € 191.695,55, zijnde het totale schadebedrag, verminderd met de SIR-limiet op de aansprakelijkheidspolis van € 61.977,45. [appellant] meent dat Achmea hem dat bedrag moet vergoeden en baseert zijn vordering op de directe actie van artikel 7:954 BW. [appellant] voert daarbij twee grondslagen aan voor zijn vordering:

(i) de uitleg die Achmea geeft aan de SIR-limiet in de polisvoorwaarden is niet juist,

(ii) het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Achmea zich ten opzichte van hem op de SIR-limiet beroept.

de beslissing van het hof

2.3

Het hof zal eerst de tweede grondslag (ii) behandelen en daarbij ingaan op de bezwaren van [appellant] tegen de beslissing van de kantonrechter. Het hof beslist dat deze grondslag de vordering kan dragen en dat Achmea daarom de schade van [appellant] moet betalen. Daarom komt het hof aan de behandeling van de eerste grondslag (i) niet toe. Het hof licht deze beslissing hierna toe.

toelichting

2.4

[appellant] baseert zijn vordering op artikel 7:954 lid 1 BW. Dit artikel geeft een benadeelde in geval van letselschade een aanspraak op rechtstreekse betaling van de verzekeraar. Achmea stelt terecht dat de benadeelde aan de polis niet meer rechten kan ontlenen dan de verzekerde zelf. Dat brengt mee dat [appellant] de in de polis opgenomen SIR-limiet in beginsel tegen zich moet laten gelden. Dat neemt niet weg dat de schaderegelingsverhouding tussen Achmea als aansprakelijkheidsverzekeraar en [appellant] als derde-benadeelde een eigen rechtsfiguur is, die wordt beheerst door de regels van de artikelen 6:2 BW en 6:248 BW. Partijen zijn gehouden zich ten opzichte van elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid en moeten rekening houden met elkaars gerechtvaardigde belangen en verwachtingen.

2.5

De vraag is dus wat partijen over en weer mochten verwachten. De verwachtingen van [appellant] vinden hun oorsprong in de brief van Achmea van 7 februari 2008 (zie voor de tekst rechtsoverweging 2.1). Daarin heeft zij aan [appellant] geschreven dat zijn schade door haar wordt vergoed en dat zij een regresactie zal opstarten ten opzichte van de verzekeraar van de aansprakelijke (Poolse) partij. Achmea heeft zich vervolgens als aansprakelijkheidsverzekeraar van Goes, overeenkomstig artikel 20 van de AVB-polis, belast met de regeling en vaststelling van de schade. Zij heeft, zoals ook in de brief staat, een schaderegelaar, [C] van To The Point Expertise, ingeschakeld. [C] heeft contact opgenomen en onderhouden met [appellant] zelf en met zijn gemachtigde [D] . Er zijn aan [appellant] vanaf 2008 voorschotten ter hoogte van meer dan € 50.000,- betaald. In gezamenlijk overleg is een medische expertise verricht en in 2014 zijn de schadeposten in kaart gebracht en besproken tussen [D] en [C] . In grote lijnen bestond daarover overeenstemming en de verwachting was reëel dat een eindregeling tot stand zou komen. Gedurende die gehele periode van ruim zes jaar was er voor [appellant] geen enkele reden om eraan te twijfelen dat hij zijn schade op grond van de aansprakelijkheidsverzekering vergoed zou krijgen. Gezien de onomwonden mededeling van Achmea (“Wij kunnen bevestigen dat wij de door uw cliënt geleden schade voortvloeiende uit het ongeval zullen vergoeden”) in de brief van 7 februari 2008 hoefde hij daaraan ook niet te twijfelen..

2.6

Achmea stelt dat die uitlating niet meer betekent dan dat zij de aansprakelijkheid voor de schade erkent. [appellant] stelt daar tegenover dat het gaat om een ongeclausuleerde toezegging. Voor de uitleg van deze uitlating, waarover partijen dus van mening verschillen, komt het erop aan welke betekenis [appellant] , tot wie deze uitlating was gericht, daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft toegekend en heeft mogen toekennen. In dat kader zijn de volgende omstandigheden van belang.

2.7

Achmea is een grote professionele partij. Van een professionele verzekeraar mag verwacht worden dat zij heel zorgvuldig is met de woordkeuze van haar mededelingen aan een derde benadeelde. De woorden van de uitlating zijn duidelijk: daarin staat dat Achmea de schade van [appellant] zal vergoeden. Dit is een veel verstrekkender mededeling dan dat Achmea uitsluitend de aansprakelijkheid erkent. Er wordt geen enkel voorbehoud gemaakt. [appellant] mocht op die mededeling afgaan. Achmea voert aan dat het voor [appellant] , ook gezien de fase waarin de zaak was, wel duidelijk moet zijn geweest dat zij niet meer deed dan namens Goes aansprakelijkheid erkennen. De schade stond nog niet vast en [appellant] , die werd bijgestaan door een gemachtigde, moest er rekening mee houden dat er mogelijk een eigen risico of limieten in de dekking van de aansprakelijkheidsverzekering van Goes zouden zijn, aldus Achmea. Daarmee draait Achmea de zaken om: het is aan haar als professionele partij om zich zorgvuldig uit te drukken en die duidelijkheid te creëren. Maar zelfs als [appellant] , gezien de betrokkenheid van [D] , heeft moeten begrijpen dat hij nog polisvoorwaarden tegen zich moest laten gelden, betekent dat nog niet dat hij erop bedacht moest zijn dat de limiteringen in die voorwaarden zodanig zouden zijn dat zijn schade, anders dan de uitdrukkelijke mededeling van Achmea, (behoudens een gering bedrag in verband met de aftoppingshoogte) uiteindelijk geheel door Goes gedragen zou moeten worden. Daarbij is van belang dat deze SIR-regeling uit de polisvoorwaarden niet gebruikelijk is: de door de rechtbank ingeschakelde deskundige en door hem geconsulteerde experts zijn volgens het deskundigenbericht met de systematiek van het begrenzen van de dekking op een Multi line verzekering met behulp van een SRR-limiet voor een verzekeringstermijn van drie jaar wel bekend, maar kenden deze variant niet.

2.8

Achmea stelt ook dat uit de stellingen van [appellant] in deze procedure al blijkt dat [appellant] haar mededeling niet heeft opgevat als een betalingstoezegging, omdat die stellingen inhouden dat [appellant] de mededeling heeft opgevat als “een ongeclausuleerde mededeling van erkenning van aansprakelijkheid”. Het hof volgt die stelling niet. Nog los van het feit dat de geciteerde stelling niet uitsluit dat deze is opgevat als een betalingstoezegging, neemt [appellant] in de procedure uitdrukkelijk het standpunt in dat hij er op basis van die mededeling heeft vertrouwd dat zijn schade vergoed zou worden (memorie van grieven 2.28 en 2.40 en verder). Achmea voert tot slot nog aan dat het tot het faillissement van Goes voor [appellant] niet uitmaakte of de schade door haar of door Goes gedragen zou worden en dat de voorschotbetalingen niet door haar, maar via [A] door Goes zijn verricht. Voor [appellant] was dat laatste echter (in elk geval ten aanzien van een deel van de betalingen) niet kenbaar. Bovendien was het voor [appellant] , in het licht van de mededeling van Achmea, niet van belang of het geld afkomstig was van Goes of via een regresactie van de aansprakelijke partij of van Achmea zelf. Waar het om gaat is dat Achmea door haar mededeling dat zij de schade zou vergoeden en het daarop gevolgde schaderegelingstraject gedurende een periode van ruim zes jaar bij [appellant] de gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt dat hij zijn schade van (of via) Achmea vergoed zou krijgen.

2.9

Gelet op alle hiervoor besproken omstandigheden oordeelt het hof het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Achmea zich ten opzichte van [appellant] beroept op de SIR-regeling in de polisvoorwaarden.

3 Slotsom

3.1

Het hoger beroep slaagt en Achmea moet de gevorderde schade vergoeden. Omdat de voorwaarde voor het incidenteel hoger beroep niet is vervuld komt het hof aan behandeling daarvan niet toe. Een kostenveroordeling blijft dan ook in dat beroep achterwege. Het hof zal het vonnis van de rechtbank vernietigen, met uitzondering van de proceskostenveroordeling ten laste van Achmea.

3.2

Achmea wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure van het hoger beroep. Deze kosten worden aan de zijde van [appellant] vastgesteld op:

- explootkosten € 98,01

- griffierecht € 1.649,-

totaal verschotten € 1.747,01

- salaris advocaat € 7.838,- (2 punten x tarief VI)

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van 27 juni 2018 van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, met uitzondering van de proceskostenveroordeling ten laste van Achmea;

veroordeelt Achmea tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 191.695,55, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2014 tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Achmea in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [appellant] tot op heden vastgesteld op € 1.747,01voor verschotten en € 7.838,- voor salaris conform het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt Achmea in de nakosten, begroot op € 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval Achmea niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

verstaat dat het voorwaardelijk ingestelde incidenteel hoger beroep geen behandeling behoeft.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.E.F. Hillen, M.P.C.J. van Bavel en P.L.R. Wefers Bettink en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2021.