Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:6499

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-06-2021
Datum publicatie
09-07-2021
Zaaknummer
21-003643-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vonnis wordt om proceseconomische redenen vernietigd. Verdachte wordt veroordeeld wegens winkeldiefstal. Recidive. Oplegging van gevangenisstraf voor duur van 2 weken, waarvan 1 week voorwaardelijk, met proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003643-19

Uitspraak d.d.: 30 juni 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 21 juni 2019 met parketnummer 16-026976-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 juni 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, waarvan 1 week voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van het voorarrest overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. J. Veenstra, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft verdachte bij vonnis van 21 juni 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, veroordeeld ter zake van het tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, waarvan 1 week voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 1 februari 2019 te [plaats] één of meerdere flessen afwasmiddel en/of één of meerdere potjes crème en/of één of meerdere medicijnen en/of een pak tandenborstels, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken omdat niet (wettig en) overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de winkeldiefstal. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte heeft verklaard dat hij zijn boodschappen in twee etappes wilde afrekenen, waarbij hij één deel met contant geld wilde afrekenen en een ander deel met zijn pinpas. Verdachte kreeg echter niet de kans om het laatste deel van zijn boodschappen met zijn pinpas te betalen, omdat hij al door de filiaalhoudster werd aangesproken. Nu tevens de belangrijkste stills van de camerabeelden in het dossier ontbreken en de camerabeelden niet meer teruggekeken kunnen worden, kan de verklaring van verdachte niet geverifieerd worden.

Verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij de kassa nog niet was gepasseerd toen hij werd aangesproken.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder nog als volgt.

Blijkens de aangifte van de [naam1] , in samenhang met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 februari 2019, heeft aangeefster [naam2] gezien dat verdachte op voornoemde datum met een tas de winkel is binnengelopen en een winkelmand heeft gepakt. Vervolgens heeft verdachte één doos thee en één doos tissues in zijn winkelmand geplaatst. Verdachte heeft daarna een aantal artikelen uit het cosmetica-schap gepakt en in zijn tas gestopt. Daarop heeft aangeefster de politie gebeld en is zij bij de uitgang van de winkel blijven wachten tot de politie arriveerde. Na overleg is verbalisant [verbalisant1] in de buurt van de kassa’s gaan staan en zijn aangeefster en verbalisant [verbalisant2] bij de uitgang van de winkel blijven staan. Zowel aangeefster als verbalisant [verbalisant1] hebben gezien dat verdachte de twee artikelen uit de winkelmand bij de kassa heeft afgerekend en deze in zijn tas heeft gestopt. Door verdachte zijn verder geen andere artikelen ter betaling aangeboden. Nadat verdachte voorbij de kassa’s is gelopen, is hij door aangeefster aangesproken. Verbalisant [verbalisant1] en aangeefster hebben in de tas van verdachte vervolgens meerdere artikelen zien liggen die niet door laatstgenoemde zijn afgerekend.

Aangeefster heeft voorts in hoger beroep bij de raadsheer-commissaris op 4 maart 2021 aanvullend verklaard dat de afstand tussen de kassa’s en de uitgang van de [naam1] tussen de vijf en tien meter beslaat en dat het bij de [naam1] gebruikelijk is om mensen bij een verdenking van winkeldiefstal pas aan te spreken nadat er bij de kassa is afgerekend. Verbalisant [verbalisant2] heeft bij de raadsheer-commissaris op 4 maart 2019 tevens aanvullend verklaard dat de afstand tussen de kassa en de uitgang ongeveer 7 a 8 meter is en dat verdachte ongeveer halverwege door aangeefster werd aangesproken.

Het hof is van oordeel dat, gelet op voornoemde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het oogmerk had de tenlastegelegde goederen weg te nemen, als bedoeld in artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht. De verklaring van verdachte, inhoudende dat hij de goederen nog ter betaling wilde aanbieden, acht het hof ongeloofwaardig. Verdachte heeft de goederen in de winkel in zijn tas gestopt en daarmee aan het zicht en de heerschappij van het winkelpersoneel onttrokken. Vervolgens heeft verdachte bij de kassa slechts twee goederen ter betaling aangeboden en is hij, met de niet-afgerekende goederen in zijn tas, de kassa’s voorbij gelopen. Blijkens de aanvullende verklaring van verbalisant [verbalisant2] is verdachte pas halverwege de kassa en de uitgang van de winkel aangesproken. Daarmee werd de mogelijkheid ondervangen dat verdachte de goederen alsnog ter betaling zou aanbieden. Dat laatste heeft verdachte echter niet gedaan. Dat de stills van de camerabeelden in het dossier ontbreken en de camerabeelden niet meer bekeken kunnen worden, zoals door de raadsvrouw is aangevoerd, doet aan het oordeel van het hof niet af. Daarvoor immers is een zekere compensatie geboden door het verzoek tot het horen van de drie getuigen toe te wijzen en zij ook zijn gehoord.

Het hof acht op grond van voornoemde omstandigheden derhalve niet aannemelijk dat bij verdachte het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening ontbrak en verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 1 februari 2019 te [plaats] flessen afwasmiddel, potjes crème, medicijnen en een pak tandenborstels, die aan een ander toebehoorden, te weten aan [naam1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal, door slechts een aantal goederen bij de kassa af te rekenen en de rest van de goederen, die zich in de tas van verdachte bevonden, niet ter betaling aan te bieden. Door aldus te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van een ander. Daarnaast heeft verdachte de desbetreffende winkelier schade en overlast berokkend, ook door de kosten van afhandeling van de winkeldiefstal.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte - blijkens een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 19 mei 2021 - eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld ter zake van winkeldiefstal.

Alles in acht nemende is het hof van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, waarvan 1 week voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden is. De deels voorwaardelijke gevangenisstraf dient daarbij als stok achter de deur teneinde te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig zal maken aan een (soortgelijk) strafbaar feit.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) week, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter,

mr. H.J. Deuring en mr. A.H. toe Laer, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.J. Flach, griffier,

en op 30 juni 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.