Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:6397

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-06-2021
Datum publicatie
30-06-2021
Zaaknummer
200.295.909
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Arbeidsrecht. Vordering van coach om door sportbond aan NOC*NSF voorgedragen te worden als lid van het begeleidingsteam afgewezen. Deelname aan het begeleidingsteam is geen overeengekomen arbeidsvoorwaarde. De sportbond is verantwoordelijk voor de samenstelling van het begeleidingsteam.

De sportbond heeft in redelijkheid kunnen besluiten om de coach niet in het begeleidingsteam op te nemen. Besluit is niet in strijd met de norm van goed werkgeverschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0841
JAR 2021/171
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.295.909

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn: 9229050)

arrest in kort geding van 30 juni 2021

in de zaak van

de vereniging Koninklijke Nederlandse Gymnastiek Unie,

gevestigd te Beekbergen,

appellante,

eiseres in het incident,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de KNGU,

advocaat: mr. L.J.J. van Asseldonk,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

verweerder in het incident,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [de coach] ,

advocaat: mr. E. Beekhuis.

1 Het verloop van de procedure

1.1

De KNGU heeft bij dagvaarding van 21 juni 2021 hoger beroep aangetekend tegen het vonnis in kort geding van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, van 18 juni 2021. Aan de KNGU is verlof tot dagvaarding op verkorte termijn verleend. [de coach] heeft een memorie van antwoord genomen. Op 24 juni 2021 heeft de advocaat van de KNGU nog nadere producties aan het hof en aan [de coach] toegezonden. Die producties horen ook bij de stukken.

1.2

De mondelinge behandeling heeft op 28 juni 2021 plaatsgevonden. Beide partijen hebben daarbij pleitnotities overgelegd. Hierna heeft het hof een datum voor arrest bepaald.

2 De motivering van de beslissing in hoger beroep

inleiding

2.1

[de coach] is sinds 1 januari 2014 in dienst bij de KNGU als trainer/coach en sinds 2017 als senior coach. Voor die laatste functie hebben partijen op 6 juni 2017 een arbeidsovereenkomst gesloten voor de periode 1 maart 2017 tot en met 31 december 2020. Deze arbeidsovereenkomst is verlengd tot en met 31 december 2021. [de coach] werkt voor de KNGU ten behoeve van de topsportdiscipline Turnen Dames en is ook de persoonlijke coach van vier turnsters. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Sport van toepassing.

2.2

De KNGU heeft op 9 april 2021 aan [de coach] meegedeeld dat hij geen deel uitmaakt van het begeleidingsteam Turnen Dames dat meegaat naar de Olympische Spelen in Tokyo van 23 juli tot en met 8 augustus 2021. Over dit besluit van 9 april 2021 gaat het in deze kort geding-procedure. [de coach] is het daar namelijk niet mee eens en vordert (als voorlopige voorziening) dat de KNGU hem toelaat tot het begeleidingsteam, althans dat zij hem als zodanig voordraagt aan NOC*NSF. De kantonrechter heeft de KNGU bevolen [de coach] in de voordracht aan NOC*NSF op te nemen als lid van het begeleidingsteam en alles te doen wat in haar macht ligt om te bevorderen dat [de coach] een accreditatie verkrijgt van NOC*NSF, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 200.000,-. De KNGU is het niet eens met deze veroordeling en vraagt het hof de vordering van [de coach] alsnog af te wijzen. Daarnaast vraagt de KNGU om schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van dit vonnis totdat in hoger beroep arrest wordt gewezen.

2.3

Het spoedeisend belang, nodig voor toewijzing van een voorziening in kort geding, is tussen partijen niet in discussie: Team NL Tokyo zal op 5 juli 2021 naar Tokyo afreizen. Op uiterlijk 1 juli 2021 moet de KNGU de voordracht van de sporters en het begeleidingsteam doen aan NOC*NSF.

de beslissing van het hof

2.4

Het hof wijst de vordering van [de coach] af. Het hof legt deze beslissing hierna uit. Daarbij zal het hof ingaan op de twee redenen die [de coach] aan de vordering ten grondslag heeft gelegd:

( i) geeft de arbeidsovereenkomst recht op deelname aan het begeleidingsteam?

(ii) is het besluit van 9 april 2021 in strijd met de norm van goed werkgeverschap?

(i) uitleg van de arbeidsovereenkomst

2.5

[de coach] stelt dat hij in zijn arbeidsovereenkomst met de KNGU is overeengekomen dat hij lid is van het begeleidingsteam tijdens grote evenementen. Uit zijn arbeidsovereenkomst vloeit dus voort dat hij (ook) behoort tot het begeleidingsteam van de Olympische Spelen. Daarom moet de KNGU hem als lid van dat team voordragen aan NOC*NSF. Het besluit om hem niet in het begeleidingsteam op te nemen is een gedeeltelijke op non-actiefstelling, die in strijd is met de cao, aldus [de coach] . Volgens de KNGU heeft [de coach] op grond van zijn arbeidsovereenkomst geen (automatisch) recht om in het begeleidingsteam van de Olympische Spelen te worden opgenomen.

2.6

[de coach] en de KNGU zijn het er dus niet over eens welke rechten er voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst. [de coach] beroept zich op de tekst van de arbeidsovereenkomst en de daarbij behorende functiebeschrijving. In de arbeidsovereenkomst staat onder het kopje “Takenpakket op hoofdlijnen – deel KNGU”: “Lid van (eventueel) begeleidingsteam senioren tijdens grote evenementen”. In de functiebeschrijving die onderdeel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst staat bij de belangrijkste resultaatverantwoordelijkheden: “Het coachen en begeleiden van sporters tijdens sportevenementen”. [de coach] heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat er tussen hem en de KNGU over deze bepalingen en over zijn deelname aan het begeleidingsteam tijdens grote evenementen niets anders is besproken dan wat er op papier staat. Die tekst is volgens hem heel duidelijk en ook in overeenstemming met de gebruikelijke gang van zaken. Volgens de KNGU is dat niet juist.

2.7

De (juridische) standpunten van partijen worden bepaald door de betekenis die zij geven aan deze passages uit de arbeidsovereenkomst. Het hof moet bepalen wat partijen over deelname aan het begeleidingsteam tijdens grote evenementen zijn overeengekomen. Daarbij geldt de Haviltexmaatstaf: wat de betekenis van de overeenkomst is, is niet alleen afhankelijk van wat er staat, maar ook van wat partijen daaruit redelijkerwijs mochten afleiden. Daarbij kan het hof onder meer letten op wat er tussen hen is besproken, maar ook wat tussen hen gebruikelijk was en hoe zij zich hebben gedragen.

2.8

Voorop staat dat het lid zijn van het begeleidingsteam senioren tijdens grote evenementen in de arbeidsovereenkomst genoemd wordt in een opsomming van taken, onder het kopje “Takenpakket op hoofdlijnen – deel KNGU”. Er staan in die opsomming daarnaast (voor dit deel van de werkzaamheden) nog andere taken, te weten: technisch rechterhand en adviseur van de bondscoach, rol tijdens centrale trainingsstages/trainingen, werkbezoeken aan clubs en organisaties, beschikbaar zijn voor overleggen en werkgroepen in relatie tot topsport en voelspriet bij de clubs voor de bondscoach en het topsportmanagement. Hiernaast is een takenpakket op hoofdlijnen overeengekomen voor het “deel Heerenveen”. Dit takenpakket omvat nog zes taken, waaronder het zijn van senior coach van (potentiële) Oranjeselectieleden en het zijn van mentor en back-up van de hoofdcoach KNGU en de coach in Heerenveen. In de functiebeschrijving, die onderdeel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst, staat “het coachen en begeleiden van sporters tijdens tosportevenementen” genoemd als één van de zeven resultaatsverantwoordelijkheden. In de arbeidsovereenkomst is dus een uitgebreid takenpakket opgenomen, waarvan de begeleiding tijdens topsportevenementen slechts een onderdeel uitmaakt.

2.9

Tijdens de mondelinge behandeling is door de technisch directeur van de KNGU toegelicht dat de gebruikelijk gang van zaken bij grote sportevenementen is dat de bondscoach bepaalt welke sporters aan een sportevenement deelnemen en welke begeleiders er mee gaan. De bondscoach legt deze keuze voor aan de technisch directeur, die daar normaliter mee akkoord gaat. De technisch directeur is eindverantwoordelijk voor de afvaardiging. [de coach] heeft deze gang van zaken niet voldoende betwist: hij is de rechterhand en adviseur van de bondscoach en is in die hoedanigheid nauw betrokken bij de selectie van de turnsters. Het hof begrijpt het zo dat er bij veel grote sportevenementen geen expliciete keuzes zijn gemaakt over de samenstelling van het begeleidingsteam, omdat daarover meestal geen discussie was. Dat verklaart ook dat [de coach] bij veel grote sportevenementen in het begeleidingsteam zat. Maar dat betekent nog niet dat het daarmee een uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiend recht is dat [de coach] altijd opgenomen dient te worden in het begeleidingsteam bij grote sportevenementen, zoals hij stelt. Uit de gang van zaken bij de European Games 2015 in Baku blijkt ook dat zich de situatie kon voordoen waarin wel gekozen werd wie een sportevenement zou begeleiden. [de coach] heeft daarover tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat vanwege de vele evenementen die zich in die periode voordeden, samen met de bondscoach is besloten dat hij niet aan het begeleidingsteam van de European Games zou deelnemen. Het feit dat hij pas sinds 2017 senior coach is, is in dit verband niet van belang. [de coach] beroept zich immers zelf op vele evenementen waarbij hij in het begeleidingsteam zat terwijl die zich ook voor 2015 afspeelden.

2.10

Het hof oordeelt dat [de coach] uit de door hem genoemde passages in de arbeidsovereenkomst en functiebeschrijving redelijkerwijs niet heeft kunnen afleiden dat hij automatisch en altijd lid is van het begeleidingsteam bij grote sportevenementen. Die uitleg zou ertoe leiden dat de KNGU geen enkele zeggenschap heeft over de samenstelling van het begeleidingsteam. Dat is niet te rijmen met haar verantwoordelijkheid voor het topsportbeleid, zoals ook voortvloeiend uit hoofdstuk 8 van het huishoudelijk reglement. En als onderdeel daarvan haar verantwoordelijkheid voor de aanwijzing en samenstelling van vertegenwoordigende teams van turners en begeleiding. Daarbij komt dat de KNGU veel meer (senior) coaches in dienst heeft met dezelfde functiebeschrijving als die van [de coach] . Bij de topsportdiscipline Turnen Heren zijn dat er naast de bondscoach acht. De KNGU stelt terecht dat het niet werkbaar en realistisch is dat zij bedoeld heeft voor al deze coaches een automatisch recht op deelname in een begeleidingsteam in het leven te roepen. Dit geldt zeker voor het begeleidingsteam van de Olympische Spelen 2021. Daarvoor is mede als gevolg van de coronapandemie maar een beperkt aantal accreditaties beschikbaar. De bevoegdheid voor samenstelling van het begeleidingsteam ligt bij de KNGU als sportbond. Aan die bevoegdheid zou de KNGU geen invulling kunnen geven als de uitleg van [de coach] gevolgd zou worden. Die uitleg gaat bovendien voorbij aan de rol van de KNGU als werkgever. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [de coach] een ingewijde is in de turnwereld en dus goed op de hoogte van de gang van zaken: hij is al jaren nauw betrokken bij de topsport en is ook eerder in dienst geweest bij de KNGU. Het hof komt niet tot een ander oordeel doordat de arbeidsovereenkomst van [de coach] in 2020 met een jaar is verlengd. De KNGU heeft de contracten van niet alleen [de coach] , maar ook van de andere coaches, met een jaar verlengd vanwege de verplaatsing van de Olympische Spelen naar het jaar 2021. Tot de taken van [de coach] behoort ook (onder meer) het coachen en trainen van sporters in aanloop naar grote sportevenementen zoals de Olympische Spelen. Alle voorbereidende taken gingen gewoon door. Ook de omstandigheid dat [de coach] wel in het begeleidingsteam zat van de Europese Kampioenschappen in april 2021 leidt het hof niet tot een ander oordeel. De KNGU heeft uitgelegd dat dit het eerste grote sportevenement was na een langere periode waarin er door de coronapandemie geen grote wedstrijden waren geweest. Vanwege de korte voorbereidingstijd die er restte tot deze kampioenschappen heeft de KNGU in het belang van de sporters gekozen om [de coach] , naast de nieuwe coach en met het doel om een goede overdracht te realiseren, in het begeleidingsteam op te nemen. [de coach] heeft daaruit niet kunnen afleiden dat hij recht had op deelname aan het begeleidingsteam van volgende evenementen, zoals de Olympische Spelen.

2.11

Het hof verwerpt dus de uitleg die [de coach] aan de arbeidsovereenkomst geeft: het lid zijn van het begeleidingsteam bij grote sportevenementen is geen overeengekomen arbeidsvoorwaarde. Dat betekent ook dat [de coach] door het besluit van de KNGU om hem niet als begeleider mee te nemen naar de Olympische Spelen niet gedeeltelijk op non-actief is gesteld, zoals hij aanvoert, omdat hij onbeperkt toegang heeft tot al zijn andere werkzaamheden. Het hof oordeelt voorshands dat op deze grond zijn vordering niet toewijsbaar is.

(ii) besluit 9 april 2021

2.12

[de coach] stelt ook dat de KNGU met het besluit van 9 april 2021 geen rekening heeft gehouden met zijn belangen. Voor zover het hof hieruit moet begrijpen dat [de coach] vindt dat het besluit in strijd is met de eisen van goed werkgeverschap, overweegt het hof het volgende.

2.13

De KNGU stelt dat zij het besluit van 9 april 2021 heeft genomen om duidelijkheid en rust te creëren. In de zomer van 2020 is er binnen de turnwereld veel onrust ontstaan na klachten en aangiften van (oud-)turnsters over geestelijk en fysiek grensoverschrijdend gedrag door coaches. De KNGU heeft een driesporenaanpak gekozen om uit deze turncrisis te komen, waarmee zij een cultuuromslag tot stand wil brengen. Ook tegen [de coach] zijn klachten ingediend en er loopt over hem, evenals over enkele andere coaches, een onderzoek van de aanklager van het Instituut Sportrechtspraak (ISR). In april 2021 was nog niet duidelijk hoe lang dat onderzoek en de daarop eventueel volgende tuchtrechtelijke procedure nog zouden lopen en wanneer een uitspraak te verwachten viel. Ook was er op dat moment (als onderdeel van de driesporenaanpak) een door de KNGU zelf opgestart extern onderzoek door Verinorm gaande. Vanuit de sporters werd de KNGU verzocht om duidelijkheid te geven over de begeleiding tijdens de Olympische Spelen. Daarbij speelden de belangen van alle (toen nog) negen sporters van TeamNL Dames, niet alleen die van de sporters die door [de coach] worden begeleid. De KNGU heeft intern overleg gevoerd met onder meer de Atletencommissie en vervolgens besloten om alle coaches van de topsportdiscipline Turnen Dames, die zich bezig hadden gehouden met werkzaamheden ten behoeve van de Olympische Cyclus 2020, niet in het begeleidingsteam voor de Olympische Spelen 2021 op te nemen. Dit besluit, waardoor ook [de coach] werd geraakt, is persoonlijk aan hem meegedeeld.

2.14

Het hof is in het kader van dit kort geding van oordeel dat de KNGU in redelijkheid tot het besluit van 9 april 2021 heeft kunnen komen. Het is zorgvuldig tot stand gekomen en ook persoonlijk aan [de coach] meegedeeld. Het is duidelijk dat [de coach] een andere visie aanhangt, maar de KNGU heeft als werkgever en vereniging, die verantwoordelijk is voor (onder meer) het topsportbeleid, de nodige vrijheid om haar eigen beleidsafwegingen en -keuzes te maken. Het hof begrijpt dat het besluit voor [de coach] (en zijn turnsters) ingrijpend is. Hiervoor is beslist dat uit de arbeidsovereenkomst van [de coach] geen recht voortvloeit op deelname in het begeleidingsteam van de Olympische Spelen. Tegen deze achtergrond vindt het hof niet dat de belangen van [de coach] onevenredig zijn getroffen door het besluit van de KNGU. De KNGU loopt daarmee ook niet vooruit op de uitslag van de tuchtprocedure, zoals [de coach] stelt, omdat de achtergrond van het besluit van 9 april 2021 was om duidelijkheid voor de sporters te creëren. [de coach] heeft aan het einde van de zitting gezegd dat het niet om hem gaat, maar om de belangen van de sport en zijn sporters. De behartiging van die belangen is echter de taak van de KNGU, en niet die van hem als werknemer.

conclusie

2.15

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hof het onvoldoende aannemelijk oordeelt dat de aangevoerde grondslagen de vorderingen van [de coach] kunnen dragen.

3 De slotsom

3.1

Het hoger beroep slaagt. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen en de vorderingen van [de coach] alsnog afwijzen. Omdat er een uitspraak in de hoofdzaak is, heeft de KNGU geen belang bij het incident tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad. Het hof zal de vordering in dit incident afwijzen. Er zijn geen extra kosten voor het incident gemaakt. Daarom kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

3.2

[de coach] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure in beide instanties. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van de KNGU worden vastgesteld op:

- salaris advocaat € 747,-

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de KNGU worden vastgesteld op:

- explootkosten € 85,81

- griffierecht € 772,--

totaal verschotten € 857,81

- salaris advocaat € 2.228,- (2 punten x tarief II).

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

in het incident:

wijst de vordering af;

in de hoofdzaak:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter in kort geding van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, van 18 juni 2021 en doet opnieuw recht:

wijst de vorderingen van [de coach] af;

veroordeelt [de coach] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de KNGU voor de eerste aanleg vastgesteld op € 747,- aan salaris volgens het liquidatietarief, en voor het hoger beroep tot aan deze uitspraak op € 857,81 voor verschotten en € 2.228,- aan salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.E.F. Hillen, A.A. van Rossum en R.J.A. Dil en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2021.