Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:6372

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-06-2021
Datum publicatie
01-07-2021
Zaaknummer
200.267.532/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil over afwikkeling arbeidsovereenkomst.

Werkgever mag lening verrekenen met laatste salarisbetaling en werknemer kan aanspraak maken op provisie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0830
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.267.532/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 7189422)

arrest van 29 juni 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonend in [woonplaats] ,

appellant,

bij de kantonrechter: gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. M. Helmantel, die kantoor houdt in Sappemeer,

tegen

Smiled B.V.,

gevestigd in Tynaarlo,

geïntimeerde,

bij de kantonrechter: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna: Smiled,

advocaat: mr. A.J. Elema, die kantoor houdt in Beilen.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 21 juli 2020 hier over.

1.2

In dit tussenarrest heeft het hof een meervoudige comparitie van partijen gelast. Deze

comparitie is gehouden op 26 mei 2021. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal maakt deel uit van de stukken.

1.3

Aan het slot van de comparitie heeft het hof op verzoek van partijen arrest bepaald.

2 Waar gaat deze zaak over?

2.1

Het gaat in deze procedure om de afwikkeling van een arbeidsovereenkomst die tussen partijen heeft bestaan. Dit geschil heeft de volgende achtergrond.

2.2

[appellant] is met ingang van 1 januari 2018 als [functie] werkzaam geweest bij Smiled op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van drie maanden.

2.3

Voordien, dat wil zeggen op 3 november 2017 en 30 november 2017 heeft de bestuurder van Smiled, de heer [de bestuurder] (verder: [de bestuurder] ), twee keer een bedrag van

€ 2.500,- op een bankrekening van [appellant] overgemaakt.

2.4

Partijen hebben in dat verband de volgende WhatsApp-correspondentie gevoerd, voor zover van belang:

“03-11-2017 12:29 - [appellant] : Goedemiddag [de bestuurder] , hopelijk ben je alweer een beetje bijgeslapen. Zoals [A] waarschijnlijk al had gecommuniceerd heb ik deze maand weer een salaris van Global Light gekregen. Ik kon alleen geld krijgen in toezegging voor de complete Topbrands deal. Ik heb daar op geantwoord dat we een gedeelte via hun kunnen bestellen (b

03-11-2017 12:29 - [appellant] : (Buitenverlichting)

03-1-2017 12:29 - [appellant] : hierop gingen ze dus blijkbaar niet akkoord aangezien ik nog niets heb ontvangen

03-11-2017 12:30 - [appellant] : Voor mij zou het wel prettig zijn als we vandaag nog wat konden regelen aangezien we echt op de spaarrekening van de kinderen niets te besteden hebben

03-11-2017 - 12:31 [appellant] : [A] heeft dit ook toegezegd en het is zo extreem dat ik het je vandaag ook moet vragen. Anders had ik tot maandag gewacht

03-11-2017 - 12:32 [de bestuurder] : Wat heb je nodig?

03-11-2017 - 12:32 [appellant] : 2500 voor de gehele maand (…)

03-11-2017 - 12:34 [de bestuurder] : Gaan ik regelen (…)

03-11-2017 - 12:35 [appellant] : Bedankt [de bestuurder] . Waardeer ik enorm. Ga het ook ruimschoots goedmaken (…)

28-12-2017 - 11:26 [appellant] : Goedemorgen [de bestuurder] , sorry dat ik je moet storen in je vakantie. Maar kom er met [A] niet uit aangezien hij het afkapt. Het is weliswaar niet zo dat ik afgelopen maand een grote order heb kunnen doorzetten. Gelukkig wel een paar kleinere via Roempke, Spie en Topbrands kantoor. Maar heb momenteel wel echt mijn salaris/vergoeding nodig voor het einde van de maand, ivm automatische incasso en bestedingsruimte. Ik waardeer onze samenwerking ontzettend en we moeten om tafel volgende week, maar het kan niet zo zijn dat door de vertraging van deze grote projecten ik komende week zonder geld zit terwijl er wel degelijk prestatie tegenover staat.

28-12-2017 - 11:39 [de bestuurder] : Deze zaak moet je met [A] bespreken (…)

30-01-2018 – 17:38 [appellant] : Mijn vader heeft me net 2000 overgemaakt. Focus vol op smiled (…)”

2.5

Op 25 januari 2018 hebben partijen een leningsovereenkomst gesloten, waarbij Smiled een bedrag van € 5.000,- aan [appellant] ter beschikking heeft gesteld. In artikel 2 van de leningsovereenkomst is het doel van de lening omschreven:

“De lening is bedoeld voor het inlossen van een persoonlijke schuld aan Dhr [de bestuurder] en zal uitsluitend voor dit doel aangewend worden.”

2.6

Op 26 januari 2018 heeft Smiled een bedrag van € 5.000,- aan [appellant] overgemaakt onder vermelding van “Lening ten behoeve van diverse zaken”. [appellant] heeft op diezelfde dag een bedrag van € 5.000,- aan [de bestuurder] overgemaakt.

2.7

Op enig moment is de arbeidsovereenkomst van [appellant] met drie maanden verlengd, tot 1 juli 2018.

2.8

In een brief van 24 mei 2018 heeft Smiled aan [appellant] laten weten dat zijn arbeidsovereenkomst die loopt tot 30 juni 2018 niet zal worden verlengd. Daarnaast is verzocht om de door Smiled verstrekte lening af te betalen voor het einde van de arbeidsovereenkomst. In een brief van 5 juni 2018 brengt Smiled [appellant] de leningsovereenkomst nog een keer in herinnering. Daarbij is nogmaals verzocht om over te gaan tot betaling van per maart 2018 vervallen termijnen en over te gaan op het volgen van het aflosschema.

2.9

Op 25 juni 2018 heeft Smiled [appellant] geschorst, wat bij brief van diezelfde datum is bevestigd.

2.10

In een brief van 24 juli 2018 heeft de gemachtigde van [appellant] de toenmalige gemachtigde van Smiled aangeschreven tot betaling van achterstallig loon over de maand juni 2018 en tot verstrekking van salarisstroken vanaf januari 2018 tot en met juni 2018 en een deugdelijke eindafrekening. Ook maakt [appellant] aanspraak op € 4.000,- bruto op grond van de provisieregeling.

2.11

In de tussen partijen overeengekomen provisieregeling van 2 januari 2018 is onder meer opgenomen:

“Targets:

Op basis van een gefactureerde maandomzet van minimaal € 10.000,- (excl. BTW) en maximaal € 20.000,- (excl. BTW), kan er een provisie van maximaal € 1000,- bruto per maand worden verdient, ongeacht de gefactureerde omzet.

Dit zal zijn volgens onderstaand overzicht:

Bij € 5.000,- boven de genoemde 10.000,- een bruto provisie van € 500,-

Bij € 7.500,- boven de genoemde 10.000,- een bruto provisie van € 750,-

Bij € 10.000,- boven de genoemde 10.000,- een bruto provisie van € 1000,-”

2.12

Beide partijen hebben vorderingen bij de kantonrechter ingesteld. Smiled heeft (in conventie) gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van

€ 3.084,47. Dit bedrag ziet op het bedrag dat [appellant] op grond van de leningsovereenkomst aan Smiled verschuldigd zou zijn, vermeerderd met een aantal bijkomende kosten die volgens Smiled voor rekening van [appellant] zouden moeten komen en verminderd met wat Smiled [appellant] verschuldigd is aan salaris, vakantietoeslag en eindafrekening. [appellant] heeft (in reconventie) betaling van achterstallig salaris van

€ 2.000,- netto, afgifte van salarisspecificaties en een eindafrekening en betaling van een bedrag van € 4.000,- aan provisie gevorderd.

2.13

De kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland (locatie Assen) heeft in het vonnis van 7 mei 2019 aangenomen dat partijen een geldleningsovereenkomst zijn aangegaan. Het bedrag dat [appellant] op grond van die geldleningsovereenkomst aan Smiled verschuldigd is, acht de kantonrechter toewijsbaar. De bijkomende kosten zijn afgewezen. De kantonrechter acht Smiled bevoegd om tot verrekening over te gaan met het salaris van [appellant] , zijn vakantiegeld en het bedrag van de eindafrekening. Op grond hiervan is [appellant] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.622,28, vermeerderd met de wettelijke rente en € 387,23 aan buitengerechtelijke kosten. De door [appellant] in reconventie gevorderde provisie is door de kantonrechter afgewezen, omdat die vordering onvoldoende is onderbouwd. De overige reconventionele vorderingen van [appellant] zijn eveneens afgewezen. [appellant] is zowel in conventie als in reconventie in de proceskosten veroordeeld.

2.14

[appellant] vordert in dit hoger beroep dat het vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd en dat de vorderingen van Smiled alsnog worden afgewezen en zijn vorderingen in reconventie worden toegewezen, met veroordeling van Smiled in de proceskosten van beide instanties.

3 Het oordeel van het hof

De opzet en de conclusie van deze uitspraak

3.1

[appellant] heeft zes grieven (waarvan twee keer een grief II) tegen het vonnis van de kantonrechter geformuleerd. Grief I, II, II(2) en III hebben betrekking op de geldlening en grief IV ziet op de afwijzing van de provisie. Met grief V keert [appellant] zich tegen zijn veroordeling in conventie, de afwijzing van zijn vorderingen in reconventie en zijn veroordeling in de proceskosten. Het hof zal de grieven van [appellant] hierna bespreken.

3.2

De conclusie zal zijn dat het hof er net als de kantonrechter vanuit gaat dat tussen partijen een geldleningsovereenkomst tot stand is gekomen. Anders dan de kantonrechter oordeelt het hof dat [appellant] wel aanspraak kan maken op provisie, en wel voor een bedrag van € 1.000,-.

De geldleningsovereenkomst

3.3

De grieven I, II, II(2) en III zal het hof gezamenlijk bespreken. Die grieven stellen in de kern centraal of tussen partijen een geldleningsovereenkomst tot stand is gekomen, of Smiled nog een vordering op [appellant] heeft op grond van deze overeenkomst en of Smiled die vordering kan verrekenen.

3.4

Het hof stelt voorop dat de door partijen op 25 januari 2018 ondertekende leningsovereenkomst een onderhandse akte is, bestemd om tot bewijs te dienen, zoals bedoeld in artikel 156 lid 1 Rv. In deze akte is vermeld (1) dat Smiled € 5.000,-, tegen een rente van 2% en maandelijkse aflossing, ter beschikking stelt aan [appellant] en (2) dat deze lening is bedoeld voor het inlossen van een persoonlijke schuld van [appellant] aan [de bestuurder] . Op grond van artikel 157 lid 2 Rv levert de akte dwingend bewijs van de waarheid van deze verklaringen. Tegen dit dwingende bewijs staat tegenbewijs open (artikel 151 lid 2 Rv) dat door [appellant] moet worden geleverd. Dit betekent dat het aan [appellant] is feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit valt af te leiden dat de in de overeenkomst opgenomen tekst niet overeenstemt met de werkelijke bedoeling van partijen.

3.5

[appellant] heeft in dit verband gewezen op het volgende. In de geldleningsovereenkomst wordt aangegeven dat het geld ter beschikking wordt gesteld aan [appellant] per 1 februari 2018. Dat is nooit gebeurd. Wel heeft Smiled op 26 januari 2018

€ 5.000,- betaald aan [appellant] , maar [appellant] heeft dit bedrag diezelfde dag terugbetaald aan [de bestuurder] . Deze constructie is bedacht door [de bestuurder] , naar zijn zeggen uit fiscale en administratieve overwegingen om bedragen die [de bestuurder] in 2017 privé aan [appellant] heeft voldaan te kunnen verantwoorden. [appellant] heeft in goed vertrouwen aan deze constructie, waarbij partijen dus “voor de vorm” een lening zijn aangegaan die meteen is ingelost, meegewerkt.

De betalingen die [de bestuurder] in 2017 heeft [appellant] heeft voldaan, een bedrag van € 2.500,- op

3 november 2017 en een bedrag van € 2.500,- op 30 november 2017, waren betalingen voor werkzaamheden die [appellant] per september 2017 voor Smiled heeft verricht. Partijen zijn die vergoeding mondeling overeengekomen. Ter onderbouwing van zijn stelling wijst [appellant] op de onder 2.4 weergegeven WhatsApp-correspondentie, op de verklaring van [B] (verder: [B] ) en op het feit dat Smiled pas bij het einde van het dienstverband aanspraak heeft gemaakt op terugbetaling van de door haar gestelde lening.

3.6

Het hof stelt vast dat niet in geschil is dat [de bestuurder] op 3 en 30 november 2017 een bedrag van € 2.500,- aan [appellant] heeft betaald. Uit de overgelegde WhatsApp-correspondentie blijkt dat de eerste betaling op 3 november 2017 te maken had met financiële nood van [appellant] wegens het uitblijven van salarisbetaling door Global Lightning. Onweersproken is gebleven dat dit een firma in Dubai is, waar [appellant] destijds voor werkte. Dat deze betaling verband hield met een tussen partijen afgesproken vergoeding voor verrichtte werkzaamheden, blijkt daaruit geenszins. De enkele uitlating dat [appellant] deze betaling waardeert en het ook ruimschoots goed gaat maken, is onvoldoende om ervan uit te gaan dat die betaling wel berust op een dergelijke afspraak. Dat valt ook niet te rijmen met de omstandigheid dat [appellant] desgevraagd aangeeft hoeveel hij nodig heeft.

Over de tweede betaling op 30 november 2017 zijn geen WhatsApp-contacten of andere bescheiden beschikbaar, terwijl Smiled ook daarvan heeft aangevoerd dat die betaling was ingegeven door financiële nood bij [appellant] wegens het uitblijven van salarisbetaling uit Dubai.

3.7

[appellant] wijst erop dat hij, blijkens het WhatsApp-contact van 28 december 2017, vraagt om zijn salaris/vergoeding en aangeeft dat hij zonder geld zit terwijl er wel degelijk prestatie tegenover staat. Maar ook deze uitlating kan niet dienen als ondersteuning van zijn stelling dat de betalingen in 2017 berusten op een door partijen gemaakte afspraak voor vergoeding van werkzaamheden voor Smiled. Het verzoek van [appellant] is gedaan in de aanloop naar zijn dienstverband bij Smiled. [de bestuurder] heeft daarop gereageerd door te verwijzen naar [A] , salesmanager bij Smiled (verder: [A] ). Onweersproken is dat dit niet in enige betaling heeft geresulteerd. De door [appellant] gekozen bewoordingen van salaris/vergoeding zijn onvoldoende om aan te kunnen nemen dat partijen mondeling - zoals [appellant] ter zitting in hoger beroep nader heeft gesteld - een maandelijkse vergoeding van

€ 2.500,- zijn overeengekomen voor door [appellant] per september 2017 verrichte werkzaamheden, en dat de betalingen van € 2.500,- op 3 november en 30 november 2017 en het verzoek op 28 december 2017 in dat licht moeten worden bezien. Hiervoor is van belang dat [appellant] desgevraagd niet concreet en specifiek, maar juist vaag en wisselend over die afspraak heeft verklaard en daar de uitdrukkelijke betwisting van Smiled tegenover staat. Bovendien heeft [appellant] niet duidelijk kunnen maken hoe die afspraak zich verhoudt tot de provisie die Smiled in 2017 voor het aan haar uitbesteden van orders heeft betaald aan [appellant] Projectverlichting, een bedrijf van de vader van [appellant] voor wie [appellant] in 2017 ook werkzaam is geweest, en waarvan [appellant] ook een gedeelte heeft ontvangen, getuige het WhatsApp-bericht van 30 januari 2018.

3.8

[appellant] beroept zich ook nog op [B] , die heeft verklaard dat [appellant] al vanaf september 2017 fulltime werkzaamheden heeft verricht voor Smiled. Die enkele omstandigheid zegt nog niets over de door [appellant] gestelde mondelinge afspraak. Niet blijkt op welke basis [appellant] werkzaam zou zijn geweest en waaruit zijn werkzaamheden precies hebben bestaan. Dit komt belang toe omdat [appellant] in die periode ook actief was voor Global Lightning en voor het bedrijf van zijn vader, die kennelijk ook samenwerkte met Smiled. Dat [B] uit eigen waarneming kan verklaren dat partijen voor die werkzaamheden - bovenop of naast de provisiebetalingen - een vergoeding zijn overeengekomen, laat staan een maandelijkse vergoeding van € 2.500,-, volgt daaruit evenmin.

3.9

Onder deze omstandigheden kan aan het feit dat Smiled pas bij het einde van het dienstverband aanspraak heeft gemaakt op terugbetaling van de lening, ook niet het gewicht worden toegekend dat [appellant] daaraan toegekend wenst te zien.

3.10

Al met al oordeelt het hof dat [appellant] onvoldoende heeft aangevoerd om de dwingende bewijskracht van de akte te ontzenuwen van de in de geldleningsovereenkomst vermelde feiten dat Smiled € 5.000,- aan [appellant] heeft geleend en dat die lening diende ter inlossing van de persoonlijke schuld van [appellant] van dit bedrag aan [de bestuurder] . Het hof zal [appellant] dus niet toelaten tot het leveren van tegenbewijs.

3.11

Gelet op het voorgaande gaat het hof ervan uit dat [appellant] € 5.000,- van Smiled heeft geleend en dat [appellant] dit bedrag aan Smiled niet heeft afgelost. Omdat het hof uitgaat van een lening van Smiled aan [appellant] , kan Smiled deze lening, vermeerderd met de verschuldigde rente, verrekenen met de laatste salarisbetaling aan [appellant] . De grieven I, II, II(2) en III falen.

De provisie

3.12

Grief IV is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] geen aanspraak kan maken op een provisie van € 4.000,- bruto. In de toelichting op zijn grief beroept [appellant] zich op meerdere grotere orders boven de € 10.000,- die hij heeft binnengehaald. Daarbij verwijst hij naar de in eerste aanleg ingebrachte verklaring van [B] . In aanvulling daarop overlegt hij als productie 1 een e-mail van

[C] van 10 april 2019 over het project Le Roux en als productie 2 een aan Topbrands gerichte factuur.

3.13

Over Topbrands heeft Smiled aangevoerd dat dat project niet is doorgegaan. De factuur die [appellant] heeft overgelegd, is diezelfde dag nog gecrediteerd. Als bewijs daarvoor heeft Smiled de desbetreffende creditfactuur overgelegd. [appellant] heeft dit verder niet bestreden, zodat het hof hiervan uitgaat en [appellant] dus geen provisie toekomt voor zover het deze klant betreft.

3.14

Het project Le Roux betrof de leverantie van ledverlichting voor de nieuwbouw van Le Roux, welke verlichting geïnstalleerd zou worden door

Van der Graaf Installatie Service en Onderhoud B.V. (verder: Van der Graaf). Uit de beschikbare gedingstukken volgt naar het oordeel van het hof voldoende dat het [appellant] is geweest die dit project bij Smiled heeft aangebracht. Niet alleen heeft

[C] dit met zoveel woorden verklaard in zijn e-mail van 10 april 2019. Dit blijkt ook uit de als productie 7 bij memorie van antwoord overgelegde e-mail van

7 januari 2020 van diens vader [D] . Daaruit komt naar voren dat [appellant] als eerste contact met Van der Graaf over dit project heeft gelegd en dat dit uiteindelijk heeft geresulteerd in een definitieve aanbieding van Smiled op 12 april 2018 die door

Van der Graaf is geaccepteerd. Dat Van der Graaf en Smiled ontevreden waren over het optreden van [appellant] en dat [A] dit project ondanks [appellant] tot een goed einde heeft gebracht, doet aan dat eerste contact van [appellant] niet af.

3.15

Uit de op 2 januari 2018 tussen partijen overeengekomen provisieregeling volgt dat [appellant] boven op zijn salaris een brutobedrag aan provisie van maximaal € 1.000,- kan ontvangen als hij meer dan € 10.000,- per maand omzet zou behalen. Bij € 5.000,- extra omzet gaat het om een provisie van € 500,-, bij € 7.500,- extra omzet om een provisie € 750,- en bij meer dan € 10.000,- extra omzet een provisie van € 1.000,-. Naar het oordeel van het hof kan dit niet anders worden uitgelegd dan dat [appellant] voor aanbrengen van het project Le Roux maximaal € 1.000,- bruto aan provisie toekomt. Daarbij maakt het niet uit of van een projectwaarde van € 34.000,- (zoals [appellant] stelt) of € 21.339,40 (zoals Smiled stelt) moet worden uitgegaan. Het betoog van [appellant] dat hem bij een redelijke uitleg van de provisieregeling een minimumprovisie van € 1.000,- toekomt, en dus voor deze order een hogere provisie, moet worden verworpen. Feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel leiden, zijn gesteld noch gebleken.

3.16

Dat [appellant] , afgezien van Topbrands en Le Roux, nog andere klanten heeft aangebracht, heeft [appellant] niet van enige onderbouwing voorzien. De schriftelijke verklaring van [B] , dat [appellant] meerdere grote projecten heeft binnengehaald, acht het hof in dit verband onvoldoende concreet en specifiek. [B] noemt als voorbeeld nog wel, zonder enige tijdsaanduiding en toelichting op de aard en omvang van die projecten, Topbrands en Spie. Maar Topbrands heeft, zoals hiervoor is overwogen geen doorgang gevonden, terwijl voor Spie door [appellant] Projectverlichting facturen zijn verzonden aan Smiled en Smiled deze heeft voldaan. Dat [appellant] vanaf januari 2018 met andere projecten de vereiste maandelijkse omzet is behaald, is het hof niet gebleken.

3.17

De conclusie is dat [appellant] met betrekking tot het project Le Roux aanspraak heeft op € 1.000,- bruto aan provisie. Dit bedrag komt voor toewijzing in aanmerking. In zoverre slaagt grief IV. Het hof stelt vast dat [appellant] aan deze vordering geen nevenvorderingen heeft verbonden.

Proceskosten in eerste aanleg

3.18

Met grief V keert [appellant] zich tegen zijn veroordeling in conventie, de afwijzing van zijn vorderingen in reconventie en zijn veroordeling in de proceskosten. Uit het voorgaande volgt dat [appellant] in conventie terecht in het ongelijk is gesteld, zodat [appellant] ook terecht in de proceskosten daarvan is veroordeeld. Omdat de vordering van [appellant] tot betaling van provisie toewijsbaar is, zij het tot een beperkt gedeelte, zal het hof de proceskosten in eerste aanleg in reconventie compenseren.

4 De slotsom

4.1

De grieven in hoger beroep van [appellant] falen voor zover zij gericht zijn tegen het oordeel van de kantonrechter over de geldleningsovereenkomst. De grief van [appellant] over de provisie slaagt, zij het dat maar een beperkt gedeelte van het door [appellant] gevorderde bedrag voor toewijzing in aanmerking komt. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen voor zover daarin betaling van een bedrag aan provisie is afgewezen en het hof zal Smiled veroordelen om aan [appellant] een bedrag van € 1.000,- bruto aan provisie te betalen. De proceskosten in reconventie zullen worden gecompenseerd. Voor het overige zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd.

4.2

In de uitkomst van dit hoger beroep ziet het hof aanleiding de proceskosten te compenseren.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Assen van 7 mei 2019, voor zover in reconventie gewezen, en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt Smiled tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 1.000,- bruto op grond van de provisieregeling d.d. 2 januari 2018;

compenseert de kosten van de procedure in eerste aanleg in reconventie;

bekrachtigt het vonnis voor het overige;

compenseert de kosten van dit hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. Willemse, W.F. Boele en J. Schulp en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

29 juni 2021.