Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:6304

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-06-2021
Datum publicatie
19-07-2021
Zaaknummer
21-001633-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gerechtshof heeft verdachte veroordeeld voor het opzettelijk vervoeren en aanwezig hebben van een handelshoeveelheid MDMA, amfetamine en cocaïne. Bewijsuitsluitingsverweer ex artikel 359a Sv wordt door het gerechtshof verworpen. Het gerechtshof wijst het verzoek van de verdediging tot berechting van de verdachte op grond van het adolescentenstrafrecht af. Veroordeling van verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zeven weken met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis met aftrek voorarrest. Het gerechtshof beveelt de teruggave van de iPhone 7 en de jas van het merk Napapijri aan de verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001633-20

Uitspraak d.d.: 23 juni 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 26 februari 2020 met het parketnummer 18-243185-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 9 juni 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis van de politierechter, veroordeling van verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zeven weken met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Ten aanzien van het beslag vordert de advocaat-generaal teruggave aan de verdachte van de iPhone 7 en de jas van het merk Napapijri.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. G.I.T. Spaan, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft de verdachte bij voornoemd vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, ter zake van het feit zoals is tenlastegelegd veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven weken met aftrek van het voorarrest.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het hof op onderdelen tot een andere bewijsbeslissing komt dan de politierechter en zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 21 juni 2019 te [plaats] opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 45,67 gram en 5,57 gram, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende 3,4-methyldioxymethamfetamine (MDMA) en/of ongeveer 19,13 gram en 10,82 gram, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of ongeveer 8,23 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde 3,4-methyldioxymethamfetamine (MDMA) en/of amfetamine en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging ten aanzien van het bewijs

Verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk vervoeren en aanwezig hebben van een handelshoeveelheid MDMA, amfetamine en cocaïne. Verdachte heeft dit feit ontkend.

Ten aanzien van het bewijsuitsluitingsverweer.

De verdediging heeft ter terechtzitting van het hof het verweer gevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen aan hem is tenlastegelegd. Ter onderbouwing heeft de raadsvrouw – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat er geen redelijk vermoeden van schuld voor overtreding van de Opiumwet was bij de aanhouding van de verdachte en bij de doorzoeking van de auto. De resultaten daarvan zijn daarom onrechtmatig verkregen en kunnen daarom niet worden gebruikt voor het bewijs.

Het hof stelt de volgende feiten vast.1

Verbalisant [verbalisant1] kreeg, toen hij op 21 juni 2019 omstreeks 01:15 uur in het dienstvoertuig met agent [verbalisant2] zat, een melding dat er mogelijk gedeald werd vanuit een Volkswagen Up aan de [straat1] . Later hoorde hij van collega [verbalisant3] dat een soortgelijk voertuig aan de [straat2] in [plaats] al eens was waargenomen met een soortgelijke melding. Collega [verbalisant4] fietste naar deze straat en gaf door dat daar een grijs voertuig met het kenteken [kenteken] geparkeerd stond. Toen deze collega het voertuig wilde controleren reed deze weg naar de [straat3] . Verbalisant [verbalisant2] en haar collega [verbalisant1] zijn toen hierheen gereden. Om 01:16 uur zagen zij het voertuig, een Peugeot 108. Zij gaven kort daarna op [straat4] het betrokken voertuig een stopteken op grond van artikel 160 Wegenverkeerswet 1994. De bestuurder deed de alarmlichten aan. Verbalisant zag dat er meerdere mogelijkheden waren waar de bestuurder het voertuig stil kon zetten. Het voertuig reed door naar de [straat5 1] . Hij stopte vervolgens na 40 meter en reed daarna weer door naar de kruising [straat5 1] met de [straat5 2] . Het stopteken stond nog steeds aan. Vervolgens stopte de Peugeot en stapte Agent [verbalisant1] uit het dienstvoertuig. De bestuurder stapte uit de Peugeot en rende vervolgens weg. De bestuurder is om 01:28 uur aangemerkt als verdachte vanwege het niet voldoen aan een bevel of een vordering op basis van de Wegenverkeerswet 1994. Verbalisant [verbalisant1] kon deze persoon goed waarnemen en zag tevens dat hij een lichtgrijs tasje op zijn rug droeg. Vervolgens is verbalisant achter deze persoon aan gerend en ook reed agent [verbalisant2] met het dienstvoertuig achter deze persoon aan. Uiteindelijk heeft onder meer verbalisant [verbalisant1] een persoon aangetroffen die zich schuil hield. Deze persoon voldeed aan het signalement dat deze verbalisant vlak daarvoor had waargenomen. Hij werd om 01:39 uur aangehouden voor het niet voldoen aan een bevel of een vordering, strafbaar gesteld in artikel 177 lid 1 Wegenverkeerswet 1994. Deze persoon is de verdachte. Tevens had verbalisant waargenomen dat de verdachte een tasje bij zich had tijdens het wegrennen. Dit tasje is later op een bouwcontainer gevonden. Via de portofoon hoorde verbalisant van zijn collega [verbalisant5] dat in het tasje veel geld en drugs was aangetroffen. Dit tasje is door collega [verbalisant5] om 01:40 uur inbeslaggenomen. Aan de verdachte werd daarna medegedeeld dat hij tevens was aangehouden ter zake van handel en bezit van harddrugs, strafbaar gesteld in artikel 2 onder B en C van de Opiumwet.2 De Peugeot met het kenteken [kenteken] werd naar het politiebureau gebracht door verbalisant [verbalisant6] . Hem werd dit verzocht te doen toen “zojuist verdachte [verdachte] was aangehouden”. Op het politiebureau werd daarna door hem onderzoek verricht in het voertuig. De Peugeot bleek gehuurd te zijn. Tevens zag verbalisant in het dashboardkastje rechtsvoor een plastic zakje. Hierin zaten vijf gripzakjes met daarin wit poeder.3

Het hof overweegt als volgt.

De wet eist dat het vermoeden redelijk moet zijn en gebaseerd op feiten en omstandigheden. Dit moeten feitelijke omstandigheden zijn die volgen uit objectieve en concrete gegevens. De feiten en omstandigheden moeten objectief bezien voldoende aanleiding geven voor een verdenking van het plegen van een strafbaar feit. Algemene vermoedens zijn zonder andere feiten of omstandigheden onvoldoende grond voor een redelijk vermoeden. Op grond van artikel 96b lid 1 Wetboek van Strafvordering mag een opsporingsambtenaar, in geval van ontdekking op heterdaad of in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67 lid 1 Wetboek van Strafvordering, een vervoermiddel ter inbeslagneming doorzoeken en zich de toegang tot dit vervoermiddel verschaffen. Als met het oog op de uitoefening van de in het eerste lid verleende bevoegdheid noodzakelijk is, kan de opsporingsambtenaar het vervoermiddel naar een daartoe door hem aangewezen plaats overbrengen.

Uit de vastgestelde feiten blijkt dat de agenten gegronde redenen hadden om naar de [straat2] te gaan. Daarvoor was namelijk een melding gedaan dat er mogelijk gedeald werd vanuit een Volkswagen Up in de [straat1] . Er is een soortgelijke melding van een soortgelijk voertuig in de [straat2] gedaan. Zij troffen daar een grijze Peugeot aan. Nadat de agenten even later het voertuig een stopteken gaven om vervolgens controle uit te voeren op grond van artikel 160 Wegenverkeerswet 1994, probeerde de verdachte te vluchten. Eerst met het voertuig en daarna te voet. Hij werd hierdoor als verdachte aangemerkt. Later is hij gevonden terwijl hij zich schuil aan het houden was voor de politie. De verdachte is hierop volgend aangehouden op grond van artikel 177 lid 1 Wegenverkeerswet 1994. Tevens is de verdachte kort daarna ook aangehouden ter zake van handel en bezit van harddrugs dat is strafbaar gesteld in artikel 2 onder B en C Opiumwet. De agent is hiertoe overgegaan nadat een tasje was aangetroffen op een bouwcontainer. Dit tasje kwam overeen met het tasje dat de agent had waargenomen toen verdachte aan het wegrennen was voor de politie. In dit tasje werden volgens een agent veel geld en drugs aangetroffen. Naar het oordeel van het hof geven de hiergenoemde feiten en omstandigheden objectief bezien voldoende aanleiding voor een verdenking van het plegen van een strafbaar feit. De aanhouding van de verdachte was derhalve rechtmatig. Ook de doorzoeking in het voertuig was naar het oordeel van het hof rechtmatig. De agent heeft gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 96b Wetboek van Strafvordering. De verdachte was daarvoor aangehouden op verdenking van een strafbaar feit, namelijk artikel 2 onder B en C Opiumwet. Op grond van artikel 10 lid 3 en 4 Opiumwet staat hier achtereenvolgens een maximum gevangenisstraf op van zes en acht jaren. Hierdoor wordt voldaan aan artikel 67 lid 1 onder a Wetboek van Strafvordering. Voor een doorzoeking van de Peugeot was daarom geen toestemming van de verdachte nodig. Het hof beoordeelt de aanhouding van verdachte als rechtmatig, evenals de doorzoeking van de auto. De resultaten van beide zijn bruikbaar voor het bewijs.

Het hof verwerpt het verweer.

Ten aanzien van het bewijsverweer.

Ter zitting heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het tasje, dat verdachte bij zich had en tijdens het wegrennen heeft weggegooid, niet van verdachte was. Hij verwachtte wel dat er drugs in het tasje zou zitten.

Het hof stelt in aanvulling op hetgeen hiervoor over de feiten is vastgesteld de volgende verdere feiten vast.4

De door verbalisant [verbalisant6] op het politiebureau onderzochte Peugeot bleek gehuurd te zijn. Verbalisant [verbalisant1] heeft onderzoek ingesteld naar het inbeslaggenomen lichtgrijze tasje van het merk Nike. In het hoofdvak van het tasje werd het volgende aangetroffen:

  • -

    Blauwe pillen: 107 in gripzakjes

  • -

    Rode pillen: 75 pillen

  • -

    Gripzakje wit poeder

  • -

    Vier ampullen wit poeder

  • -

    Zes gripzakjes kristal achtig poeder

  • -

    Vijf enveloppe blanco

  • -

    Zeven enveloppe El Chapo

  • -

    Tien enveloppe scarface

  • -

    Elf enveloppe horse power

  • -

    Zeventien enveloppe Caina

In het tasje werd ook een geldbedrag van € 780,15,- aangetroffen. Daarnaast werden ook een bankpas van de ING bank en een rijbewijs die allebei op de naam van verdachte stonden aangetroffen.5

Tijdens het verhoor van de verdachte gaf hij aan dat hij de auto had gehuurd. Toen hij op 21 juni 2019 aan het rijden was zag hij een stopteken van de politie. Hij wist toen niet wat hij moest doen, omdat hij zich realiseerde dat hij hasj had gerookt. Hij wist dat de tas in de auto lag en dat hij nog een rechtszaak tegen hem had lopen voor het rijden onder invloed van drugs. Hij zei dat zijn rijbewijs en zijn pinpas in het tasje zaten, maar dat het tasje niet van hem was. Hij had dat tasje in de ochtend wel gebruikt. Voorts geeft hij aan dat hij wist dat er nog meer in dat tasje zat en dat hij daarom wegreed voor de politie. Toen hij uit het voertuig stapte had hij de tas meegenomen en tijdens het wegrennen heeft hij die weggegooid. Het betrof een schoudertasje van het merk Nike. Hij verklaarde dat hij wist dat er drugs in het tasje zat.6

Op 10 en 15 juli 2019 werd door de politie onderzoek verricht aan een partij vermoedelijk verdovende middelen. De resultaten zijn:

  • -

    een open kleurloos, plastic zakje met daarin 5 gripzakjes met groene rand met in elk een zeer lichtoranje, vochtige substantie met een netto gewicht van 19,13 gram, testen positief voor amfetamine,

  • -

    een dicht geknoopte plastic zak met daarin 11 wikkels met de tekst ‘’HORSE POWER’’ en een afbeelding van een steigerend paard met in elke wikkel wit poeder en brokjes met het netto gewicht van 8,23 gram, testen positief voor cocaïne,

  • -

    27 gripzakjes met een groene rand met in elk gripzakje 4 lichtblauwe driehoekige tabletten met aan weerszijden een diepdruk van 2x letter ‘’M’’ (logo van inspiration) (totaal 108 tabletten) met het netto gewicht van 45,67 gram, testen positief voor MDMA,

  • -

    een gripzakje met groene rand met daarin 6 opgerolde gripzakjes met groene rand met in elk zakje wit/beige kristallen en poeder met het netto gewicht van 5,57 gram, testen positief voor MDMA,

  • -

    7 gripzakjes met een iets vochtige, zeer licht oranje substantie met het netto gewicht van 10.82 gram, testen positief voor amfetamine.7

Deze resultaten komen overeen met die van de deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut.8

Het hof overweegt als volgt.

Verdachte heeft de door hem gehuurde Peugeot bestuurd. Nadat hij een stopteken van de agenten had genegeerd is hij weggerend voor de politie, maar niet dan nadat hij eerst nog het tasje dat in de auto lag pakte. Tijdens het wegrennen heeft de verdachte een schoudertas van het merk Nike op een puincontainer gegooid. Uit nader onderzoek bleek dat de inhoud van dit tasje een handelshoeveelheid amfetamine, cocaïne en MDMA was. Nu de verdachte het voertuig bestuurde en hij het tasje bij zich had tijdens het wegrennen bevonden de verdovende middelen zich in de machtssfeer van verdachte. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij wist wat er in het tasje zat. Naar het oordeel van het hof bevestigt hij hiermee dat hij wetenschap heeft gehad over de aanwezigheid van de verdovende middelen. Tevens heeft de verdachte, door het voertuig te besturen en weg te rennen met het tasje, verdovende middelen vervoerd, omdat hij door deze handelingen de verdovende middelen van de ene plaats naar de andere heeft gebracht.

Daargelaten dat verdachte het bestaan van een persoon van wie de aangetroffen verdovende middelen zouden zijn niet heeft geconcretiseerd, kan deze omstandigheid niet afdoen aan de getrokken conclusies. De wet vereist immers niet dat de verdovende middelen verdachte feitelijk toebehoren.

Het verweer van de verdediging strekkende tot vrijspraak wordt verworpen. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 21 juni 2019 in Groningen opzettelijk een handelshoeveelheid MDMA, amfetamine en cocaïne heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 21 juni 2019 te [plaats] opzettelijk heeft vervoerd en opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 45,67 gram en 5,57 gram 3,4-methyldioxymethamfetamine (MDMA) en ongeveer 19,13 gram en 10,82 gram amfetamine en ongeveer 8,23 gram cocaïne, zijnde 3,4-methyldioxymethamfetamine (MDMA) en amfetamine en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod,

en

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

Jeugdstrafrecht

De verdachte was ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten 19 jaar oud en dus meerderjarig. Uitgangspunt is dat op een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, het volwassenenstrafrecht wordt toegepast, tenzij het hof in bijzondere omstandigheden aanleiding ziet daarvan af te wijken en op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht de bepalingen van het jeugdstrafrecht toe te passen. Hiertoe kan het hof beslissen op grond van de persoon van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat als hij wordt veroordeeld, dit dient te gebeuren op basis van het adolescentenstrafrecht. De persoonlijkheid van verdachte noopt hiertoe. Verdachte werd destijds begeleid. Hij had de begeleiding nodig om organisatie en structuur in zijn leven aan te brengen. Daarnaast had hij moeite met het gaan naar school en dagbesteding. Hiervoor was hij afhankelijk van begeleiding. Dit is volgens de raadsvrouw een aantal wegingsfactoren dat kan leiden tot toepasselijkheid van het adolescentenstrafrecht en daarom verzoekt zij het adolescentenstrafrecht toe te passen. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte op grond van het volwassenenstrafrecht berecht dient te worden.

Het hof heeft kennis genomen van een aantal rapportages over verdachte:

  • -

    het reclasseringsrapport van 7 juli 2020;

  • -

    het reclasseringsrapport van 10 augustus 2020;

  • -

    het reclasseringsrapport van 24 augustus 2020;

  • -

    het reclasseringsrapport van 12 oktober 2020;

  • -

    advies Verslavingszorg Noord Nederland van 27 mei 2021.

Het hof heeft acht geslagen op de adviezen in deze rapporten en ziet in de persoonlijkheid van verdachte geen aanleiding om het adolescentenstrafrecht toe te passen. Het hof zal de verdachte derhalve volgens het volwassenenstrafrecht berechten.

Straftoemeting

De raadsvrouw verzoekt het hof om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en daarom een werkstraf op te leggen met aftrek van het voorarrest. In het geval het hof kiest voor een gevangenisstraf verzoekt zij deze voorwaardelijk op te leggen.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Met betrekking tot de aard en de ernst van het bewezen verklaarde delict heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op:

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat de verdachte verschillende soorten harddrugs opzettelijk heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad, waardoor hij zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de Opiumwet;

de strafwaardigheid hiervan is gelegen in de ernstige bedreiging die het gebruik van dergelijke stoffen voor de volksgezondheid vormt en de met dit gebruik gepaard gaande criminaliteit.

Het hof heeft gelet op het de verdachte betreffende uittreksel van de Justitiële Documentatie d.d. 11 mei 2021, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Tevens volgt daaruit dat verdachte na de pleegdatum van de thans ter beoordeling staande feiten onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Hieruit volgt dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Het hof heeft tevens acht geslagen op het advies van Verslavingszorg Noord Nederland d.d. 27 mei 2021 van de heer [naam] waarin geadviseerd wordt om een voorwaardelijke gevangenisstraf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Ook kan er eventueel een taakstraf worden opgelegd. Verdachte is namelijk na de verdenking veroordeeld voor een ander delict. Hiervoor heeft hij een gevangenisstraf van vijf maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk opgelegd gekregen. Aan het voorwaardelijk deel is reclasseringstoezicht gekoppeld. Als verdachte de gevangenisstraf van zeven weken, die de politierechter heeft opgelegd, moet uitzitten zal deze het reeds ingezette traject doorkruisen. In dit advies staat tevens dat verdachte op verschillende leefgebieden positieve vorderingen heeft behaald.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft het hof aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit hof in gevallen vergelijkbaar met deze zaak worden opgelegd.

Het hof is op grond van het bovenstaande en uit een oogpunt van normhandhaving, speciale preventie en ter vergelding van het door de verdachte begane strafbare feiten van oordeel dat passend en geboden is de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van zeven weken met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 60 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Tevens beveelt het hof de teruggave van de iPhone 7 en de jas van het merk Napapijri aan de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 55 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1 stuk iPhone 7; 1 stuk jas Napapijri.

Aldus gewezen door

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr. T.H. Bosma en mr. J.A.A.M. van Veen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A. Abdulkarim, griffier,

en op 23 juni 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar doorgenummerde paginanummers betreffen dit de paginanummers van het proces-verbaal van politie Eenheid Noord-Nederland, district Groningen, basisteam Groningen-centrum, met dossiernummer PL0100-2019273150Z en doorgenummerd van pagina 1 tot en met 86.

2 Het proces-verbaal aanhouding, pagina 34-35.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 9.

4 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar doorgenummerde paginanummers betreffen dit de paginanummers van het proces-verbaal van politie Eenheid Noord-Nederland, district Groningen, basisteam Groningen-centrum, met dossiernummer PL0100-2019273150Z en doorgenummerd van pagina 1 tot en met 86.

5 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 11.

6 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 45-51.

7 Het proces-verbaal verdovende middelen, pagina 22-28.

8 Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 29-33.