Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:6303

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-06-2021
Datum publicatie
19-07-2021
Zaaknummer
21-005938-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parketnummer 18-146005-19: het gerechtshof veroordeeld verdachte voor het opzettelijk vervoeren en aanwezig hebben van een handelshoeveelheid cocaïne en heroïne. Vrijspraak voor medeplegen.

Parketnummer 18-159800-19: ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit wordt verdachte niet-ontvankelijk verklaard. Het gerechtshof veroordeeld verdachte voor het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne en heroïne in zijn woning.

Veroordeling van verdachte tot een taakstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis en met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005938-19

Uitspraak d.d.: 23 juni 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 7 november 2019 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-146005-19 en 18-159800-19, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 9 juni 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de politierechter.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. G.A. Pots, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het onder het parketnummer 18-159800-19 onder 2 aan de verdachte ten laste gelegde, kan de verdachte daarin niet worden ontvangen. Het hof zal de verdachte in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft de verdachte bij voornoemd vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, ter zake van het feit zoals tenlastegelegd in de zaak met parketnummer 18-146005-19 en het onder 1 tenlastegelegde feit in de zaak met parketnummer 18-159800-19 veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis met aftrek van het voorarrest.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd, voor zover hier van belang, dat:

Zaak met parketnummer 18-146005-19:

1.
hij op of omstreeks 31 maart 2019 te [plaats1] en/of te [plaats2] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd en/of aanwezig heeft gehad ongeveer: 5,57 gram cocaïne en/of 4,54 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Zaak met parketnummer 18-159800-19 (gevoegd):

1.
hij op of omstreeks 11 maart 2019 te [plaats2] opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ongeveer 5,55 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

en/of

- ongeveer 3,70 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,

zijnde cocaïne en heroïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Het gerechtshof heeft de in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging ten aanzien van het bewijs

Parketnummer 18-146005-19:

Verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk vervoeren en/of aanwezig hebben van een handelshoeveelheid heroïne en cocaïne. Verdachte heeft dit feit ontkend.

De verdediging heeft op de terechtzitting van het hof het verweer herhaald dat verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen aan hem is tenlastegelegd. Ter onderbouwing heeft de raadsman – zakelijk weergegeven – onder meer aangevoerd dat verdachte niet wist dat er zich drugs in de auto bevonden. De reden dat hij met hoge snelheid probeerde te ontkomen aan de politie was omdat hij bang was om zijn rijbewijs kwijt te raken. Verdachte is tijdens de achtervolging kort gestopt, omdat hij wilde nadenken over welke vervolgstappen hij op dat moment moest zetten. Dat er op dat moment goederen naar buiten werden gegooid was niet door zijn toedoen en ook niet de bedoeling van het tot stilstand brengen van het voertuig.

Het hof stelt de volgende feiten vast.1

Op 31 maart 2019 kregen verbalisanten [verbalisant1] en [verbalisant2] een melding om naar de [naam1] in [plaats1] te gaan. Een bestuurder van een witte Renault Twingo zou onder invloed zijn van alcohol of verdovende middelen. Even later zagen zij het voertuig en op dat moment zagen zij dat drie personen in de auto zaten. Het voertuig probeerde vervolgens aan de verbalisanten te ontkomen door met hoge snelheid (110 kilometer per uur) weg te rijden. Het stopteken van de verbalisanten werd genegeerd.2 Op een gegeven moment reden verbalisanten achter het voertuig naar de [straat1] en het voertuig werd ter hoogte van de [straat2] tot stilstand gebracht door de bestuurder. De verbalisanten zagen dat de passagiersdeur aan de rechter voorzijde open ging. Vervolgens werden goederen vanuit de passagierszijde naar buiten gegooid. De verbalisanten zagen twee tasjes donker van kleur. Het voertuig accelereerde met hoge snelheid. Later reden de verbalisanten terug naar de plek waar de goederen uit het voertuig waren gegooid. Zij zagen een groen stoffen tasje met daarin een tiental ponypacks en een klein bruin sleuteltasje. De gevonden goederen hebben zij in beslag genomen.3 Ook de heer [getuige1] heeft als getuige gezien dat er vanuit een kleine witte auto door de bijrijder een drietal goederen uit de auto werd gegooid. Hij bevond zich op dat moment op de [straat1] te [plaats2] .4 Getuige [getuige2] zat naast verdachte in de auto. Zij gaf aan gezien te hebben dat er politie achter hun auto aan reed. Toen zij dat zag gaf de bestuurder, zijnde verdachte, ineens plank gas. Vervolgens heeft zij verklaard: “Toen werd de bestuurder ineens paniekerig”. Zij verklaart ook dat direct daarna tasjes uit de auto werden gegooid door de bestuurder.5 Verbalisanten [verbalisant1] en [verbalisant2] zagen later dat in het groene stoffen tasje tien ponypacks zaten waarvan twee met de opdruk ‘058 pack’. Verder zagen zij dat in het bruine sleuteltasje twaalf bolletjes zaten met een witte poederige substantie en negentien bolletjes met een bruine substantie.6 Verbalisant [verbalisant3] herkende de verdachte op de beelden die zijn verstrekt door de [naam1] in [plaats1] . Op dat moment reed de verdachte als bestuurder van een witte Renault door de Mc Drive.7 Op 29 april 2019 is door de politie onderzoek verricht aan een partij vermoedelijk verdovende middelen. De resultaten zijn:

  • -

    2 wikkels met opdruk ‘’058 pack’’ met het netto gewicht van 1,51 gram testen positief voor cocaïne,

  • -

    8 kleine wikkels met daarin witte brokjes met het netto gewicht van 2,52 gram testen positief voor cocaïne,

  • -

    19 dicht geknoopte bolletjes met daarin bruine brokjes en poeder met het netto gewicht van 4,54 gram testen positief voor heroïne,

  • -

    12 dicht geknoopt bolletjes met witte brokjes met het gewicht van 1,54 gram testen positief voor cocaïne.8

Deze resultaten komen overeen met die van de deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut.9

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft de witte Renault Twingo bestuurd en is met hoge snelheid voor de politie gevlucht. In dit voertuig bevonden zich op dat moment verdovende middelen te weten cocaïne en heroïne. De verdovende middelen bevonden zich daarom binnen de machtssfeer van verdachte. De verdachte heeft op een gegeven moment tijdens de achtervolging het voertuig zeer korte tijd stopgezet. Vervolgens ging de passagiersdeur open en werden goederen uit het voertuig gegooid, waarna hij, zo blijkt uit de verklaring van getuige [getuige1] , meteen weer met hoge snelheid weg reed. Uit nader onderzoek door de politie bleken de op die plaats gevonden goederen onder meer een handelshoeveelheid cocaïne en heroïne te zijn. De omstandigheid dat de verdachte het voertuig heeft gestopt en er vervolgens uitgerekend op dat moment verdovende middelen uit de auto werden gegooid, waarna de auto direct en met hoge snelheid verder reed, duidt er naar het oordeel van het hof op dat de verdachte wist van de aanwezigheid van de verdovende middelen in de auto. Dit wordt ondersteund door de verklaring van [getuige2] waar zij verklaart dat de paniek van verdachte direct werd gevolgd door het zich ontdoen van de drugs. Dat was naar het oordeel van het hof een doelbewuste poging van de verdachte om te proberen die verdovende middelen buiten het zicht en het bereik van de achtervolgende politie te houden. Een en ander maakt dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte wist dat de drugs zich in de auto bevonden en dat hij door de auto te besturen niet alleen verdovende middelen voorhanden had, maar ook vervoerde.

De verklaring dat hij voor de politie vluchtte omdat hij bang was zijn rijbewijs kwijt te raken en dat hij vervolgens de auto stopte omdat hij, vanwege twijfel aan zijn eigen handelen wilde nadenken over de vervolgstappen en dat hij daarbij niet wist dat er goederen uit de auto zouden worden gegooid, acht het hof volstrekt ongeloofwaardig. Verdachte is pas ter terechtzitting van het hof met deze verklaring gekomen. De uit de bewijsmiddelen gebleken volgordelijkheid van handelen geeft bovendien geen aanknopingspunten voor dergelijke beweegredenen nu het hof niet duidelijk is (geworden) waarom verdachte de auto stil zou moeten zetten om na te kunnen denken en verdere beslissingen te kunnen nemen over zijn handelen.

Het verweer van de verdediging strekkende tot vrijspraak wordt verworpen. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 31 maart 2019 in [plaats1] en [plaats2] opzettelijk cocaïne en heroïne heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad. Het hof acht echter geen bewijs aanwezig voor het ten laste gelegde medeplegen. Redengevende feiten en/of omstandigheden voor een nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte ter zake van dit feit met één of meer van de mede-inzittenden van de auto ontbreken.

Parketnummer 18-159800-19 feit 1:

Verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van een handelshoeveelheid heroïne en cocaïne in zijn woning. Verdachte heeft dit feit ontkend.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet op de hoogte was van de handelshoeveelheid cocaïne en heroïne in zijn toenmalige woning aan de [adres] te [woonplaats] . Verdachte was wel op de hoogte dat er soms personen in zijn woning aanwezig waren die cocaïne bij zich hadden voor eigen gebruik. Zijn toenmalige woning zou een soort doorgangshuis zijn geweest waardoor hij veel ‘mensen van de straat’ over de vloer kreeg. Tevens kon iedereen zich toegang tot de woning verschaffen door alleen maar een beetje kracht te zetten tegen de deur. De verdediging voert aan dat de gevonden verdovende middelen van iemand anders dan de verdachte waren en dat verdachte door de hoeveelheid aan gasten niet wist dat er cocaïne en heroïne in de woning aanwezig was. De verdediging komt daarom tot de conclusie dat vrijspraak voor het tenlastegelegde feit dient te volgen.

Het hof overweegt als volgt.

In zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2019:697) overweegt mr. E.J. Hofstee onder meer het volgende (r.o. 43):

Uit de cassatierechtspraak over het bewijs van opzet op het aanwezig hebben van verdovende middelen maak ik op dat de vraag of in beginsel kan worden aangenomen dat de bewoner van een woning van de aldaar aanwezige middelen en stoffen op de hoogte is, afhangt van de omstandigheden van het geval. In het bijzonder komt in dit verband veel gewicht toe aan de vraag of ook anderen in de woning wonen, althans daartoe toegang hebben op een wijze dat niet onaannemelijk is dat zij de drugs daar hebben achtergelaten. Andere factoren die in de beoordeling kunnen worden betrokken zijn: de ruimte waarin of de plaats waarop het middel wordt gevonden; de omstandigheden waaronder het wordt aangetroffen; of het aldaar voor een ieder eenvoudig zichtbaar was, dan wel op een plaats was verborgen waar een bewoner met enige regelmaat pleegt te kijken; of het middel een (sterke) geur draagt; en gedurende welke tijd het middel zich in de woning heeft bevonden. Van een hennepkwekerij in de slaapkamer op de eerste verdieping kan vanzelfsprekend eenvoudiger worden aangenomen dat (alle) bewoners daarvan bewust moeten zijn geweest dan van een paar gram cocaïne in een afgesloten schoenendoos op de zolder.

Toepassing van dit normatieve kader brengt het hof tot de volgende vaststelling van relevante feiten en omstandigheden.10

Op maandag 11 maart 2019 trad verbalisant [verbalisant4] samen met andere collega’s de woning van verdachte aan de [adres] in [woonplaats] binnen om daar doorzoeking ter inbeslagneming te verrichten. Tijdens de doorzoeking werden een portemonneetje met daarin verscheidene bolletjes/wikkels met vermoedelijk harddrugs inbeslaggenomen.11 Verbalisant [verbalisant5] trof op 11 maart 2019 in de slaapkamer van de woning van verdachte aan de linkerzijde van het bed, naast het hoofdkussen, namelijk een zwart leren portemonneetje aan. Hierin zaten een vijftal wikkels en diverse bolletjes, bruin en wit van kleur. Deze goederen zijn in beslag genomen en zijn voor onderzoek overgedragen aan de FO.12 Op 3 april 2019 is door de politie onderzoek verricht aan een partij vermoedelijk verdovende middelen. De resultaten zijn:

  • -

    23 dicht geknoopte bolletjes met in elk witte brokjes en poeder met het netto gewicht van 3,47 gram testen positief voor cocaïne,

  • -

    15 dicht geknoopte bolletjes met in elk bruine brokjes en poeder met het netto gewicht van 3,70 gram testen positief voor heroïne,

  • -

    5 witte wikkels, waarvan 1 geopend was, met in elk witte brokjes en poeder met het netto gewicht van 2,08 gram testen positief voor cocaïne.13

Deze resultaten komen overeen met die van de deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut.14

Verdachte heeft bij de politie tijdens een verhoor op 2 april 2019 voor het feit van 31 maart 2019, hiervoor besproken, verklaard dat hij “de laatste tijd” veel aan de drank en de rotzooi was. Desgevraagd gaf hij aan met “rotzooi” ballonnen, coke, speed en pillen te bedoelen.15 Verdachte liet anderen onbeperkt tot zijn woning toe. Zij konden zich, doordat verdachte geen slot had op de deur, ook zelf toegang verschaffen. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat anderen ook bleven slapen en dat hij met die anderen ’s avonds met enige regelmaat in een feestelijke sfeer in de woning was, waarbij er door die anderen ook wel drugs werden gebruikt. Verdachte ontkent dat hij wist dat er heroïne in zijn woning was, maar er was wel eens een envelopje cocaïne in de woning. Verder heeft verdachte ter zitting aangegeven dat hij wel gezien heeft dat er cocaïne werd afgewogen op een weegschaaltje in zijn woning, waarbij het betreffende weegschaaltje toen is achtergebleven of weggeraakt. Het betreffende weegschaaltje was al “heel lang” bij hem in de woning.

Uit het voorgaande kan naar het oordeel van het hof geconcludeerd worden dat de verdachte zich op zijn minst bewust was van de aanmerkelijke kans op de aanwezigheid van de handelshoeveelheid cocaïne en heroïne in zijn woning en dat hij die aanmerkelijke kans op de aanwezigheid ervan ook heeft aanvaard.

Bij het voorgaande kan worden opgemerkt dat – gelijk hiervoor is overwogen – de verdachte nog geen drie weken later, op 31 maart 2019, een bruin sleuteltasje gevuld met bolletjes cocaïne èn bolletjes heroïne opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Het verweer van de verdediging strekkende tot vrijspraak wordt verworpen. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 11 maart 2019 opzettelijk cocaïne en heroïne in zijn woning in Leeuwarden aanwezig heeft gehad.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18-146005-19 en in de zaak met parketnummer 18-159800-19 onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Zaak met parketnummer 18-146005-19:

1.
hij op 31 maart 2019 te [plaats1] en te [plaats2] opzettelijk heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad ongeveer: 5,57 gram cocaïne en 4,54 gram heroïne, zijnde cocaïne en heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Zaak met parketnummer 18-159800-19 (gevoegd):

1.
hij op 11 maart 2019 te [plaats2] opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ongeveer 5,55 gram, zijnde cocaïne, en

- ongeveer 3,70 gram, zijnde heroïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 18-146005-19 en in de zaak met parketnummer 18-159800-19 onder 1 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

en

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Deze feiten zijn in eendaadse samenloop begaan.

Het in de zaak met parketnummer 18-159800-19 onder 1 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Met betrekking tot de aard en de ernst van het bewezen verklaarde delict heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:

  • -

    De verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    De omstandigheid dat de verdachte de harddrugs opzettelijk heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad, waardoor hij opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de Opiumwet.

Het gebruik van harddrugs vormt een bedreiging voor de volksgezondheid. Bovendien gaat het gebruik van harddrugs regelmatig gepaard met criminaliteit en (andere) overlast.

Het hof heeft gelet op het de verdachte betreffende uittreksel van de Justitiële Documentatie d.d. 11 mei 2021, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Op 15 maart 2019 is een groot aantal zaken van verdachte onherroepelijk afgedaan in één veroordeling. Tevens heeft verdachte voor een drietal overtredingen onherroepelijk een geldboete opgelegd gekregen. Hieruit volgt dat verdachte na de pleegdatum van de thans ter beoordeling staande feiten onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten en dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht mitsdien van toepassing is.

De raadsman heeft ter zitting aangevoerd dat verdachte zijn leven op de rit heeft. Hij heeft een stabiele relatie en wanneer hij weer de fout in gaat staat er veel voor hem op het spel.

Het hof is op grond van het bovenstaande, uit een oogpunt van normhandhaving en ter vergelding van de door de verdachte begane strafbare feiten van oordeel dat passend en geboden is de oplegging van een taakstraf voor de duur van 80 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 9, 22c, 22d, 55, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-159800-19 onder 2 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-146005-19 en in de zaak met parketnummer 18-159800-19 onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18-146005-19 en in de zaak met parketnummer 18-159800-19 onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr. T.H. Bosma en mr. J.A.A.M. van Veen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A. Abdulkarim, griffier,

en op 23 juni 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar doorgenummerde paginanummers betreffen dit de paginanummers van het proces-verbaal van politie Eenheid Noord-Nederland, district Friesland, basisteam Leeuwarden, met dossiernummer PL0100-2019080008 en doorgenummerd van pagina 1 tot en met 178.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 69.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 70.

4 Het proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 63.

5 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 156.

6 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 71.

7 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 87.

8 Het proces-verbaal verdovende middelen, pagina 134-136.

9 Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 138-141.

10 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar doorgenummerde paginanummers betreffen dit de paginanummers van het proces-verbaal van politie Eenheid Noord-Nederland, district Friesland, basisteam Leeuwarden, met dossiernummer PL0100-2019062535 en doorgenummerd van pagina 1 tot en met 132.

11 Het proces-verbaal van binnentreden in woning, pagina 8.

12 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 46.

13 Het proces-verbaal van verdovende middelen, pagina 76-79.

14 Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 80-82.

15 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 162-163.