Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:6291

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-06-2021
Datum publicatie
09-07-2021
Zaaknummer
19/01061
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:2982, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM. Vermindering (afschrijving).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 19/01061

uitspraakdatum: 29 juni 2021

Uitspraak van de zestiende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 4 juli 2019, nummer AWB 18/5035, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft ter zake van de registratie van een Smart ForFour ( [nummer] , hierna: de auto) op aangifte een bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) voldaan.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft via beeldbellen plaatsgevonden op 15 juni 2021. Daarbij zijn verschenen en gehoord [A] namens belanghebbende, alsmede als gemachtigde van belanghebbende [B] . Namens de Inspecteur zijn verschenen [C] , bijgestaan door [D] . Met instemming van partijen zijn daar gezamenlijk behandeld de zaken met nummers 19/01042, 19/01043 tot en met 19/01045 en 19/01059 tot en met 19/01060. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op 17 april 2018 aangifte voor de bpm gedaan voor de auto. De datum van de eerste toelating is 18 september 2015. Bij de berekening van de aangegeven bpm is uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 17.730, een historisch bruto bpm-bedrag van € 1.633 en een handelsinkoopwaarde – volgens koerslijst AutotelexPro na correctie opties en een kilometercorrectie – van € 6.795. De aldus berekende bpm van € 625 is op 23 april 2018 op aangifte voldaan. De auto is te naam gesteld op 25 april 2018.

2.2.

In de aangifte voor de bpm heeft belanghebbende zichzelf aangemeld als aanvrager en (toekomstig) houder van het kenteken van de auto’s bij de RDW.

2.3.

Belanghebbende heeft bij het hogerberoepschrift een koerslijst AutotelexPro overgelegd uitgaande van een margevoertuig die vergelijkbaar is met de auto op datum tenaamstelling 25 april 2018. De waarde van de auto op voornoemde datum is € 6.404. De verschuldigde bpm bedraagt in dat geval € 589.

3 Geschil

Tussen partijen is in geschil of de bpm die belanghebbende ter zake van de auto op aangifte heeft voldaan te hoog is. Daarnaast zijn verschillende punten van formeelrechtelijke aard in geschil.

4 Beoordeling van het geschil

Tardief

4.1.

Belanghebbende heeft op 8 juni 2021 een pleitnota gefaxt naar het Hof. Deze is een dag later (op 9 juni 2021) doorgezonden naar de Inspecteur. De Inspecteur acht de pleitnota tardief omdat hij onvoldoende tijd heeft gehad om deze te bestuderen.

4.2.

Het Hof heeft ter zitting aan partijen kenbaar gemaakt dat het Hof geen aanleiding ziet de pleitnota tardief te verklaren. Het Hof wijst op de uitnodiging voor de digitale zitting waarin is aangegeven dat pleitnota’s niet ter zitting kunnen worden voorgelezen en daarom uiterlijk drie werkdagen voorafgaand aan de zitting moeten worden ingediend. Dat heeft belanghebbende gedaan.

Hoogte verschuldigde bpm

4.3.

Het Hof stelt voorop dat een redelijke verdeling van de bewijslast met zich brengt dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van bpm, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. Artikel 110 VWEU verzet zich niet tegen deze bewijslastverdeling. Belanghebbende moet wel voldoende gelegenheid worden geboden het van hem verlangde bewijs te leveren (vgl. HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63).

4.4.

De stelling van belanghebbende dat het systeem van heffing van bpm ter zake van een uit een andere EU-lidstaat ingevoerde gebruikte auto, waarbij de bpm moet worden betaald vóór dat belastbare feit (de registratie in het kentekenregister) zich heeft voorgedaan, in strijd is met het Unierecht faalt. Van het wettelijke systeem van bpm-heffing als zodanig, in het bijzonder waar het gaat om de (hoogte van de) bpm op uit het buitenland ingevoerde auto’s in vergelijking tot de bpm die rust op soortgelijke in Nederland geregistreerde auto’s, kan niet worden gezegd dat het niet strookt met het Unierecht (vgl. HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415, r.o. 3.6.4.).

4.5.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de bpm moet worden verminderd met € 36. Zij heeft bij het hogerberoepschrift een koerslijst AutotelexPro overgelegd uitgaande van een margevoertuig die vergelijkbaar is met de auto op datum tenaamstelling 25 april 2018. De waarde van de auto op voornoemde datum is € 6.404. De verschuldigde bpm bedraagt in dat geval € 589. De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift en ter zitting van het Hof bevestigd dat de verschuldigde bpm kan worden berekend aan de hand van de door belanghebbende overgelegde koerslijst. Gelet hierop dient de verschuldigde bpm te worden verlaagd tot € 589 en dient in verband daarmee een teruggaaf van bpm van € 36 te volgen.

Rentevergoeding wegens in strijd met het Unierecht geheven bpm

4.6.

Belanghebbende maakt aanspraak op vergoeding van rente over de op grond van het Unierecht onverschuldigd betaalde bpm. Volgens belanghebbende vloeit het recht op vergoeding van rente – over de gehele termijn waarover zij niet over de onverschuldigd betaalde belasting heeft kunnen beschikken – rechtstreeks uit het Unierecht voort, zonder dat daaraan een verzoek ten grondslag behoeft te worden gelegd. Dit betoog slaagt niet op de gronden als vermeld in de rechtsoverwegingen 66 tot en met 69 van het arrest van het Hof van Justitie EU 23 april 2020, ECLI:EU:C:2020:292. Het vereiste dat belanghebbende voor de vergoeding van ‘Irimie-rente’ op grond van artikel 28c van de Invorderingswet 1990 een afzonderlijk verzoek moet indienen bij de Ontvanger levert derhalve geen strijd op met het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel.

4.7.

Voor zover belanghebbende aanspraak maakt op een rentevergoeding op grond van artikel 30ha van de Algemene wet inzake rijksbelastingen geldt dat op grond van het tweede lid van die bepaling belasting wordt vergoed indien recht bestaat op een terug te geven bedrag dat verband houdt met een door de Inspecteur ingenomen standpunt ter zake van de bij wege van voldoening op aangifte verschuldigde belasting. Daarvan is in dit geval geen sprake. Voornoemde vermindering is immers een gevolg van de keuze van belanghebbende om niet reeds bij de aangifte, maar eerst in hoger beroep een met een koerslijst onderbouwd beroep te doen op de margekoerslijst. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat ten tijde van het doen van de aangifte reeds door de Hoge Raad was beslist dat voor de bepaling van de handelsinkoopwaarde bij de berekening van bpm mag worden uitgegaan van margeauto’s (vgl. HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:45).

Stellen van prejudiciële vragen

4.8.

Het Hof ziet, anders dan belanghebbende bepleit, geen redenen tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De door belanghebbende ingebrachte argumenten maken dat niet anders.

Verzoek immateriëleschadevergoeding

4.9.

Het Hof stelt vast dat de Rechtbank binnen twee jaar na ontvangst van het bezwaarschrift door de Inspecteur uitspraak heeft gedaan. Dit houdt in dat voor de berechting van de zaak in hoger beroep als uitgangspunt heeft te gelden dat het Hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden (vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252), terwijl compensatie vanwege het enkele feit dat de behandeling van de zaak in de eerdere fase (bezwaar en beroep) van de procedure korter heeft geduurd dan de daarvoor geldende termijn van twee jaar niet kan plaatsvinden. Naar het oordeel van het Hof is de Coronapandemie echter een uitzonderlijke en onvoorzienbare situatie die een verlenging van de termijn met vier maanden rechtvaardigt. Daarbij is rekening gehouden met de periode waarin de gerechtsgebouwen gesloten waren en een termijn van twee maanden voor het opnieuw inplannen van verdaagde zittingen. Het hoger beroep is ingesteld op 31 juli 2019 en het Hof doet heden uitspraak, zodat de redelijke termijn niet is overschreden.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond. Gelet hierop behoeven de gronden over het griffierecht geen bespreking meer.

5 Griffierecht en proceskosten

Griffierecht

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.

Het Hof is van oordeel dat voor een rentevergoeding over de periode vanaf de datum van betaling van het griffierecht geen aanleiding bestaat op grond van het nationale recht. Ook het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente (vgl. HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623). In het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad is beslist dat voor de wettelijk rente over een door de rechter uitgesproken veroordeling tot vergoeding van griffierecht als uitgangspunt geldt dat de uiterste datum waarop aan deze veroordeling moet zijn voldaan, is gelegen vier weken na de datum waarop de uitspraak waarin de veroordeling is opgenomen, is gedaan.

Proceskosten in bezwaar

Naar het oordeel van het Hof bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. De vermindering van de voldoening op aangifte overeenkomstig de door belanghebbende ingebrachte margekoerslijst op datum tenaamstelling, is een gevolg van de keuze van belanghebbende om niet reeds bij de aangifte, maar eerst in hoger beroep een met voornoemde koerslijst onderbouwd beroep op vermindering van de voldoening te doen. Dit is niet het gevolg van een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid (zie artikel 7:15, tweede lid Awb en HR 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:709 naar aanleiding van gerechtshof ’s-Hertogenbosch 2 juli 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:2522).

Proceskosten in beroep

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat geen proceskostenvergoeding voor de beroepsfase verschuldigd is, omdat belanghebbende eerder een margekoerslijst had kunnen inbrengen en het dus aan belanghebbendes proceshouding is te wijten dat de verschuldigde bpm pas in hoger beroep kon worden verminderd.

Het Hof volgt de Inspecteur hierin niet. Wanneer een belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, komen als regel de door hem in (hoger) beroep gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking. Van deze regel mag worden afgeweken indien de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende. De enkele omstandigheid dat de noodzaak tot het instellen van beroep mede voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende, is derhalve niet voldoende (vgl. HR 12 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX0985). Belanghebbende heeft reeds in haar bezwaarschrift gesteld dat de bpm in de aangifte ten onrechte is berekend aan de hand van een koerslijst op basis van btw-auto’s. Hoewel de Inspecteur daarmee nog niet gehouden was op eigen initiatief te berekenen wat dan de verschuldigde bpm op basis van een vergelijking met marge-auto’s zou zijn geweest, kan onder die omstandigheden ook niet gezegd worden dat de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van belanghebbende.

Het standpunt van belanghebbende dat de Inspecteur moet worden veroordeeld tot een hogere kostenvergoeding dan voortvloeit uit de forfaitaire bedragen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb), volgt het Hof niet. Op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb kan in bijzondere omstandigheden worden afgeweken van de forfaitaire bedragen van het Bpb. Het Hof acht dergelijke bijzondere omstandigheden niet aanwezig.

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Bpb vast op € 1.068 voor de kosten in beroep (2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting) x wegingsfactor 1 x € 534) en op € 1.068 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting) x wegingsfactor 1 x € 534), ofwel in totaal op € 2.136. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat de zaken 19/01059 en 19/01061 samenhangende zaken vormen in de zin van artikel 3 van het Bpb, zodat de proceskosten in onderhavige zaak worden vastgesteld op € 1.068.

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de verschuldigde bpm tot een bedrag van € 589;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.068;

  • -

    bepaalt dat de Inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoedt, te weten € 338 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 519 in verband met het hoger beroep bij het Hof, en

  • -

    bepaalt dat de wettelijke rente over de toegekende proceskostenvergoeding alsmede de vergoeding van het griffierecht gaat lopen vier weken na de datum waarop de uitspraak is gedaan tot aan de dag van algehele voldoening.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Linssen, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2021.

De griffier is verhinderd de uitspraak De raadsheer,

te ondertekenen

(I. Linssen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 29 juni 2021.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.