Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:6281

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-06-2021
Datum publicatie
05-07-2021
Zaaknummer
21-000756-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontneming. Het hof stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 82.151,- (tweeëntachtigduizend honderdeenenvijftig euro). Het hof legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 78.043,- (achtenzeventigduizend drieënveertig euro). Het hof bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000756-19

Uitspraak d.d.: 22 juni 2021

TEGENSPRAAK

ONTNEMINGSZAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland van 6 februari 2019 met parketnummer 18-750067-15 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

ingeschreven te [woonplaats] , [woonadres] ,

thans uit anderen hoofde verblijvende in P.I. Leeuwarden te Leeuwarden.

Het hoger beroep

De betrokkene heeft tegen de hiervoor genoemde beslissing hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 juni 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door betrokkene en zijn raadsvrouw,

mr. Y.H.G. van der Hut, naar voren is gebracht.

De beslissing waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met de beslissing waarvan beroep zodat die behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

Vordering

De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 240.379,60 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 240.379,60. Ten tijde van de behandeling in eerste aanleg heeft een schriftelijke ronde plaatsgevonden, waarin de officier van justitie met een nieuwe berekening is gekomen met daarbij een schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 90.927,59 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 90.927,59.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 86.219,05 en dat aan betrokkene wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van

€ 81.908,10.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De betrokkene is bij arrest van dit hof van 11 april 2017 (parketnummer 21-000851-16) onder meer ter zake van medeplegen van het verkopen van heroïne en cocaïne in de periode van oktober 2013 tot en met 13 oktober 2015 veroordeeld tot straf.

De broer van betrokkene, [medeverdachte] , is bij vonnis van rechtbank Noord-Nederland van 6 februari 2019 (parketnummer 18-750068-15) onder meer ter zake van medeplegen van het verkopen van heroïne en cocaïne in de periode van maart 2015 tot en met 13 oktober 2015 veroordeeld tot straf.

Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.

Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen schat het hof dat voordeel op een bedrag van € 78.043,-.Het hof baseert deze schatting op de inhoud van voornoemd vonnis en arrest, de tapgegevens en de verklaringen van de aan de hand van deze gegevens door de politie ‘nagebelde’ getuigen en de na ‘afvangen’ gehoorde getuigen.

Het hof neemt de (herziene) berekening zoals neergelegd in de conclusie van repliek door de officier van justitie als uitgangspunt voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, met dien verstande dat daarop – met inachtneming van het door de raadsvrouw naar voren gebrachte - door de advocaat-generaal ter zitting van het hof een correctie is gemaakt ten aanzien van het aantal drugsgerelateerde contacten in de getapte periode. Het hof neemt deze correctie over. Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er behoudens inkoopkosten ook overige kosten zijn gemaakt en dat deze dienen te worden meegenomen in de berekening. Het hof zal daar deels in meegaan.

Het hof volgt de verdediging niet in het betoog dat de extrapolatiemethode op basis van de 16 dagen referentieperiode niet geschikt is. Gedurende die 16 dagen is het telefoonnummer van de betrokkenen getapt. Met dit nummer werd contact met de klantenkring onderhouden. Op basis van deze getapte gesprekken én andere bewijsmiddelen acht het hof de in de berekening gebruikte gegevens goed onderbouwd en betrouwbaar. Uit het dossier blijkt genoegzaam dat er gedurende ten minste twee jaren sprake was van een florerende drugshandel. Het hof ziet geen aanleiding in het dossier om te veronderstellen dat de periode van 16 dagen niet representatief zou zijn voor de gehele periode.

De verdediging heeft betoogd dat voor wat betreft de getuigen die zowel door de politie als door de rechter-commissaris of de raadsheer-commissaris zijn gehoord, aan deze laatste afgelegde verklaringen onvoldoende gewicht is toegekend. De bedragen die deze getuigen bij de politie hebben genoemd, zijn onrealistisch, aldus de raadsvrouw. Het hof overweegt hieromtrent dat het meer waarde hecht aan de verklaringen zoals zij die hebben afgelegd bij de politie, omdat die kort na het tenlastegelegde zijn afgelegd, in tegenstelling tot die bij de rechter-commissaris en raadsheer-commissaris die van minimaal een jaar tot bijna drie jaren later zijn. Het hof ziet geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van de verklaring van de getuigen, afgelegd bij de politie te twijfelen. Het hof merkt daarbij nog op dat in de berekening rekening is gehouden met de, gedurende deze periode, eenmalige verkoop ten bedrage van € 540,- aan [naam1] .

Verkoophoeveelheden cocaïne/heroïne en verkoopprijzen

De drugs die door verschillende afnemers ( [naam2] , [naam3] , [naam4] , [naam5] , [naam6] en [naam7] ) bij betrokkenen werden gekocht, zijn – nadat deze getuigen door de politie waren afgevangen - in beslag genomen. Aan de hand van de inbeslaggenomen bolletjes drugs is het gemiddelde nettogewicht van een bolletje cocaïne en een bolletje heroïne berekend. Het gemiddelde gewicht van een bolletje cocaïne bleek 0,112 gram en het gemiddelde van een bolletje heroïne 0,157 gram.

Uit de verklaringen van diverse afnemers is gebleken dat de verkoopprijs van cocaïne € 10,- is per bolletje van gemiddeld 1,112 gram en dat de verkoopprijs van heroïne € 10,- is per bolletje van gemiddeld 0,157 gram.

Gemiddelde afgenomen hoeveelheid drugs in tapperiode van 16 dagen

Gedurende de tapperiode van 28 september 2015 tot en met 13 oktober 2015 (16 dagen) zijn in totaal 87 verschillende nummers geïdentificeerd die met het getapte nummer contact hebben opgenomen.

Van de 87 geïdentificeerde nummers die door de politie zijn nagetrokken, is aannemelijk dat 10 nummers mogelijk niet drugsgerelateerd zijn. Daarom wordt door het hof uitgegaan van een klantenkring van 77 afnemers in de getapte periode.

Met 30 afnemers uit de getapte periode heeft de politie contact gehad door deze personen te horen nadat zij drugs hadden gekocht dan wel door hen na te bellen. Op grond van hun afgelegde verklaringen en de inhoud van de tapgesprekken is een schatting gemaakt van de in de getapte periode afgenomen hoeveelheid drugs van de personen waarmee contact is geweest.

In totaal werden in de getapte periode de volgende hoeveelheden drugs afgenomen van betrokkene en diens broer en de volgende bedragen betaald door de 30 personen waarmee contact is geweest met de politie:

Cocaïne:

Nagebelde personen: 3,360 gram totaal betaald: € 300,-

Gehoorde getuigen: 12,36 gram totaal betaald: € 1.060,-

15,72 gram € 1.360,-

Heroïne:

Nagebelde personen: 2,183 gram totaal betaald: € 140,-

Gehoorde getuigen: 5,456 gram totaal betaald: € 350,-

7,639 gram € 490,-

Verkoopverhouding cocaïne/heroïne

Bij de berekening is uitgegaan van de verdeling van € 67 % cocaineverkoop en 33 % heroïneverkoop, omdat er van wordt uitgegaan dat van de dertig personen waarmee daadwerkelijk contact is geweest, in de getapte periode naar schatting 15,72 gram cocaïne en 7,639 gram heroïne is verkocht.

Berekening opbrengst in tapperiode van 16 dagen

De 30 personen waarmee contact is geweest, hebben voor in totaal € 1.360,- + € 490,-

= € 1.850,- aan drugs gekocht.

In de getapte periode vertoont één afnemer een afwijkend beeld en deze wordt – in het voordeel van betrokkenen – om die reden niet meegenomen bij de berekening van het gemiddeld bedrag aan opbrengst in de tapperiode. De resterende 29 afnemers waar contact mee is geweest hebben aldus in de getapte periode voor de hierboven weergegeven

€ 1.360,- + € 490,- = € 1.850,- minus de afwijkende deelnemer € 540,- = € 1.310,- aan drugs gekocht.

Dit betekent dat per afnemer per dag (€ 1.310,- : 29 = afgerond in het voordeel van betrokkenen) € 2,80 aan drugs is uitgegeven x 16 dagen = € 44,80 per afnemer in een periode van 16 dagen.

In het voordeel van betrokkenen wordt ervan uitgegaan dat de klanten die de politie niet heeft kunnen spreken voor € 40,- aan drugs hebben gekocht in de getapte periode. Deze niet bereikte klanten hebben voor (77 minus 30 =) 47 afnemers x € 40,- = € 1.880,- aan drugs gekocht in de getapte periode.

Het geschatte totaalbedrag van de drugsverkoop in de getapte periode bedraagt € 1.850,- + € 1.880,- = € 3.730,-. Per dag is dat (€ 3.730,- : 16 =) € 233,12.

Het geschatte totaalbedrag van de drugsverkoop in de getapte periode bedraagt € 3.730,-. Uitgaande van de verkoopprijzen als hiervoor weergegeven betekent dit dat er 373 bolletjes drugs zijn verkocht in de getapte periode. Gelet op de hiervoor genoemde verdeling van

67 % cocaïne en 33 % heroïne komt dat neer op 250 bolletjes cocaïne en 123 bolletjes heroïne.

Dat betekent een gewicht van 250 x 0,112 gram = 28 gram : 16 dagen = 1,75 gram cocaïne per dag. Voor heroïne betekent dit een gewicht van 123 x 0,157 gram = 19,31 : 16 dagen = 1,21 heroïne per dag.

Extrapolatie naar de bewezenverklaarde periode

Uit de verklaringen die ten grondslag liggen aan de bewezenverklaring kan worden afgeleid dat de handel minimaal een periode van twee jaren beslaat en de drugshandel die hele periode florerend is geweest. Het totaal geschatte bedrag aan verkochte drugs in twee jaren (= 730 dagen) komt daarmee op € 233,12 x 730 dagen = € 170.177 (afgerond ten voordele van betrokkenen).

Dat betekent dat er 1,75 gram (cocaïne per dag) x 730 dagen = 1277,5 gram aan cocaïne is verkocht in twee jaren en 1,21 gram (heroïne per dag) x 730 dagen = 883,3 gram aan heroïne.

Kosten in de bewezenverklaarde periode

Inkoopkosten

Kosten cocaïne 1277,5 gram x € 35,- = € 44.713,-

Kosten heroïne 883,3 gram x € 25,- = € 22.083,-

Totale inkoopkosten = € 66.796,-

Het hof is, anders dan de verdediging, wat betreft de inkoopprijs voor cocaïne uitgegaan van de gegevens van het Nationaal netwerk Drugsexpertise, te weten € 35,- per gram. Omdat diverse gebruikers wisselend over de kwaliteit van de verhandelde cocaïne verklaren, acht het hof het aannemelijk dat de drugs van gemiddelde kwaliteit zijn geweest. Voor wat betreft de inkoopprijs van de heroïne wordt uitgegaan van hetgeen betrokkene daarover heeft verklaard, te weten € 25,- per gram.

Ten aanzien van de overige kosten: deze worden geschat op € 200,- per maand aan benzine- en telefoonkosten (zoals geschat door de raadsvrouw in haar conclusie van antwoord).

€ 200,- x 24 maanden = € 4.800,-.

Totale kosten = € 66.796,- + € 4.800,- = € 71.596,-

De verdediging heeft nog aangevoerd dat de betrokkenen overige kosten hebben gemaakt die in directe relatie staan tot het feit bij de aanschaf en gebruik van onder meer weegschalen, verpakkingsmaterialen, scharen, aanstekers, lepels. De verdediging koppelt daar geen bedrag aan maar verzoekt het hof hier wel rekening mee te houden in het voordeel van de betrokkenen bij de beoordeling van de geraamde kosten en de overige berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het hof gaat hierin niet mee, omdat het hof van oordeel is dat gelet op de aard van de goederen niet aannemelijk is geworden dat deze goederen louter ten dienste van de strafbare feiten zijn aangeschaft. Het hof zal dan ook bij de beraming van de kosten hiermee geen rekening houden in het voordeel van de betrokkenen, temeer omdat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in hoge mate voorzichtig en in het voordeel van betrokkenen is geschat.

Verdeling

Bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 11 april 2017 betrokkene veroordeeld voor drugshandel over een periode van 24 maanden. De broer van betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland d.d. 2 februari 2016 veroordeeld voor drugshandel over een periode van acht maanden. Gelet op het verschil in de bewezenverklaarde periode en het feit dat er niets is komen vast te staan over de winstverdeling tussen beiden, is het hof van oordeel dat moet worden uitgegaan van een periode van 16 maanden waarin betrokkene alleen voordeel heeft genoten. Voor de resterende acht maanden dient te worden uitgegaan van een gelijke verdeling tussen betrokkene en zijn broer.

Dat betekent dat het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op de opbrengst van € 170.177,- minus de kosten van € 71.596,- ,- = € 98.581,-.

Gelet op het voorgaande wordt het wederrechtelijk verkregen voordeel per betrokkene geschat op:

[medeverdachte] : € 16.430,-

[verdachte] : € 82.151,-

De verplichting tot betaling aan de Staat

Het hof houdt rekening met de overschrijding van de redelijke termijn welke is gelegen tussen het moment van instellen van het hoger beroep op 12 februari 2019 en de einduitspraak van het hof op 22 juni 2021. Deze overschrijding is niet aan de verdediging te wijten. Het hof zal daarom het bedrag waartoe betrokkene zal worden verplicht om te betalen aan de Staat matigen met 5 %.

Op grond van voorgaande zal het hof de verplichting tot betaling aan de Staat stellen op een bedrag van € 78.043,-.

Het hof ziet – overeenkomstig het oordeel van de rechtbank en de advocaat-generaal en anders dan de verdediging - geen aanleiding om vast te stellen dat er in eerste aanleg sprake is geweest van een schending van artikel 6 EVRM vanwege overschrijding van de redelijke termijn, gelet op het verloop van de procedure in eerste aanleg waarin op verzoek van de verdediging bovendien aanvullende getuigenverhoren hebben plaatsgevonden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 82.151,- (tweeëntachtigduizend honderdeenenvijftig euro).

Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 78.043,- (achtenzeventigduizend drieënveertig euro).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.

Aldus gewezen door

mr. G.A. Versteeg, voorzitter,

mr. A.H. toe Laer en mr. E. Pennink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Zevenhuizen, griffier,

en op 22 juni 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.