Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:628

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-01-2021
Datum publicatie
08-02-2021
Zaaknummer
Wahv 200.250.133/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een voorwerp op het dashboard belemmert het zicht van de bestuurder. Er is een onjuiste feitcode toegepast. Wijziging van de feitcode is niet mogelijk vanwege het hogere sanctiebedrag. Volgt vernietiging van de beschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2022/84
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.250.133/01

CJIB-nummer

: 212644306

Uitspraak d.d.

: 25 januari 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 17 oktober 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “voorruit/zijruiten/windscherm/achterruit geen recht.buit.spiegel voorzien van uit zicht belemmerende onnodige voorwerpen (feitcode N420B)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 28 november 2017 om 14:50 uur op het Nespad in Bodegraven met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .

2. Uit de beslissing van de kantonrechter volgt dat de officier van justitie ter zitting heeft voorgesteld om de feitcode te wijzigen in 2040A (het hof begrijpt: P041A) en daarbij het bedrag van de sanctie gelijk te stellen aan het sanctiebedrag behorend bij feitcode N420B. De kantonrechter heeft het beroep ongegrond verklaard en heeft blijkens zijn overwegingen aan zijn beslissing ten grondslag gelegd dat hij het voorstel van de officier van justitie volgt.

3. Het hof verstaat het dictum van de beslissing van de kantonrechter aldus dat hij het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond heeft verklaard, die beslissing heeft vernietigd, het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond heeft verklaard en die beschikking heeft gewijzigd in zoverre dat de feitcode wordt gewijzigd in P041A en de omschrijving van de gedraging in “als bestuurder van een (motor)voertuig of samenstel van (motor)voertuigen rijden, terwijl de bestuurder niet voldoende zicht door de voorruit en/of de voorste zijruiten naar voren en opzij heeft”. Het bedrag van de bij de inleidende beschikking opgelegde sanctie is door de kantonrechter niet gewijzigd.

4. Het hof overweegt dat wijziging van de inleidende beschikking op het punt van de omschrijving van de gedraging met bijbehorende feitcode als door de officier van justitie is voorgesteld reeds hierom niet mogelijk was, nu het sanctiebedrag behorende bij feitcode P041A hoger is dan de aan de betrokkene opgelegde sanctie behorende bij feitcode N420B. Dat het eerstbedoelde sanctiebedrag door de kantonrechter is gematigd, kennelijk om te voorkomen dat de betrokkene in een nadeliger positie was gekomen dan hij zou zijn geweest wanneer hij geen beroep had ingesteld, doet daaraan niet af (vgl. het arrest van het hof van 4 februari 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:1146).

5. Voorgaande betekent dat de beslissing van de kantonrechter geen stand kan houden en dat die beslissing zal worden vernietigd. Het hof zal thans, doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. Bij die beslissing heeft de officier van justitie het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard.

6. De gemachtigde heeft onder meer aangevoerd dat de betrokkene betwist onvoldoende zicht te hebben gehad. De betrokkene rijdt al vele jaren op die manier zonder dat daarover ooit is geklaagd dan wel dat een ongeval is veroorzaakt. In de onderhavige zaak is bovendien geen sprake van een ambtsedige verklaring. De verklaring die is opgenomen in het zaakoverzicht kan niet als zodanig worden aangemerkt, zodat daaraan geen bijzondere bewijskracht toekomt. De verklaring van de betrokkene, die de gedraging betwist, staat daarmee qua bewijswaarde gelijk aan de verklaring van de ambtenaar.

7. Het hof stelt voorop dat de Wahv niet de eis stelt dat aan een krachtens die wet opgelegde administratieve sanctie een ambtsedig proces-verbaal van een opsporingsambtenaar ten grondslag ligt. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

8. In het zaakoverzicht is de verklaring opgenomen van de ambtenaar die de onderhavige gedraging heeft geconstateerd:

“Ik zag dat een tafel op het dashboard het zicht met 3 meter beperkte.

Overtreden artikel: 5.3.42 RV.”

9. Verder bevat het dossier een tweetal foto’s, genomen vanuit het voertuig vanaf de bestuurderskant. Op de foto’s is te zien dat op het dashboard (aan de rechterzijde) van het voertuig een verhoogde constructie is gebouwd, lijkend op een tafel. Ook liggen er meerdere voorwerpen op die tafel.

10. Feitcode N420b ziet op een overtreding van artikel 5.1.1, eerste lid, onder c in verbinding met artikel 5.2.42 van de Regeling voertuigen (Rv).

11. Genoemde artikelen luiden - voor zover hier van belang -:

Artikel 5.1.1:

"1. Het is de bestuurder van een voertuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder

verboden daarmee te laten rijden, indien het voertuig:

(…)

c. niet voldoet aan de in de afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk ten aanzien van de bouw of inrichting van voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort, gestelde eisen."

12. Artikel 5.2.42, tweede lid, - voor zover hier van belang -:

Eisen

De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van personenauto’s mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren.

13. Feitcode P041a ziet op een overtreding van artikel 5.18.4, onder a, van de Rv. Dat luidt:

“De bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen moet:

a. voldoende zicht naar voren en opzij hebben door de voorruit en de voorste zijruiten (…).”

14. De toelichting op voornoemde regeling (gepubliceerd in Staatscourant 2011, 19193) houdt ten aanzien van dit artikel onder meer in:

“Dit artikel bepaalt dat het gezichtsveld van de bestuurder niet mag worden beperkt. Deze gebruikseis bepaalt niet in welke gevallen er nog sprake is van voldoende zicht, aangezien dit te zeer afhankelijk is van de omstandigheden van het concrete geval. Dit betekent dat het artikel met name zal worden toegepast in die gevallen waarin ernstige twijfel rijst omtrent het uitzicht van de bestuurder. Voorheen had deze gebruikseis betrekking op de lading als zichtbelemmerende factor. Het artikel is nu zodanig geformuleerd dat het ziet op elke vorm van belemmering van het zicht. Dit betekent dat het zicht van de bestuurder naast lading, ook niet beperkt mag worden door verwisselbare uitrustingsstukken, sneeuw, ijs, modder, etc.”

15. Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat de op artikel 5.1.1, eerste lid, onder c in verbinding met artikel 5.2.42, tweede lid, van de Rv gebaseerde feitcode N420b ziet op aan de bouw en inrichting van het voertuig, waaronder de ruiten van het voertuig, te stellen eisen, terwijl de op artikel 5.18.4, onder a, van de Rv gebaseerde feitcode P041a ziet op eisen in verband met het gebruik van het voertuig. De gedraging die volgens de ambtenaar heeft plaatsgevonden betreft niet het niet voldoen aan de eisen van de bouw en inrichting van de ruiten maar het plaatsen van een voorwerp in het voertuig op zodanige wijze dat het gebruik van de ruiten wordt beperkt. Dit betekent dat in het onderhavige geval niet feitcode N420b, maar feitcode P041a had moeten worden toegepast. Gelet op het onder 4. overwogene zal het hof niet overgaan tot wijziging van de feitcode.

16. Voorgaande betekent dat de inleidende beschikking geen stand kan houden. Het hof zal beslissen als hierna vermeld.

17. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter, het verschijnen ter zitting van de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal vier procespunten te worden toegekend. Ook aan het telefonisch horen dient één punt te worden toegekend. Gelet op de door de gemachtigde geleverde inspanning zal het hof met gebruikmaking van de matigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, het voor het horen door de officier van justitie toegekende punt halveren. De waarde per punt bedraagt € 534,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van (4,5 x € 534,- x 0,5) = € 1.201,50.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 1.201,50.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Lageveen als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.