Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:6279

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-06-2021
Datum publicatie
05-07-2021
Zaaknummer
21-000345-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich nadat hij een auto had bestuurd schuldig gemaakt aan het weigeren van een ademtest. Hij krijgt hiervoor een geldboete van € 1.100,-, te betalen in 11 termijnen en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 10 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000345-19

Uitspraak d.d.: 22 juni 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 18 januari 2019 met parketnummer 96-202370-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 juni 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde en oplegging van een geldboete van € 1.100,-, te betalen in termijnen, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 10 maanden met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevorderd of ingehouden is geweest. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman,

mr. S. de Korte, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft het tenlastegelegde bewezen verklaard en heeft aan verdachte een geldboete opgelegd van € 1.100,- subsidiair 21 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van tien maanden met aftrek overeenkomstig artikel 179 wegenverkeerswet 1994.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 13 oktober 2018 te [plaats] , in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 13 oktober 2018 te [plaats] , als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich nadat hij een auto had bestuurd schuldig gemaakt aan het weigeren van een ademtest. Verdachte heeft door zijn handelen de politieambtenaren belemmerd in de rechtmatige uitoefening van hun bediening.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte - blijkens een hem betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 12 mei 2021 – eerder veelvuldig onherroepelijk is veroordeeld ter zake van strafbare feiten, waaronder ook feiten strafbaar gesteld in de Wegenverkeerswet 1994.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat een geldboete van € 1.100,-, zoals opgelegd door de eerste rechter en gevorderd door de advocaat-generaal een passende bestraffing is. Het hof heeft daarbij acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarbij het hof als strafverzwarende omstandigheid laat meewegen dat er in geval van verdachte sprake is van relevante recidive.

De raadsman heeft ter zitting van het hof verzocht om een geldboete op te leggen met een onvoorwaardelijk deel niet boven de € 500,- en heeft verder verzocht om de geldboete te laten betalen in termijnen. De raadsman heeft daarbij gewezen op het tijdsverloop in de zaak en de draagkracht van verdachte.

Het hof stelt vast dat in de appèlfase de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het EVRM is overschreden, nu niet binnen twee jaren na het instellen van het rechtsmiddel een eindarrest is gewezen. Het hof is echter van oordeel dat, gelet op de voortvarendheid van de behandeling van de zaak in eerste aanleg, hieraan geen consequenties dienen te worden verbonden. De strafrechtelijke procedure als geheel is namelijk binnen vier jaren na aanvang van verdachtes vervolging afgedaan.

Het hof zal gelet op het voorgaande dan ook niet meegaan met het verzoek van de raadsman en zal een geldboete van € 1.100,- aan verdachte opleggen. Wel zal het hof vanwege de draagkracht van verdachte bepalen dat deze in maandelijkse termijnen van € 100,- mag worden betaald. Daarnaast zal een ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur worden opgelegd, met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs was ingevorderd of ingehouden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24a, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 163, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.100,00 (duizend honderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 (eenentwintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 11 (elf) termijnen van 1 maand, elke termijn groot € 100,00 (honderd euro).

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 (tien) maanden.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr. G.A. Versteeg, voorzitter,

mr. A.H. toe Laer en mr. E. Pennink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Zevenhuizen, griffier,

en op 22 juni 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.