Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:6263

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-06-2021
Datum publicatie
27-07-2021
Zaaknummer
Wahv 200.267.030/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoorplicht. De officier van justitie heeft het niet reageren op een uitnodiging ten onrechte aangemerkt als een "mededeling conform artikel 7:17, aanhef en onder d, Awb", op grond waarvan van het horen kan worden afgezien. Van de situatie onder c is ook geen sprake. Met een verhinderbericht ten aanzien van bepaalde data wordt geen afstand gedaan van het recht om te worden gehoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.267.030/01

CJIB-nummer

: 214769657

Uitspraak d.d.

: 28 juni 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 27 augustus 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Het verweer van de gemachtigde van de betrokkene dat een deugdelijk proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter ontbreekt mist feitelijke grondslag, nu de beslissing is opgenomen in een proces-verbaal en daarin is weergegeven welk standpunt de vertegenwoordiger van de officier van justitie ter zitting heeft ingenomen.

2. Verder voert de gemachtigde van de betrokkene aan dat de officier van justitie niet op grond van artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) had mogen afzien van een hoorzitting. De brief van de officier van justitie van 27 augustus 2018 komt dan volstrekt overbodig voor. De officier van justitie vraagt of de betrokkene gehoord wenst te worden, en of de betrokkene in persoon gehoord wenst te worden. Bij het indienen van de voorlopige gronden op 13 april 2018 was al aangeven dat niet werd afgezien van het horen. Daarnaast is aangegeven dat de betrokkene telefonisch wenste te worden gehoord.

3. Het hof stelt vast dat de gemachtigde telefonisch is gehoord tijdens de hoorzitting van 23 mei 2018. Vervolgens heeft de officier van justitie nieuwe informatie in het geding gebracht. Conform artikel 7:23 van de Awb is de gemachtigde bij brief van 26 juli 2018 uitgenodigd voor een nieuwe hoorzitting. De gemachtigde heeft in de brief van 13 augustus 2018 zijn verhinderdata opgegeven en daarbij niet aangegeven af te zien van het horen. De gemachtigde heeft in dit schrijven verder medegedeeld dat het als gevolg van het zomerreces niet is gelukt om de gronden van beroep aan te vullen. De gemachtigde heeft daarom verzocht om in de brief van 26 juli 2018 geboden termijn te verlengen. Bij brief van 27 augustus 2018 is de gemachtigde uitgenodigd voor een hoorzitting op

26 september 2018. Daarbij is vermeld dat, indien niet wordt gereageerd op de uitnodiging, dit wordt gezien als een mededeling conform artikel 7:17, aanhef en onder d, Awb. Uit het dossier blijkt niet dat de gemachtigde heeft gereageerd op deze uitnodiging. Evenmin blijkt dat de hoorzitting doorgang heeft gevonden.

4. Het hof stelt vast dat de officier van justitie niet gebruik heeft gemaakt van de in artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Awb voorziene mogelijkheid om te verlangen dat een verzoek wordt gedaan om te worden gehoord. De vermelding in de brief van 27 augustus 2018 kan niet als zodanig worden beschouwd, reeds hierom nu artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Awb niet spreekt over een mededeling die aanleiding kan zijn om af te zien van het horen. De uitzonderingssituaties, bedoeld in artikel 7:17, aanhef en onder a of b, van de Awb doen zich hier evenmin voor. Ook mocht de officier van justitie niet afzien van een hoorzitting op grond van artikel 7:17, aanhef en onder c, van de Awb. De brief van de gemachtigde waarin hij aangeeft niet te kunnen worden gehoord op de voorgestelde data kan niet worden aangemerkt als verklaring geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord.

5. Gelet op het voorgaande is de gemachtigde ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld om naar aanleiding van de nieuwe informatie te worden gehoord. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen. Voorts zal het hof het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en ook die beslissing vernietigen. Vervolgens zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.

6. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 94,- voor: “overschrijding maximum snelheid binnen bebouwde kom, met 11 km/h”. Deze gedraging zou zijn verricht op 20 februari 2018 om 12.57 uur op de Escamplaan in ʼs-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

7. De gemachtigde voert aan dat de verrichte meting onvoldoende betrouwbaar is. De meetinstallatie stond heel dicht bij de wegas, zodat de rijwind van passerende voertuigen invloed kan hebben gehad op de meting. De ambtenaar heeft er voor gekozen om het radarvoertuig zeer dicht op de wegas te plaatsen. Daarbij is niet vermeld wat de afstand tot de rijbaan was. De ambtenaar heeft in zijn voertuig een meetlint, dat hij verplicht is te gebruiken. Er is dan ook geen enkel objectief gegeven om te bepalen of voldoende afstand is gehanteerd tot de wegas.

8. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de vaststelling dat met behulp van een voor de meting getest, goedgekeurd en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel is gemeten dat met het voertuig van de betrokkene een (gecorrigeerde) snelheid van 61 km/u is gereden, terwijl de maximumsnelheid 50 km/u bedroeg. Het betrof een radarmeting door een Jenoptik MultaRadar CT.

9. Voor zover de gemachtigde stelt dat de meetinstallatie dicht bij de wegas stond, zodat de rijwind van passerende voertuigen invloed kan hebben gehad op de meting, verwijst het hof allereerst naar overweging 8 van het arrest van het hof van 12 maart 2019 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:2266), waarin wordt uitgelegd dat bij de MultaRadar CT - die ook in het onderhavige geval is gebruikt - niet in één enkele hoek wordt gemeten en het voertuig wordt gevolgd over een afstand van 100 meter, terwijl het voertuig binnen die afstand een aantal keren wordt gemeten. Daarnaast is in het arrest te lezen dat het apparaat geen snelheidsmeting weergeeft en dat geen foto wordt gemaakt in het geval een meting wordt verricht buiten de maximaal toegelaten afwijkingen van de optimale meethoek. Daarmee kan het verweer omtrent het niet in acht nemen van voldoende afstand tot de wegas bij het plaatsen van de meetinstallatie genoegzaam worden verworpen. Uit het gegeven dat een snelheidsmeting is weergegeven en een foto is gemaakt kan worden afgeleid dat niet sprake is geweest van zodanige dichte plaatsing op de wegas, dat geen betrouwbare meting meer mogelijk zou zijn. Het verweer faalt.

10. Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat de gedraging is verricht. Het beroep tegen de inleidende beschikking is ongegrond

11. De gemachtigde stelt zich verder op het standpunt dat een dwangsom is verbeurd. De termijn om te beslissen liep af op 7 augustus 2018. Er is geen verdagingsbericht ontvangen en de verzendadministratie van de officier van justitie is onvoldoende om aan te tonen dat die is verstuurd. Voor de tijdigheid van een ingebrekestelling is de ontvangstdatum doorslaggevend. Daarom is de op 7 augustus 2018 gedateerde ingebrekestelling niet prematuur, maar tijdig.

12. Tegen de op 6 maart 2018 verzonden inleidende beschikking heeft de gemachtigde op

13 april 2018 administratief beroep ingesteld. De officier van justitie heeft op 2 oktober 2018 op het beroep beslist. De beslistermijn als bedoeld in artikel 7:24, eerste lid, van de Awb verstreek in beginsel op 7 augustus 2018. In het dossier bevindt zich een brief van 19 april 2018, waarin de gemachtigde, die had verzocht om een termijn voor het aanvullen van de gronden, onder meer in de gelegenheid wordt gesteld om binnen vier weken na dagtekening van de brief schriftelijk de gronden van beroep aan te vullen. Bij brief van 26 juli 2018 is de gemachtigde, na toezending van nieuwe stukken, onder meer opnieuw in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken de gronden van beroep aan te vullen. Bij brief van 13 augustus 2018 heeft de gemachtigde verzocht om verlenging van die termijn. Dit betekent dat de beslistermijn ex. artikel 7:24, derde lid, van de Awb, op 7 augustus 2018 was opgeschort (vgl. het arrest van dit hof van 28 oktober 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8783).

13. Het voorgaande betekent dat de ingebrekestelling van 7 augustus 2018 prematuur was. De kantonrechter heeft het verzoek tot vaststelling van de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom dan ook terecht afgewezen.

14. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

wijst het verzoek om een dwangsom af;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.